In 1979 gooiden de Iraniërs de door Amerika geïnstalleerde sjah eruit. Pogingen om de relatie met het nieuwe islamitische regime te normaliseren liepen meteen schipbreuk, toen radicale studenten Amerikaans ambassadepersoneel gijzelden. De crisis hield Amerika 444 dagen in de ban en kostte president Carter zijn herverkiezing. Sindsdien is het niet meer goed gekomen.
President Jimmy Carter was een man met een groot hart. Toen hij in oktober 1979 hoorde dat de net tevoren tijdens de Iraanse revolutie verjaagde sjah voor een medische behandeling hulp zocht in de Verenigde Staten, zat hij met een dilemma. Het menslievende deel van hem wilde de sjah die behandeling niet onthouden, het politiek realistische deel wist dat hij met vuur speelde. Het typeerde de aarzelende president.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Carters entourage was eveneens verdeeld. Zijn veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski en oud-minister Henry Kissinger raadden de president aan om de sjah toe te laten: hem weigeren zou een demoraliserend signaal zijn aan andere bondgenoten – lees: dictators die misschien ooit het veld zouden moeten ruimen. Carters minister van Buitenlandse Zaken Cyrus Vance daarentegen waarschuwde dat hulp voor de sjah de gemoederen in Teheran zou verhitten en Amerikanen in het land, inclusief het ambassadepersoneel, in gevaar zou brengen.
Carter koos voor menslievendheid. Op 22 oktober 1979 kwam de sjah aan in New York voor wat werd omschreven als een ‘levensreddende’ operatie. Hij bleef langer dan verwacht en de fantasienaam die voor zijn ziekenhuisopname werd gebruikt, hield niemand voor de gek. Het zou desastreus uitpakken voor de arme Jimmy Carter.
Verzet tegen de sjah
De sjah – voluit Mohammad Reza Pahlavi – was in 1953 door de Amerikanen als leider van Iran geïnstalleerd, nadat de democratisch gekozen regering van Mohammad Mosaddeq omver was geworpen. In de loop van de jaren zeventig was de sjah, die zijn land met harde hand en zonder veel respect voor tradities en geloof had gemoderniseerd, de trouwste Amerikaanse en Israëlische bondgenoot in het Midden-Oosten geworden. President Nixon, toen al op zoek naar minder commitment van Amerika in de regio, zag Iran als een regionale supermacht die namens de Verenigde Staten de regio onder controle kon houden. Dat wilde zeggen: de Sovjet-Unie buiten de deur houden en de olietoevoer beschermen. In pure machtstermen was dat niet zo gek gedacht, maar in termen van wat de bevolking van Iran wilde, bleek het luchtfietserij.
In de loop van de jaren zeventig nam het verzet tegen de sjah toe. De bevolking had eind 1978 de buik vol van het machtsmisbruik, de schendingen van de mensenrechten en de brute onderdrukking van elke oppositie door de sjah en de SAVAK, zijn geheime politie. De oppositie had een brede coalitie gevormd van linkse politici, nationalisten en islamisten, verenigd in hun haat tegen de monarchie – en ook tegen zijn beschermheer, de Verenigde Staten. De spirituele leider van die coalitie werd ayatollah Ruhollah Khomeini, die eerst in ballingschap zat in Turkije en later in Frankrijk.

Het regime van de sjah bleek verrassend zwak toen de druk toenam, met stakingen, straatprotesten en militairen die niet eindeloos wilden blijven schieten op eigen burgers. Op 16 januari 1979 had de sjah Iran verlaten voor ‘een vakantie’. Hopend dat de situatie in Teheran nog zou veranderen, kwam de weifelende sjah na tussenstops bij collega-dictators in Egypte en Marokko eind maart terecht op de Bahama’s. In oktober arriveerde hij in Mexico, lijdend aan een niet gediagnostiseerde ziekte die al snel darmkanker bleek te zijn. Machtige en rijke vrienden, van Henry Kissinger tot David Rockefeller, lobbyden voor zijn toelating tot de VS voor medische zorg.
In Iran was de islamitische revolutie inmiddels uitgekristalliseerd. Op 1 februari was ayatollah Khomeini geland in Teheran en in april was de Islamitische Republiek Iran uitgeroepen. Amerika werd getooid met de titel ‘Grote Satan’ en ook de andere steunpilaar van de sjah, Israël, werd bestempeld als een doodsvijand. Gegeven de voorgeschiedenis niet zulke gekke kwalificaties. Maar op de achtergrond werden pogingen ondernomen, van beide kanten, om de relatie tussen het nieuwe Iran en de VS te stabiliseren. Daarbij moesten de gematigden binnen het revolutionaire bewind op eieren lopen om de radicale islamisten niet tegen de haren in te strijken.
In dit Teheran van na de revolutie viel het toelaten van de sjah in Amerika uiteraard in slechte aarde. Het Khomeini-regime was nog zwak genoeg om bang te zijn voor een nieuwe coup en een restauratie van de monarchie, zoals in 1953. Toen Amerikaanse diplomaten in Teheran bericht kregen dat de sjah tot hun land was toegelaten, waren ze stomverbaasd. Ze hadden iets anders geadviseerd en niet verwacht dat, in de woorden van een van hen, iemand ‘dom genoeg’ zou zijn om de sjah medisch asiel te verlenen.
Symbool van Amerikaans imperialisme
Op 4 november, niet toevallig één jaar nadat de SAVAK studenten op de universiteit van Teheran had doodgeschoten, namen studenten het initiatief om de Amerikaanse ambassade te bezetten en het personeel in gijzeling te nemen. Ongelukkig genoeg kwam dit de hardliners rond Khomeini goed uit. De studenten dachten dat de regering hen wel zou wegsturen, maar een dag later schaarde Khomeini zich achter de bezetting. De gematigde premier Mehdi Bazargan, die probeerde de relatie met Washington te normaliseren, had het nakijken en nam een paar dagen later ontslag.
Er was geen beter symbool van het Amerikaanse imperialisme dan de omvangrijke ambassade in Teheran. De bezetters zeiden documenten te hebben gevonden die geheime CIA-operaties onthulden. Ze putten zich uit in het aan elkaar plakken van papieren die de Amerikanen door de shredder hadden gehaald toen de situatie kritiek werd.

In het gebouw gijzelden de studenten 66 Amerikanen. Zij vormden een breed gezelschap van diplomaten, militaire attachés, administratieve medewerkers en een paar mariniers. Ze werden heel verschillend behandeld, niemand echt goed. Sommige gijzelaars werden onderworpen aan gespeelde executies. Sommigen werden rond geparadeerd, geboeid en geblinddoekt, om de vernedering van de Grote Satan te vervolmaken. In november lieten de studenten dertien vrouwen en Afrikaans-Amerikanen vrij ‘uit solidariteit met onderdrukte groepen’. In juli 1980 mocht nog een gijzelaar gaan op medische gronden. De overige 52 hadden minder geluk.
In de Verenigde Staten, waar het brede publiek geen idee had (en nog steeds niet heeft) van de lange en onaangename historische relatie tussen Amerika en Iran, kwam de gijzeling hard aan. Nieuwslezer en geweten van de natie Walter Cronkite, die zijn CBS-avondnieuws altijd beëindigde met ‘and that’s the way it is’, voegde er vanaf 16 januari 1980 – dag vijftig – steeds aan toe: ‘dit is de [zoveelste} dag van de hostage crisis’. Hij hield het vol tot dag 444. ABC, een van de andere twee grote netwerken in die tijd, zond een dagelijks avondprogramma van een halfuur met Ted Koppel uit, toepasselijk getiteld America Held Hostage. Overal in het land verschenen ‘yellow ribbons’ rond lantaarnpalen, hekken, op revers.
President Carter, toch al gestraft voor zijn medemenselijkheid, kreeg links en rechts om de oren voor zijn passiviteit. Zijn eerste reactie was adequaat: hij bevroor Iraanse tegoeden bij Amerikaanse banken en brak alle diplomatieke betrekkingen af. Hij probeerde onderhandelingen op gang te krijgen, met Algerije als bemiddelaar. Het leverde allemaal weinig op. De regering-Khomeini was een revolutionair regime dat zich weinig gelegen liet liggen aan dit soort processen, overigens met het niet onredelijke argument dat het land onder de sjah 25 jaar lang was behandeld als een voetveeg van de Grote Satan.

Toen de Sovjet-Unie eind december 1979 Afghanistan binnenviel en bezette, kon Carter helemaal weinig goeds meer doen. De president sprak zich luid uit tegen het Sovjet-optreden. Hij toonde zich opeens ongewoon Koude Oorlog-assertief, claimend dat hij zich had laten misleiden maar dat hij nu het licht had gezien – niet het sterkst mogelijke campagnethema voor de aanstaande verkiezingen. In februari 1980 liet veiligheidsadviseur Brzezinski zich fotograferen op de Khyberpas tussen Afghanistan en Pakistan, zwaaiend met een automatisch geweer.
Carter verklaarde in zijn State of the Union dat iedere poging door een andere mogendheid om de Perzische Golf te controleren zou worden beschouwd als een aanval op Amerikaanse vitale belangen, die met alle middelen zou worden tegengegaan: de Carter-doctrine. Hij kondigde een graanembargo aan tegen de Sovjet-Unie, tot woede van Amerikaanse boeren, en een boycot van de Olympische Spelen die in de zomer van 1980 in Moskou gehouden zouden worden, tot woede van sportlievende Amerikanen. De onderhandelingen over het Salt II-ontwapeningsverdrag werden afgebroken.
Kortom, er was sprake van een opeenstapeling van buitenlandse ontwikkelingen die met elkaar gemeen hadden dat ze de Amerikaanse zwakte toonden en Carter te kijk zetten. Een invloedrijke groep neo-conservatieven had zich in de loop van Carters presidentschap toch al gekeerd tegen alle vormen van accommodatie met de Sovjet-Unie. In het post-Vietnamtijdperk lag alles even gevoelig. Ondertussen groeide in Amerika de woede. Geen enkele president had het goed kunnen doen, maar omdat Carter nou eenmaal een Democraat was zagen Republikeinse conservatieven, Ronald Reagan voorop, hun kans schoon.
Mislukte bevrijdingsoperatie
Uiteraard bedacht de Amerikaanse regering allerlei scenario’s om de gijzelaars te bevrijden. Opnieuw zat president Carter klem tussen tegenstrijdige adviezen. Mensen als Brzezinski wilden actie, terwijl Cyrus Vance opnieuw tegen was. Vance verloor het pleit, en zo kwam het in april 1980 het tot een militaire missie om de gijzelaars te bevrijden: Operation Eagle Claw.
Zeker achteraf gezien was het plan al bij voorbaat gedoemd te bezwijken onder zijn complexiteit. Special forces die waren gelegerd op een Omaans eiland, werden met transportvliegtuigen overgebracht naar een ‘staging area’ in de woestijn van Iran, Desert One gedoopt. Hier zouden helikopters klaarstaan die waren ingevlogen vanaf het vliegdekschip USS Nimitz in de Golf van Oman. De helikopters moesten de special forces naar een ander tussenstation brengen (Desert Two) en van daar zouden zij met door de CIA geregelde vrachtauto’s Teheran binnenrijden en de ambassade bestormen.
Al voordat Desert One was bereikt kwamen drie van de acht helikopters die de operatie moesten uitvoeren in de problemen, deels omdat ze niet waren opgewassen tegen het woestijnzand (de toestellen waren ontwikkeld voor de Vietnamoorlog). Omdat de commandant te weinig helikopters over had, raadde hij de president aan de hele operatie af te blazen. Dat deed Carter. Maar zo eenvoudig zou het niet zijn. Tijdens het terugtrekken uit Desert One raakte een helikopter een van de transportvliegtuigen op de grond. De explosie en brand die volgden kostten acht militairen het leven. Het uitgebrande wrak en de verkoolde lichamen, om niet te spreken over de achtergelaten geheime documenten, waren koren op de molen van de Iraanse propaganda.

Niet alleen was het mislukken van Eagle Claw een blamage, zeker in de naweeën van Vietnam, het legde ook de verschillen van mening bloot binnen de regering-Carter. Minister Vance, die tegen de bevrijdingsactie was geweest, had van tevoren zijn ontslag ingediend. Brzezinski, wiens advies zulke desastreuze gevolgen had, bleef.
Steun aan Sadam Hoessein
Voor de herverkiezingscampagne van Jimmy Carter was het gijzelaarsdrama een ramp. Amerikaanse onmacht was een terugkerend thema en kleefde Carter aan. De president had al besloten om zijn campagne-activiteiten op een laag pitje te zetten, zodat we nu spreken van de ‘Rose Garden campaign’: Carter reisde niet door het land, maar probeerde het volk toe te spreken vanuit de tuin van het Witte Huis.
Op de achtergrond werd er hevig onderhandeld om de gijzelaars vrij te krijgen. Commentatoren speculeerden over een mogelijke ‘oktoberverrassing’ als de gijzelaars vlak voor de verkiezingen van 4 november zouden vrijkomen. In dezelfde context deed het gerucht de ronde dat de campagnestrategen van Ronald Reagan in het geheim onderhandelden met Iran om de gijzelaarscrisis te rekken. Er is nooit bewijs voor gevonden. Wel liet Reagan geen mogelijkheid onbenut om de zwakke positie van Amerika als wereldmacht in het post-Vietnam-tijdperk te onderstrepen.
De gijzelaarscrisis kostte Carter zijn herverkiezing, al waren er talloze andere factoren die daaraan bijdroegen: Afghanistan, de tweede oliecrisis, inflatie en de economische recessie. Carter besteedde de laatste weken van zijn presidentschap aan onderhandelingen, met Algerijnse tussenpersonen, om de gijzelaars alsnog onder zijn bewind vrij te krijgen. Het Iraanse regime was wreed genoeg om ermee te wachten tot 20 januari 1981, de dag waarop Reagan werd geïnaugureerd. Precies om twaalf uur ’s middag, toen Reagan de eed aflegde, verliet het vliegtuig met de gijzelaars het Iraanse luchtruim. Het vloog naar de Amerikaanse basis in Wiesbaden, waar Carter aanwezig was om hen te ontvangen.
De gijzelingscrisis liet diepe wonden achter en niet enkel bij de arme Jimmy Carter. De hele jaren tachtig bleef het Midden-Oosten een rol spelen in de Amerikaanse politiek. Washington schaarde zich aan de kant van de Irakese dictator Saddam Hoessein, die in september 1980 een roekeloze en bloedige oorlog tegen Iran was begonnen. De Amerikaanse steun aan Saddam speelde in Iran de hardliners in de kaart. Zij namen wraak via hun bondgenoot Hezbollah in Libanon, die in 1983 een aanslag pleegde waarbij meer dan tweehonderd Amerikaanse soldaten omkwamen.
De huidige oorlog in Iran is eigenlijk al gaande sinds 1979, misschien zelfs al sinds 1953. Weinig Amerikanen kennen het hele verhaal van Amerika’s relatie met de grootste regionale macht in het Midden-Oosten, een verhaal dat met de hostage crisis een dramatisch dieptepunt kende.
Meer weten:
- Guests of the Ayatollah (2006) door Mark Bowden bevat het definitieve verhaal van de gijzeling met getuigenissen van beide kanten.
- All Fall Down: America’s Tragic Encounter with Iran (1985) door Gary Slick is het best geïnformeerde boek over Iran in deze eerste jaren van de Islamitische Republiek en de VS.
- The Destined Hour (1982) door Barry en Barbara Rosen is het verhaal van een van de gegijzelden en zijn echtgenote.
