Home Brieven

Brieven

  • Gepubliceerd op: 20 nov 2000
  • Update 07 apr 2020

Bij historisch belangrijke onderwerpen is een verantwoorde historische reconstructie van belang. Maar als iemand zich dan zet aan zo’n reconstructie is het verstandig de direct betrokkenen te benaderen – al is het maar om onvermijdelijke onjuistheden op te sporen – en om een studie te doen naar over dit onderwerp gepubliceerde artikelen. Beide heeft de heer Houwink Ten Cate niet gedaan in zijn artikel ‘De bank, de verzekering en de beurs versus joodse organisaties: reconstructie van de onderhandelingen’ (Historisch Nieuwsblad 2000/7); de sleutelfiguren bij de onderhandelingen zijn niet door hem benaderd en kennelijk heeft hij ook geen kennis genomen van het door mij geschreven artikel over dit onderwerp in Bank- en Effectenbedrijf van juli/augustus j.l.

De belangrijkste onjuistheden voor de onderdelen waarbij ik direct betrokken was, wil ik gaarne hieronder vermelden. Ik volg daarbij de volgorde van het artikel in uw blad.

Wat de medewerking van de banken aan het door PricewaterhouseCoopers verrichte onderzoek betreft is de werkelijkheid veel beter dan het geschetste beeld. Het artikel vermeldt: ‘Aanvankelijk reageerden niet meer dan 39 van de 118 aangeschreven banken. Van de 63 in de oorlog actieve banken hebben uiteindelijk 33 banken antwoord gegeven en 30 niet’
Uit het rapport van PricewaterhouseCoopers blijkt het volgende. De questionaire is verstuurd aan alle 116 leden van de Nederlandse Vereniging van Banken. Vanwege concernrelaties zaten daar een aantal dubbeltellingen in zodat sprake was van een totale populatie van 106 banken. Van deze 106 banken hebben 96 een questionaire ingevuld en retourgezonden. Alle 10 niet terugontvangen questionaires betreffen banken die na de oorlog zijn opgericht. Er is dus sprake van 100%-response!

Onjuist is verder dat na het gereed komen van de onderzoeksrapporten, zoals in het artikel wordt gemeld, de verwachtingen van beide partijen sterk uiteenliepen en dat op dat moment door de joodse organisaties bedragen van zeer vele honderden miljoenen werden genoemd. Mede op basis van het rapport van PricewaterhouseCoopers concludeerden het CJO en de banken gezamenlijk dat de financiële implicaties van de tussen hen besproken onderwerpen in guldens van 2000 uitkwamen op een bedrag tussen de 29 miljoen en ruim 38 miljoen gulden. Partijen kwamen daarop overeen dit bedrag met een ruime marge te verhogen tot in totaal 50 miljoen. Dat was de omvang van de eind april tussen CJO en banken bereikte overeenkomst. CJO wenste met het tekenen van deze overeenkomst te wachten totdat ook met de beurs overeenstemming zou zijn bereikt (waarvoor toen de onderhandelingen werden gestart).

Dat de banken 50 miljoen gulden boden voor de achtergebleven joodse tegoeden nádat het CJO aan banken en beurs 505 miljoen had gevraagd, is eveneens onjuist. Zoals gezegd was er eind april overeenstemming over deze 50 miljoen en startten daarna de gesprekken over het effectenrechtsherstel, waar door het CJO op een later moment een rapport van Paardekooper & Hoffman werd ingebracht. Dit rapport kwam op basis van een aantal (naar later bleek deels onjuiste) veronderstellingen uit op de genoemde 505 miljoen gulden als huidige waarde van het manco in het effectenrechtsherstel.
        Nadat dit bedrag op tafel was gekomen en partijen ver uiteen bleken te liggen deden de banken een (afgewezen) aanbod om te komen tot een onafhankelijk bindend advies.

Een volgende historische onjuistheid is dat niet de beurs wilde dat het CJO zou aankloppen bij de leden van de vroegere Vereniging voor de Effectenhandel (onder wie de grootbanken), maar dat het CJO uitdrukkelijk mede de banken aan tafel wilde hebben en dat was ook dé reden om de eerder genoemde april-overeenkomst nog niet te tekenen.
Dan de veelbesproken ‘chantage’-uitlating van mijzelf. In uw artikel wordt deze chronologisch in het midden van de onderhandelingen geplaatst en met name vóór de banken het aanbod deden een onafhankelijk bindend advies te vragen. Dat is niet juist. Wanneer heb ik wat over ‘chantage’ gezegd? Dat is slechts één keer gebeurd en wel na het tot stand komen van de overeenkomst in de nacht van 15 op 16 juni. Toen gaven alle aanwezigen een gezamenlijke geïmproviseerde persconferentie. Op een directe vraag bij een draaiende camera (‘Mijnheer Blocks, heeft u zich in de loop van deze onderhandelingen wel eens gechanteerd gevoeld?’) antwoordde ik, na een korte stilte: ‘Ja’. Onmiddellijk daarna heb ik dit antwoord op verzoek voor Radio 1 toegelicht: Ja, ik had mij wel eens gechanteerd gevoeld, maar terugkijkend op het gehele proces was ik achteraf tot de conclusie gekomen dat er per saldo van chantage geen sprake was, wel van forse (internationale) druk. Zo luidde mijn reactie.

Graag licht ik nog de totstandkoming van het uiteindelijke bedrag nader toe. De banken en de beurs waren van mening, dat ook zonder beursstaking een (kleiner) tekort bij het effectenrechtsherstel onvermijdelijk zou zijn geweest en dat een deel van dit resterende tekort toe te rekenen was aan thans niet meer bestaande effecteninstellingen. Verder hadden de banken op de beurs een veel kleiner marktaandeel dan thans. Daarom wilden de banken slechts een deel van dit tekort vergoeden. Omdat alle partijen een definitieve oplossing wensten stemden banken en beurs samen op 15 juni in met vergoeding van het gehele tekort (dus ook van het aandeel van thans niet meer bestaande partijen).

Voorts zijn de in het artikel genoemde veronderstellingen over de verdeling van dit bedrag onder de betrokken partijen niet juist. Bij de verdeling hebben de volgende factoren meegewogen: de marktaandelen op de beurs ten tijde van het effectenrechtsherstel, de huidige marktaandelen en de belangen in de VS.

Door de vergoeding van het volledige tekort van het naoorlogse rechtsherstel, door de medeondertekening door het Platform Israël en door de uitdrukkelijke instemming van het Joods Wereld Congres hebben de joodse partijen, de banken en de beurs bereikt dat deze overeenkomst een wereldwijde werking heeft en, wat het voornaamste is, dat het rechtsherstel nu tenslotte definitief en volledig is. In financiële zin is een boek gesloten, in emotionele zin zal dat voor velen helaas nimmer het geval zijn.

Hein G.M. Blocks
Directeur Nederlandse Vereniging van Banken


Dit artikel is exclusief voor abonnees

Begrijp het heden, begin bij het verleden: met HN Actueel lees je historische achtergronden bij het nieuws van nu. Lees de eerste maand met korting voor €1,99

Nieuwste berichten

Eduard von der Heydt
Eduard von der Heydt
Artikel

De Oranjes logeerden bij een nazi-bankier in Zwitserland

Willem-Alexander en Maxima overnachtten deze week bij Donald Trump. De Oranjes hadden wel vaker omstreden logeerpartijen. Zo verbleven koningin Wilhelmina, prinses Juliana en prins Bernhard graag op een Zwitsers landgoed van Eduard von der Heydt. Hij had een voormalige hippieoord omgebouwd tot een bankkantoor voor de nazi’s.  Als de Duitser Eduard von der Heydt in...

Lees meer
Anne Frank
Anne Frank
Nieuws

Vermoedelijke identiteit ontdekt van tipgever die Joodse notaris onterecht beschuldigde van ‘verraad van Anne Frank’ 

Annes vader Otto Frank ontving in 1957 een anoniem briefje waarop stond dat de onderduikers in het Achterhuis waren verraden door de Joodse notaris Arnold van den Bergh. Op basis van dit briefje herhaalde een Nederlands-Amerikaans ‘Cold Case Team’ in 2022 deze beschuldiging, die echter door historici als ongeloofwaardig en lasterlijk werd verworpen. Wie het...

Lees meer
Pen briefje
Pen briefje
Artikel

Wie schreef het briefje aan Otto Frank?

Eindelijk zou de verrader van Anne Frank gevonden zijn: de Joodse notaris Arnold van den Bergh. Een Nederlands-Amerikaans ‘Cold Case Team’ beweerde dat tenminste in 2022 en een Canadese bestsellerauteur schreef er een boek over. Maar deskundigen zagen onmiddellijk dat het bewijs flinterdun was. Er was alleen een anoniem briefje, rond 1957 aan Annes vader...

Lees meer
Donald Trump doet alsof hij iemand neerschiet tijdens een toespraak in het Witte Huis
Donald Trump doet alsof hij iemand neerschiet tijdens een toespraak in het Witte Huis
Artikel

Moet Trump vrezen voor Artikel 25? Amerikanen roepen om deze lastige afzettingsprocedure uit 1967

Na Trumps dreigementen dat hij ‘een hele beschaving’ zou uitroeien, gingen er zowel links als rechts stemmen op om hem uit zijn ambt te ontzetten met Artikel 25. In 1967 bedachten de VS deze grondwetswijziging om een president af te zetten die door ziekte of geestelijke aftakeling niet meer in staat is zijn ambt te...

Lees meer
Loginmenu afsluiten