Alle artikelen
Wanneer ik aan Blaas denk, zie ik zijn proefschrift voor mij, waarvan de oorspronkelijk Nederlandse editie dermate slordig is gestencild dat de universiteitsdrukkerij op elke pagina een stempel heeft gezet met de tekst dat zij niet verantwoordelijk is voor dit slordige stapeltje papier. Het tekent de enigszins verstrooide negentiende-eeuwse universiteitsprofessor, qua eruditie en belezenheid stammend uit een vorig tijdperk. Een sympathiek trekje is dat Blaas altijd aandacht vroeg voor min of meer vergeten ‘kleine’ historici. In 1991 publiceerde hij bijvoorbeeld een boekje over historicus Bernard Vlekke – wie kent zijn naam nog? –, die zich vooral met internationale politieke betrekkingen heeft beziggehouden.
Verzuilde kluisters
Met Blaas neemt een van de laatste historiografen van zijn generatie afscheid. Hij was van hen zeker de belangrijkste. Dat was ook niet zo moeilijk. In de jaren zeventig kreeg de geschiedenis van de geschiedschrijving of – ruimer – de theoretische geschiedenis, een vaste plaats in het curriculum en werden aan de meeste universiteiten gespecialiseerde docenten aangesteld. Het bracht zeker een professionalisering van de nieuwe subdiscipline met zich mee. Maar dat de nieuwe docenten nu zoveel publiceerden – nee. Het is een kenmerk van de hele generatie die in de jaren twintig en dertig is geboren en die in de jaren zeventig en tachtig de academische wereld domineerde. Door de veel publicerende generatie na hen (Jo Tollebeek, Frank Ankersmit) zijn deze historici enigszins in vergetelheid geraakt. Blaas zit zo als het ware ingeklemd tussen de generatie kleurrijke historici van het type Geyl en Romein, voor wie de geschiedenis een persoonlijke levensnoodzaak was, en de nieuwe generatie, bij wie noodgedwongen het publish or perish-adagium hoog in het vaandel staat.
De bescheiden publicatiedrift werd nauwelijks gecompenseerd door een moderne en vernieuwende benadering van het vak. De geschiedenis van de geschiedschrijving liep in die tijd achter op nieuwe en meer internationaal georiënteerde richtingen als de sociaal-economische geschiedenis en de mentaliteitsgeschiedenis. De nieuwe kwantificerende methode die een generatiegenoot als Charles-Olivier Carbonell in Frankrijk toepaste, met zijn bekende studie Histoire et historiens, une mutation idéologique des historiens français, 1865-1885, vond hier aanvankelijk geen navolging.
De jaren zestig en zeventig worden meestal beschreven als de jaren waarin de geschiedwetenschap zich ontdeed van haar nationale en verzuilde kluisters. Ironisch genoeg gold dit echter veel minder voor de geschiedenis van de geschiedschrijving zelf. Hier bleven de oude ideologische kaders nog tot ver in de jaren tachtig het beeld bepalen. Natuurlijk werden er relativerende kanttekeningen geplaatst bij de verschillende nationale tradities. Maar ieder bleef toch vooral zijn eigen tuintje wieden. In Nijmegen hield A.E.M. Janssen zich vooral met de eigen katholieke zuil bezig. Aan de Vrije Universiteit had je een orthodox-gelovige protestant als A.Th. van Deursen, die de historiografie er een beetje bij deed. Dominerend was echter de Leidse liberale traditie, die aan alle seculiere universiteiten de boventoon voerde. De Amsterdammer E.E.G. Vermeulen schreef bijvoorbeeld een proefschrift over Fruin. In Utrecht vertegenwoordigde C. Offringa een vrijzinnig-progressieve variant van het liberalisme, getuige ook zijn nog steeds lezenswaardige studie over de negentiende-eeuwse veelschrijver Johannes van Vloten. Ook Piet Blaas hoort in dit rijtje thuis. Na een proefschrift over de Engelse liberale geschiedschrijving in de negentiende eeuw, schreef Blaas een twintigtal belangrijke artikelen over de geschiedschrijving in Nederland, tussen ruwweg 1860 en 1960.
Nationale mythologieën
Liberale historici horen niet graag dat ook hun soort geschiedschrijving een vorm van verzuilde geschiedschrijving is. Het hoofdonderwerp van Blaas was de ontwikkeling van de nationale geschiedschrijving in de negentiende en twintigste eeuw, beschouwd vanuit het perspectief van de zich ontplooiende Nederlandse natiestaat. In zijn studies kiest Blaas altijd voor het nationale perspectief. Bij nadere beschouwing blijken in Blaas’ geschriften echter toch vooral de grote liberale geschiedschrijvers te domineren: Robert Fruin, P.J. Blok, H. Colenbrander, G.W. Kernkamp en Pieter Geyl. Klassiek is Blaas’ opstel over Fruin en Bloks nationale geschiedschrijving, die hij in navolging van J.W. Smit karakteriseerde als nationaal-conciliante geschiedschrijving. De titel van het stuk is overbekend geworden: ‘De prikkelbaarheid van een kleine natie met een groot verleden’. Blaas beschrijft hierin hoe in de negentiende eeuw de geschiedenis van de roemrijke zestiende en zeventiende eeuw gebruikt werd om de na 1830 door de Belgische afscheiding in een identiteitscrisis belandde Nederlandse natie weer enig zelfrespect bij te brengen. Daarbij was het nodig dat oude partijtegenstellingen overwonnen werden en dat ook de confessionelen (katholiek én protestant) zich thuis konden voelen in de nieuw-gecreëerde Nederlandse natie.
In feite schreef Blaas, net zoals zijn grote negentiende-eeuwse voorvaders, nationale conciliante geschiedschrijving. Een conciliante geschiedschrijving waarbij de andere levensbeschouwelijke stromingen lijken op te lossen in een quasi boven de partijen staande liberale richting, de enige richting die, in liberale ogen althans, met recht nationaal mocht heten. Confessionele historici nemen in de artikelen van Blaas slechts een ondergeschikte positie in, een voetnoot bij de eigen liberale geschiedtraditie. In een van zijn artikelen constateert Blaas met enige verbazing dat ‘Groens theologische raamwerk’ in de negentiende eeuw meer aansloeg ‘dan wij ons nu kunnen voorstellen’. De theologie was blijkbaar meer doorslaggevend dan de toch van oorsprong katholieke Blaas zich kon voorstellen. Blaas heeft naar het schijnt zijn eerste vorming opgedaan op de seminaries van Warmond en Hageveld maar heeft deze roots kennelijk volledig van zich af weten te schudden.
Blaas is geen historicus voor een breed publiek. Hij is een typische historians historian, wiens artikelen vooral door vakgenoten op waarde worden geschat. Terwijl mensen als Geyl elk historiografisch debat tot een persoonlijk doorleefd debat maakten, was de generatie van Blaas meer gericht op relativeren en nuanceren van overgeleverde nationale mythologieën. Dergelijke nuancerende geschiedenis leidt maar zelden tot hartstochtelijke geschiedschrijving. Daar komt nog iets anders bij. Met het voortschrijden van de ontideologisering is Blaas’ type van nationaal- conciliante geschiedschrijving, waarbij eruditie en een ‘vanzelfsprekende historische denkstijl’ een wezenlijk bestanddeel vormen, letterlijk geschiedenis geworden.
HET BEELD IN DE SPIEGEL. HISTORIOGRAFISCHE VERKENNINGEN. LIBER AMICORUM VOOR PIET BLAAS
door E.O.G. Haitsma Mulier, L.H. Maas, J. Vogel (red.). 304 p. Verloren, ƒ 64,-.
GESCHIEDENIS EN NOSTALGIE. DE HISTORIOGRAFIE VAN EEN KLEINE NATIE MET EEN GROOT VERLEDEN. VERSPREIDE HISTORISCHE OPSTELLEN
door P.B.M. Blaas. 251 p. Verloren, ƒ 51,20.
DE BURGERLIJKE EEUW. OVER EEUWWENDEN, LIBERALE BURGERIJ EN GESCHIEDSCHRIJVING
door P.B.M. Blaas. 189 p. Verloren, ƒ 38,40.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Een noeste hovenier
Een ‘noeste hovenier in de achtertuin der historiografie’, die ook in zijn vrije tijd graag zijn tuintje wiedt. Zo karakteriseert M.C. Brands de specialist in de theorie van de geschiedenis P.B.M Blaas. Blaas’ specialisme was de theorie van de geschiedenis. Hij publiceerde met name over de geschiedenis van de geschiedschrijving in de negentiende en twintigste...
De heidense Middeleeuwen
Bredero heeft een vuistdik boek geschreven over (of liever: tegen) de ‘ontkerstening der Middeleeuwen' die moderne historici als Schmitt verkondigen.
Onstilbare honger naar radicale reinheid
Poorthuis en Salemink, verbonden aan de Katholieke Theologische Universiteit, gebruikten 488 bladzijden voor hun ‘levensverhaal’ van de joodse Sophie van Leer, die zich tot het roomse geloof had bekeerd. Daarna volgen drie en een halve bladzijde epiloog. Ze stellen er vier maal de vraag: ‘Wie was Sophie van Leer?’ Hun antwoord luidt telkens anders. Ook...
Grote individuen en hoge cultuur
Een mooier startpunt had de groep die voor het onderzoeksprogramma ‘Nederlandse cultuur in Europese context’ het ijkpunt 1900 zou gaan bestuderen zich niet kunnen wensen. Het sinds 1991 door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek gesubsidieerde megaproject beoogde immers ‘het onderzoek naar de ontwikkeling van de Nederlandse cultuur en naar de wisselwerkingen tussen de Nederlandse...
Brieven
Papoea’s Gerard Mulder mist in zijn column over de Papoea’s (Historisch Nieuwsblad 2000/6) net de pointe. Nederland wilde Nieuw-Guinea bij de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië gewoon blijven koloniseren, of beter: laten koloniseren. Het was de bedoeling dat het een nieuw vaderland zou worden voor de Indische Nederlanders die weg wilden uit Indonesië, uit angst voor Soekarno...
Audiovisueel: Wilde jaren
WILDE JAREN: EEN EEUW JEUGDCULTUUR. De serie start op donderdag 9 november om 23.20 op Nederland 1 en wordt herhaald vanaf zaterdag 11 november om 14.40Toen Eric Harris (18) en Dylan Klebold (17) vorig jaar aan de Amerikaanse Columbine Highschool in Littleton twaalf medescholieren en een docent doodschoten en vervolgens zelfmoord pleegden, trokken verschillende christelijke...
Nieuwe Media: De internetgeneratie
Het denken in generaties is in de sociologie een geliefd tijdverdrijf. Ook historici hechten grote waarde aan het generatiemodel. Na de protestgeneratie, de generatie X, Nix en de patatgeneratie is er een nieuw fenomeen: de internetgeneratie. Je houdt van ze of je haat ze, een tussenweg is er niet: Wipneus en Pim, twee van de...
Stille getuigen: De held van Durazzo
De geschiedenis laat haar sporen achter. Monumenten, voorwerpen en graven herinneren aan bijna vergeten personen. Hun verhaal wordt hier verteld. Deze keer het borstbeeld van nationale held Lodewijk Thomson op de Zuiderbegraafplaats in Groningen. Het donderde en bliksemde boven Groningen op 15 juli 1914. ‘Loodzwart wordt de lucht: de duisternis wordt aldoor grooter, ’t is...
De vooruitgang: Massaal Nederlands verzet tegen Napoleon
Er zijn proefschriften, lezingen of artikelen die ons beeld van het verleden ingrijpend veranderen. Deze keer het proefschrift van Johan Joor, die bestrijdt dat de Nederlanders zich gelaten neerlegden bij de Napoleontische overheersing. ‘We gingen er altijd van uit dat Nederland tijdens de Napoleontische bezetting een rustige en zelfs saaie tijd doormaakte. Maar het blijkt...
Beeldgeheim
Een onbekende foto. Is het verhaal erachter te vertellen? Deze keer een poging van Manuela Kemp, RTL4-presentatrice van De heren van Amstel live en Cisca Dresselhuys, hoofdredactrice van Opzij. ‘Het is een herfstige, grijze dag in de jaren twintig van de vorige eeuw, ergens in Noord-Holland’, vermoedt Manuela Kemp. ‘De twee vrouwen – de rechter...
Spielberg
De filmproducent zegt: ‘Ik voel mij verwant met alle overlevenden’. Sterker nog: ‘Ik voel mij verbonden met het concept van de holocaustoverlevende, al heb ik er relatief weinig ontmoet.’ De filmproducent vertelt over een op video opgenomen relaas van een Poolse oud- kampbewoonster. Hij verstond er geen woord van, maar was geroerd door de kracht...
Macht
Stel, men behoort tot de machtigste historici van Nederland. Neen, gemeten naar verdeel en heersposities, variërend van het voorzitterschap van het Stimuleringsfonds Culturele Omroepproducties tot de adviesraad van het W.F. Hermans Instituut tot het comité van aanbeveling inzake de St. Nicolaas-optocht in Amsterdam, is men de machtigste historicus van Nederland. En stel, men heeft één...
