Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 7/2002

De Colombiaanse geschiedenis is getekend door geweld

Moordaanslagen, Burgeroorlog en guerrilla

Door: Nico Verbeek
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
In de jaren zestig kregen politieke bewegingen in Colombia geen echte kans, waardoor velen het gewapende verzet van de guerrillagroepen gingen beschouwen als enig politiek alternatief. Nu is de guerrilla een van de grootste bedreigingen van de Colombiaanse democratie.

Op 7 augustus jongstleden is Alvaro Uribe, dissident van de Liberale Partij, in het Congres beëdigd als president van Colombia. Op hetzelfde moment werd de gevel van het presidentiële paleis getroffen door een mortiergranaat. Zo heette de Colombiaanse guerrilla de nieuwe president welkom. Nog geen week aan de macht riep president Uribe de noodtoestand uit. Een grote meerderheid van de bevolking – zelfs linkse journalisten en politici - beschouwt deze maatregel als onvermijdelijk. Met de dreiging van het terrorisme lijkt een versterking van de autoriteit van de Staat de enige manier om de broze Colombiaanse democratie van de ondergang te redden. Die wordt al bijna twee eeuwen geteisterd door geweld.

Net als de rest van Zuid-Amerika, met uitzondering van Brazilië, is Colombia tot aan het begin van de negentiende eeuw een Spaanse kolonie. Dan worden de meeste landen in de regio bevrijd, met name dankzij Simon Bolívar, El Libertador. Zijn militaire campagnes leiden tot de onafhankelijkheid van Venezuela, Colombia, Ecuador, Peru en Bolivia, het land dat naar Bolivar is vernoemd. In Colombia, dat in 1810 de onafhankelijkheid uitroept, wordt Bolívar beschouwd als de onbetwiste `vader des vaderlands', en tot op de dag van vandaag claimen politieke bewegingen van zowel links als rechts zijn erfenis. President Uribe memoreerde Bolívar in zijn inhuldigingtoespraak op 7 augustus als verdediger van de autoriteit van de Staat en de vrijheid van de burger, terwijl guerrillabewegingen hem beschouwen als Colombia's belangrijkste patriot.
        Na de opstand tegen de Spanjaarden wordt Colombia verscheurd door de strijd tussen twee politieke partijen, ontstaan uit facties die voor de onafhankelijkheid hebben gestreden: de Conservatieve en de Liberale Partij. Regelmatig ontaardt de politieke strijd in een openlijke burgeroorlog. Dat gebeurt tijdens de Oorlog van de Duizend Dagen (1899-1902), de meest vernietigende en bloedige oorlog die er tot dat moment is uitgevochten op het Amerikaanse continent. Naar schatting honderdduizend mensen komen om het leven, op een bevolking van rond de vier miljoen. De Liberale en de Conservatieve Partij sluiten uiteindelijk vrede. De liberalen accepteren van de conservatieve regering kruimels in de politieke macht, zoals een of twee ministersposten en een gegarandeerde quota in het Congres. Een aantal liberale rebellen vecht echter door.

Ordinaire bandieten
In de eerste helft van de twintigste eeuw domineert de Conservatieve Partij de politiek. Met uitzondering van de periode 1934-1938, waarin de liberale president López Pumerejo een aantal sociale hervormingen weet door te voeren, heeft Colombia tot 1948 een conservatieve regering. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog is er in het land, ondanks het beleid van president López, nog weinig veranderd in vergelijking met de situatie rond 1900. De maatschappij houdt haar scheve sociale structuur; bijna drievierde van de bevolking bestaat uit boeren, van wie de helft ongeletterd is. Een elite van drie procent is eigenaar van de helft van de landbouwgrond. Het Colombiaanse politieke systeem is dé manier om oude grieven door te geven van vader op zoon op kleinzoon. De partijen zijn in feite `twee erfelijke bronnen van haat', zoals sommigen later zeggen. Alle jarenlang opgekropte haat culmineert ten slotte in de Violencia (1946-1966), waarbij naar schatting 300.000 Colombianen het leven verliezen, veelal op bijzonder onaangename wijze.
        Aanleiding voor de burgeroorlog is de nooit opgeloste moordaanslag – nog zo'n Colombiaanse traditie – op Jorge Eliécer Gaitán, een linkse dissident uit de Liberale Partij en een typische vertegenwoordiger van het Latijns-Amerikaanse populisme, die beschikt over brede steun onder de arme bevolking. Na zijn gewelddadige dood op 9 april 1948 verandert de hoofdstad Bogota in een compleet slagveld: kerken, trams en publieke gebouwen worden in brand gestoken, gevangenissen bestormd en winkels geplunderd. Honderden mensen komen om het leven en de oude binnenstad wordt zo goed als vernield. Het oproer verspreidt zich over het gehele land, en overal staan liberalen en conservatieven elkaar naar het leven.
        De burgeroorlog ontaardt in anarchie en de totale ontwrichting van het sociale leven op het platteland. De traditionele politici blijken niet in staat het geweld, dat ze zelf hebben ontketend, een halt toe te roepen. Het leger, steeds een belangrijke machtsfactor op de achtergrond, grijpt uiteindelijk in. Op 13 juni 1953 neemt de commandant van de strijdkrachten, generaal Gustavo Rojas Pinilla, de macht over en merkwaardig genoeg wordt de regeringswissel met groot enthousiasme begroet. Sterker nog: de militaire coup van Rojas is een van de meest pacifistische en gevierde regeringswissels uit de Colombiaanse geschiedenis. De nieuwe regering belooft amnestie voor politiek gevangenen en guerrillastrijders en herstel van de persvrijheid.
        Net als in de Oorlog van de Duizend Dagen heeft de officiële Liberale Partij, met name de economische elite, tijdens de Violencia al snel over vrede onderhandeld met de conservatieven. Maar ook nu accepteren de rebellen de voorwaarden van de regering niet en strijden door zonder hun liberale beschermheren. Ze doorlopen hetzelfde traject. Van gewaardeerde liberale revolutionairen worden ze guerrillastrijders, en als ze weigeren de wapens neer te leggen onder een afgekondigde amnestiewet, vallen ze automatisch in de categorie `ordinaire bandieten'.
        Aanvankelijk lijkt Rojas te slagen in zijn vredesmissie. Hij opent onderhandelingen met de liberale guerrilla, terwijl de onttroonde president Laureano Gómez in ballingschap vertrekt naar het Spanje van zijn bondgenoot Franco. De partijkleuren blauw en rood, symbool van de partijhaat, worden vervangen door de nationale driekleur (geel, blauw en rood). Rojas' belangrijkste succes is het ontwapenen van een groot deel van de liberale guerrillastrijders. Boven de gebieden waar de guerrilla actief is verschijnen vliegtuigen en helikopters die vlugschriften verspreiden met vredesboodschappen en garanties aan diegenen die de wapens willen neerleggen. De guerrilla in de Oostelijke Laagvlakten kiest inderdaad voor amnestie onder de nieuwe wet.

Het militair regime is echter niet geïnteresseerd in een verzoening met de meest radicale, communistisch georiënteerde guerrillastrijders, die vooral sterk zijn vertegenwoordigd in de omgeving van Sumapaz, een bergachtige streek ten zuiden van Bogota. Omdat Rojas er uiteindelijk niet in slaagt een definitief einde te maken aan het geweld, brokkelt steun onder de bevolking af. Vanaf 1955 verscherpt de dictatuur zich en wordt de kritische pers aan banden gelegd. De liberale leider Alberto Lleras Camargo zoekt Gómez op in diens ballingsoord in Benidorm, waar ze tot een akkoord komen. De twee traditionele partijen besluiten samen te werken om de dictatuur omver te werpen en de heroverde macht onderling te delen.
        Zo heeft Rojas de liberale en conservatieve elites indirect een grote dienst bewezen. De nieuwe coalitie tussen de twee voormalige aartsvijanden heeft als naam het `Nationaal Front'. De partijen maken afspraken over de verdeling van de macht: zestien jaar lang zullen ze alle belangrijke bestuursposten vreedzaam volgens het fifty-fifty-principe verdelen. Ook in de uitoefening van het presidentschap zullen de twee partijen elkaar elke vier jaar afwisselen. Hoewel het Nationaal Front een einde maakt aan de (openlijke) burgeroorlog, vormt het monsterverbond de basis voor het corrupte, cliëntelistische, slechts in naam democratische politieke systeem, waar Colombia nog steeds mee zit. Politieke bewegingen buiten de Grote Twee krijgen lange tijd geen echte kans, waardoor velen het gewapende verzet van de linkse guerrillagroepen gaan beschouwen als enig politiek alternatief.

Afpersing
Geïnspireerd door de Cubaanse revolutie, die in 1959 Fidel Castro aan de macht brengt, verschijnen in de jaren zestig in heel Zuid-Amerika gewapende revolutionaire bewegingen en zogenoemde `volkslegers'. Allemaal behoren ze inmiddels tot het verleden, met de opmerkelijke uitzondering van de guerrillagroeperingen in Colombia. De twee grootste subversieve milities, FARC (Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia) en ELN (Nationaal Bevrijdingsleger) bestaan al bijna veertig jaar en hebben op dit moment meer militanten onder de wapenen dan ooit tevoren.
        De geschiedenis van het ELN begint met het bezoek van een groep studenten aan Cuba op het hoogtepunt van de rakettencrisis in 1962. Hier krijgen ze ideologische en militaire scholing. Terug in Colombia proberen ze Che Guevara's theorie van de guerrilla-enclave in praktijk te brengen: volgens hem is het niet noodzakelijk om met de revolutie te wachten tot voldaan is aan alle voorwaarden van een revolutionaire situatie; die kunnen in dergelijke enclaves worden gecreëerd. Op de universiteiten is een generatie studenten gevormd die bereid blijkt op het platteland van Colombia de ideologie om te zetten in revolutionaire praktijk. Het ELN wordt officieel opgericht in 1964 en vestigt zich in de vallei van Magdalena Medio, vooral rond de olievelden van Barrancabermeja in het departement van Santander, een zone met een lange geschiedenis van volksagitatie en kolonisatie. In die eerste fase overleeft de groep door de inkomsten uit de afpersing van boeren en oliemaatschappijen.

In tegenstelling tot het ELN heeft het FARC zijn bestaan niet te danken aan de Cubaanse revolutie. De beweging heeft haar wortels direct in de Violencia en de boerenstrijd, en komt op zonder intellectuele of universitaire tussenkomst, hoewel ze vanaf het begin verbonden is aan de (ondergrondse) Communistische Partij. Het FARC ontstaat op het platteland uit organisaties van autodefensa (zelfverdediging). De boerenliga's, groepen landloze pachters uit de jaren twintig en dertig, beschikten over wapens om zichzelf te verdedigen en publiek land en illegaal grootgrondbezit te bezetten tegen de grootgrondbezitters, Het offensief van generaal Rojas in 1955 tegen de guerrillagroepen in Sumapaz veroorzaakt een massale exodus van de boeren uit het gebied. De boerenmarsen eindigen ergens op de uitgestrekte Oostelijke Laagvlakten, waar het regenwoud wordt gekapt en de boeren de agrarische grens in zuidelijke richting opschuiven.
        De guerrillastrijders uit Sumapaz hergroeperen zich in het gebied Marquetalia. De enclaves van guerrillastrijders en links georiënteerde boeren worden door de regering in Bogota beschouwd als de laatste bastions bandieten uit de Violencia, in dienst van het internationaal communisme. In opdracht van president Guillermo Leon Valencia lanceert het leger in 1964 een grootscheepse aanval op Marquetalia. Een voor een gaan de `republieken' ten onder, maar de brandhaarden van het verzet worden weer niet definitief vernietigd, omdat de rebellen zich elders opnieuw hergroeperen.
        De actie van het leger is onbedoeld de aanleiding tot de vorming van het FARC. Op 20 juli 1964 richten guerrillastrijders die de Slag om Marquetalia hebben overleefd het Zuidelijk Front op. Twee jaar later wordt de naam officieel veranderd in FARC. De beweging toont zich in organisatie, discipline en netwerken superieur aan alle eerdere groepen guerrillastrijders. De boeren die weer **zijn gevlucht voor de militaire acties, proberen als kolonisten een nieuw bestaan op te bouwen in de regenwouden van Guaviare en Caqueta. Aanvankelijk is de schrale pionierslandbouw er nauwelijks voldoende om van te leven. Eind jaren zeventig verandert alles echter met de exploitatie van een nieuw gewas: de coca. Binnen korte tijd veranderen de rustieke boerengemeenschappen in een Mekka van dollars, buitensporige luxe en - vooral - veel geweld.

Drugshandel
In de jaren tachtig veranderen de oorspronkelijke losse guerrillagroepen in solide militaire guerrillafronten met een nationale organisatie. Het FARC heeft zijn aanhang en actieradius in de kolonisatiegebieden aanzienlijk uitgebreid en de kolonisten georganiseerd in vakbonden, coöperaties en lokale dorpsraden. De guerrillabeweging biedt de boerenbevolking diensten die de nationale regering jarenlang heeft nagelaten te leveren. Ze zorgt voor handhaving van de wet en rechtspraak en eist in ruil een belasting op alle economische activiteiten die in haar jurisdictie plaatsvinden. De kolonisten in de departementen van Guaviare, Caqueta en Putumayo erkennen de guerrilla als de enige legitieme politieke autoriteit.
        Aanvankelijk is de houding van de linkse guerrilla ten opzichte van de cocaproductie ambivalent. Uit ideologisch oogpunt worden de drugshandel en illegale teelt veroordeeld: die zouden de cocaboeren verrijken en hen veranderen in kapitalisten, en daarmee in potentiële vijanden. Maar de cocateelt en -handel zijn ook voor de guerrilla een aantrekkelijke bron van inkomsten en een mogelijkheid om wapens te kopen. Het pragmatisme blijkt uiteindelijk sterker dan de leer en het FARC gaat een actieve rol spelen in de coca-industrie.

De belasting op coca is nog steeds de belangrijkste inkomstenbron van het FARC, dat er steeds vaker van wordt beschuldigd ook direct betrokken te zijn bij de drugshandel. Verder spekt het zijn kas met het ontvoeren van Colombiaanse burgers en buitenlanders in dienst van multinationals in Colombia. Ook afpersing van bedrijven en winkeliers behoort al jarenlang tot het repertoire van de rebellen. Het ELN heeft naar verhouding minder inkomsten uit de drugsbranche en moet het vooral hebben van de opbrengsten uit (massa)ontvoeringen.
        Het FARC heeft in de jaren negentig een opmerkelijke groei doorgemaakt, en geschat wordt dat de groep momenteel rond de 17.000 manschappen onder de wapens heeft. In talrijke gemeentes is de guerrilla bestuurlijk actief: lokale politici worden bij het FARC geroepen voor `ruggenspraak', een vorm van partijbinding die meestal niet vrijwillig is. De populariteit van zowel de rebellen van het FARC als het ELN onder de bevolking is bijzonder klein, en zouden ze meedoen aan verkiezingen, dan haalden beide nooit meer dan een paar procent van de stemmen. De ideologische inhoud van de Colombiaanse guerrilla is pover en steun wordt eigenlijk alleen afgedwongen door geweld en terreur. In de jaren tachtig en het begin van de jaren negentig voert het FARC vredesonderhandelingen met de toenmalige regeringen, maar die leiden nooit tot een duurzaam akkoord. Het geweld gaat al die tijd gewoon door. Terwijl in bijna de gehele wereld de gewapende guerrillastrijd als een gepasseerd station wordt beschouwd, blijft het FARC geloven de macht te kunnen grijpen met behulp van geweld.

Voor een deel waren de linkse guerrillabewegingen uit de jaren zestig (met name het FARC) een voortzetting van de gepolitiseerde en meest radicale vormen van het gewapend liberalisme uit de periode van de Violencia. Ze waren ook een antwoord van links op het politieke blok van het Nationaal Front, dat geen ruimte liet voor legale politieke alternatieven. Met name het ontstaan van het FARC is niet los te zien van de historische strijd van de boeren voor landbezit en het schoonvegen van het platteland door de militairen tijdens de burgeroorlog in de jaren vijftig.
        Inmiddels zijn er naast de twee traditionele partijen onafhankelijke politieke bewegingen opgekomen, maar deze hebben nauwelijks invloed. Door de banden met de drugshandel zijn de belangrijkste geweldgroepen, het FARC en de paramilitairen, in staat hun destructieve potentieel steeds verder op te voeren. Nu de vredesonderhandelingen zijn mislukt, lijkt alleen het serieus terugbrengen van de militaire macht van het FARC de spiraal van geweld op te kunnen lossen. Dit is ook de belofte van president Uribe. Voor de gewone Colombiaanse burger betekent dit meer oorlog op korte termijn, maar wellicht zicht op een duurzame vrede in de jaren daarna. Sommige experts denken echter dat de scherpe politieke conflicten en de nietsontziende agressie definitief de psyche van het Colombiaanse volk hebben aangetast. Geweld wordt uiteindelijk gezien als een legitieme manier om alle mogelijke conflicten die zich voordoen te beslechten.

Nico Verbeek is correspondent in Colombia en auteur van `De Baronnen van de Cocaïne: geschiedenis van de Colombiaanse Maffia' (2001).

14 aanslagen en 73 hinderlagen
De bekendste held uit de Oorlog van de Duizend Dagen (1899-1902) is zonder twijfel de liberale generaal Rafael Uribe Uribe, die aanvankelijk in opstand komt tegen de conservatieve regering en het, als de militaire strijd eenmaal verloren is, opneemt voor de onderdrukten in het land: de stemloze massa's, landloze boeren en de arbeiders in de stad. In zijn beide missies is Uribe Uribe weinig succesvol, maar tegenwoordig is hij in alle belangrijke Colombiaanse steden aanwezig met een standbeeld of een borstbeeld.
        Na de burgeroorlog hervat Uribe zijn politieke strijd; hij geeft lezingen en schrijft zijn beroemde essays, waarin hij zijn visie geeft op de toekomst van de natie. Behalve een pleitbezorger voor een sociale wetgeving is hij ook een fel criticus van de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten in de regio. In 1909 neemt hij zitting in het parlement, maar in 1914 wordt hij, op weg naar de Senaat, door arbeiders vermoord.
        Postuum krijgt Uribe Uribe wereldbekendheid dankzij de Colombiaanse Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez. Generaal Uribe Uribe stond model voor de figuur van kolonel Aureliano Buendía, hoofdpersoon uit Marquez' roman Honderd jaar eenzaamheid. De schrijver verhaalt over een dorp, Macondo, en ene kolonel Buendía, die 32 gewapende opstanden begint en ze allemaal verliest. Hij ontsnapt aan 14 aanslagen, 73 hinderlagen en een vuurpeloton, en overleeft een dosis zwaar vergif voldoende om een paard te doden. Buendía wordt commandant-generaal van de liberale revolutionaire strijdkrachten en beheerst een grondgebied dat loopt van de ene grens tot de andere. Uiteindelijk zweert hij de oorlog af, sluit zich op in zijn werkplaats en slijt zijn dagen tot in hoge ouderdom met het fabriceren van gouden visjes.
        De huidige president Alvaro Uribe Vélez is een groot bewonderaar van Uribe Uribe, met wie hij ook verwant is: zijn opa was een neef van de beroemde generaal. In zijn jeugd kende hij de redevoeringen van Uribe Uribe uit zijn hoofd – `Ik kon redevoeringen houden voordat ik kon praten'. Toen hij acht jaar oud was nodigde hij – volgens de overlevering – zijn neefjes en nichtjes uit, klom op een tafel en declameerde luidkeels complete toespraken van Uribe Uribe. Neefjes en nichtjes waren het er jaren later over eens dat die toespraken hun weinig deden en dat Alvaro eigenlijk een nogal vervelend mannetje was.