Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

Voorpublicatie: De eeuw van de macht

Door: Richard J. EVans

Hulpeloos stonden de gewone burgers in de negentiende eeuw tegenover oorlogen, ziektes en de grillen van de natuur. Ze leefden en stierven onopgemerkt. In zijn nieuwe boek schetst Richard J. Evans een beeld van hun ontberingen. 

Historisch Nieuwsblad 0/2016

De machtelozen

De eeuw van de macht

De eeuw van de macht is het Boek van de Maand in december 2016.   De negentiende ...eeuw is misschien wel de

€ 49,99 | Koop nu

Ergens aan het einde van de jaren twintig of aan het begin van de jaren dertig van de negentiende eeuw – de juiste datum is niet bekend – zat steenhouwer Jakob Walter (1788-1864) in de stad Ellwangen, in het koninkrijk Wurttemberg in het zuidwesten van Duitsland, neer om zijn memoires op te schrijven. Hij was als gewoon voetsoldaat ingelijfd in het Grote Leger van de Franse keizer Napoleon Bonaparte en marcheerde helemaal mee naar Moskou en weer terug.

In eenvoudige en kale bewoordingen noteerde Walter het vreselijke lijden dat hij had ervaren tijdens de aftocht van het leger in de laatste maanden van 1812. Walter – continu bestookt door kozakken, scharrelend naar eten, koud, vuil en hongerig, beroofd door bandieten en bij talloze gelegenheden ternauwernood aan de dood ontsnapt – overleefde de beproeving.

Toen hij voor het eerst na vele weken een gewoon kamp in een Poolse stad vond, gaf hij zichzelf een wasbeurt: ‘Het wassen van mijn handen en gezicht ging heel erg langzaam omdat de korsten op mijn handen, oren en neus waren gegroeid als dennenschors, met barsten en pikzwarte aanslag. Mijn gezicht leek op dat van een zwaar bebaarde Russische boer en toen ik in de spiegel keek, was ik verwonderd over de gekke vertoning van mijn gezicht. Ik waste mezelf een uur lang met heet water en zeep.’
 

'De korsten op mijn handen, oren en neus waren gegroeid als dennenschors'

Alle pogingen om zichzelf en zijn kleren te ontdoen van luizen (‘mijn heersers’) bleken echter tevergeefs. Terwijl hij met zijn eenheid verder westwaarts stampte, kreeg hij koorts, hoogstwaarschijnlijk tyfus, en moest hij de rest van de weg op een kar worden vervoerd. Van de 175 mannen in zijn konvooi met wagens overleefden er zo’n 100 de reis niet.

Toen Walter, nog steeds vergeven van de luizen, zijn vaderland bereikte, dacht hij dat zijn familie hem niet zou herkennen: ‘Ik kwam binnen in een roetkleurige Russische jas en met een oude ronde hoed en onder en in mijn kleding talloze reisgezellen, waaronder Russen, Polen, Pruisen en Saksen.’ Eindelijk kon hij zich goed wassen, zijn besmette kleren weggooien en beginnen met zijn langzame herstel. Lokale burgers begonnen hem te begroeten ‘als een “Rus” – zoals iedereen die daar was geweest toen werd genoemd’.

Net als het overgrote deel van de gewone Europeanen in die tijd had Walter weinig of geen interesse in politiek, laat staan kennis ervan. Hij was in 1806 door de autoriteiten in de Franse marionettenstaat Wurttemberg ingelijfd en werd in 1809 en 1812 opnieuw onder de wapenen geroepen. Hij had geen andere keuze dan de vele honderdduizenden andere dienstplichtige soldaten van die tijd. Uit zijn dagboek blijkt geen gevoel van toewijding aan de Franse of zelfs aan de Wurttembergse zaak, geen interesse in de uitkomst van de oorlog, geen haat tegen de Russen of verlangen om hen te doden.

Als gewone voetsoldaat toonde hij weinig bewustzijn van de strategische vraagstukken achter de campagnes waaraan hij deelnam. Het enige waarin Walter was geïnteresseerd, was in het overleven van de beproeving waaraan hij ongewild werd onderworpen. Het elan van de Franse troepen, die begin jaren negentig van de achttiende eeuw onder het zingen van de Marseillaise zegevierend de contrarevolutionaire legers van Oostenrijk onder de voet hadden gelopen, was allang verdwenen.

Nog slechts een klein aantal soldaten van Napoleon, zoals de elitaire keizerlijke garde, was gemotiveerd en toegewijd aan zijn zaak. De oorlogsmoeheid die in de dagboeken van Walter voelbaar is, werd breder ervaren in Europa en dat had een goede reden: na bijna een kwarteeuw met min of meer continue oorlogen was iedereen verdoofd achtergelaten met lijden en wanhoop. Als Jakob Walter al ergens aan was toegewijd, was het aan het sterke katholieke geloof dat hem tijdens deze ervaring op de been had gehouden, maar dat verhinderde hem niet om in beeldrijke details het steeds ontmenselijkender effect van het conflict op de deelnemers af te schilderen.

Na zijn terugkeer in zijn thuisland pakte Jakob Walter zijn weinig opmerkelijke leven als steenhouwer opnieuw op. Hij trouwde in 1817 en kreeg tien kinderen. Vijf van hen overleefden tot 1856, toen Jakob, nu een redelijk welvarende bouwaannemer en opzichter, een brief met nieuws over zijn gezin schreef aan zijn zoon die naar Amerika was geëmigreerd en in Kansas woonde.

Het jaar daarop reisde de jonge man terug naar Duitsland om zijn ouders te bezoeken en trouwde hij een lokaal meisje, de dochter van de burgemeester van een stadje bij Ellwangen. Geheel in lijn met de familietraditie nam hij de handgeschreven dagboeken van zijn vader mee toen hij in 1858 terugkeerde naar Kansas. Daar bleven de dagboeken in het bezit van de familie totdat ze in het begin van de jaren dertig van de twintigste eeuw ter beschikking werden gesteld aan de wetenschap.

Jakob leefde zelf nog een paar jaren in Ellwangen, tot hij in 1864 stierf; zijn vrouw overleefde hem en stierf in 1873. Bijna alles over hem, net als over het leven van talloze andere dorpsgenoten in de negentiende eeuw, blijft voor ons verborgen. Alleen zijn ervaringen tijdens de noodlottige expeditie van het Grote Leger naar Moskou, het feit dat Walter in tegenstelling tot de meeste andere deelnemers de beproeving overleefde en de gelukkige omstandigheden, die hem in staat stelden om deze ervaringen op schrift te stellen, verheffen hem boven de algemene duisternis waarin de meeste Europeanen hun leven leidden.

Op de terugweg vanuit Moskou had Jakob Walter ergens een glimp opgevangen van Napoleon zelf, die neerzat voor een openluchtmaaltijd aan de rivier de Berezina. Hij was niet onder de indruk: ‘Hij zag toe hoe zijn leger in de meest ellendige toestand passeerde. Het is onmogelijk om te vermoeden wat hij in zijn hart gevoeld moet hebben. Uiterlijk leek hij onverschillig en onbekommerd over de ellende van zijn soldaten; wellicht hebben alleen ambitie en verloren eer zich in zijn hart laten gevoelen; en hoewel de Fransen en bondgenoten hem veel bezweringen en vloeken over zijn schuldigheid toeriepen, kon hij ze toch onbewogen aanhoren.’
 

Van de 685.000 soldaten van Napoleon keerden er maar 70.000 terug uit Rusland

In deze fase van de rampspoedige aftocht uit Moskou kende het merendeel van Napoleons overlevende soldaten niets dan haat en minachting voor hem. 685.000 soldaten uit Duitsland, Polen, Italië en Frankrijk – het laatste land leverde minder dan de helft van het totaal – waren, door de onverzadigbare militaire rekruteermachine van het Franse Rijk van hun huiselijke leven afgesneden, naar Rusland gemarcheerd. Minder dan 70.000 keerden er terug, 400.000 doden en meer dan 100.000 krijgsgevangenen in Rusland achterlatend, en een onbekend aantal achterblijvers en deserteurs lichtte de hielen.

Nog meer oorlogen, waarbij Napoleon door een coalitie van Europese legers onder leiding van de Britten, Pruisen, Oostenrijkers en Russen meedogenloos naar het westen werd teruggedreven, hadden nog meer slachtingen aangericht. Uiteindelijk bezetten de bondgenoten in 1814 Parijs, waarna Napoleon tot ballingschap op het eiland Elba in de Middellandse Zee werd gedwongen.

Er werd vaak gedacht dat de schade die de Franse revolutionaire en napoleontische oorlogen aanrichtten relatief licht was in vergelijking met de verwoestingen die werden aangericht tijdens latere conflicten. Toch stierven in 23 jaar van min of meer continue oorlogen die in het kielzog van de Franse Revolutie van links naar rechts en omgekeerd over Europa trokken naar schatting vijf miljoen burgers. Vergeleken met de totale Europese bevolking waren dat er naar verhouding net zoveel als, zo niet meer dan, het aantal burgers dat stierf tijdens de Eerste Wereldoorlog.

 Tijdens de conflicten stierf een op de vijf Franse burgers die tussen 1790 en 1795 waren geboren. Napoleons legers verloren in totaal anderhalf miljoen mannen. Moskou was door de Russen tot de grond toe afgebrand om te voorkomen dat het voor de vijanden een toevluchtsoord zou vormen ter overwintering. Een ooggetuige meldde dat de hele stad drie dagen in brand stond en dat ‘dikke rookschijven in verschillende kleuren aan alle kanten naar de hemel opstegen, de horizon uitdelgden en in alle richtingen een verblindend licht en een brandende hitte stuurden’.

In de chaos hadden de Franse soldaten alles waar ze hun handen op wisten te leggen geplunderd, daarbij geholpen door boeren die vanuit het omliggende platteland naar de stad trokken. Nadat de vuren waren gedoofd, boden de verkoolde ruïnes van de uitgebrande stad te weinig voedsel en onderdak om het leger de hele winter op de been te houden. Bijna 7000 van de iets meer dan 9000 huizen, meer dan 8000 winkels en pakhuizen en meer dan een derde van de 329 kerken in de stad waren totaal vernietigd.

Voor ruim 270 miljoen roebel aan persoonlijke eigendommen was verloren gegaan zonder dat er een mogelijkheid voor compensatie bestond. Veel burgers waren al gevlucht en de meeste overgeblevenen hadden daarna de stad verlaten. Hun wachtte een leven van landloperij en armoede. Slechts 2 procent van de bevolking bleef en een groot deel van hen, onder wie veel soldaten, overleefde het niet.

Toen de Russen Moskou uiteindelijk weer hadden bezet, werden ze gedwongen om 12.000 lichamen hoog op te stapelen en te verbranden. De wederopbouw van de stad begon pas goed in 1814, toen parken en tuinen werden aangelegd op de plaatsen waar ooit een warboel van smalle straatjes was geweest en er een groot nieuw paleis voor de tsaar verrees. Meer dan een generatie lang bleef Moskou een bouwput. De commissie die in het leven werd geroepen om toezicht op de wederopbouw van de stad te houden, werd pas in 1842 opgeheven en zelfs toen had Moskou nog een lange weg te gaan om in zijn oude glorie te worden hersteld.
 

Gevluchte burgers wachtte een leven van armoede en landloperij

Ondertussen hadden in Spanje veldslagen en belegeringen talloze steden en dorpen verwoest. Puerto Real was tijdens een tweejarig beleg van Cadiz, van 1810 tot 1812, door de Fransen bezet geweest en was de halve bevolking van 6000 burgers kwijtgeraakt; 40 procent van de gebouwen was vernietigd, evenals driekwart van de olijfbomen en het grootste deel van de omringende dennenbossen. Veel steden in Spanje kwamen er nooit meer bovenop.

Overal hadden de plunderingen van de Fransen een enorme afname van het vee en van het aantal paarden, varkens en schapen veroorzaakt. In Extremadura stierf bijna 15 procent van de vooroorlogse bevolking.

 Francisco de Goya legde de realiteit van het conflict vast in 82 gravures die bekend zijn geworden onder de naam De verschrikkingen van de oorlog. Deze gravures toonden vreselijke scenes van verkrachtingen, plunderingen, verminkingen en slachtpartijen. Op een van de gravures is een lichaam te zien dat uit een kist komt en dat een stuk papier vasthoudt met daarop het woord Nada, ‘Niets’ – het woord dat door de schilder gekozen was om het eindresultaat van de jaren vol bittere conflicten samen te vatten.

In het Rijnland had de herhaaldelijke uitzinnigheid van de Franse troepen door de jaren heen de velden ontdaan van hun oogst, de boerderijen van hun vee en de steden en dorpen van hun voorraden. Wrede financiële heffingen die door de Fransen aan de inwoners van de regio waren opgelegd, hadden het algemene beeld van roofzucht en hebzucht alleen maar versterkt.

De schade was in het begin van het conflict opgetreden, maar had een blijvend effect. Een Franse zaakwaarnemer die in 1792 uit het gebied terugkeerde, meldde dat ‘ook niet de belangrijkste bestaansmiddelen – niets voor de dieren of zaad – zijn achtergebleven en ook andere voorwerpen in de dorpen zijn gestolen’. Roversbenden waren over het platteland getrokken; om hun slachtoffers te misleiden, hadden ze zich verkleed als Franse soldaten – het toont aan dat lokale inwoners gewend waren aan de verkrachtingen, roverijen en vernietigingen die werden uitgevoerd door de militaire bezetter. En inderdaad, toen het Franse leger Aken bereikte werden de stad en het omliggende platteland direct ontdaan van graan, foerage, kleren, vee en bijna alles wat kon worden meegenomen; honderden lokale burgers stierven van uithongering toen de winter zijn tanden liet zien.

Niet alleen de Fransen, maar ook andere legers hadden van het land geleefd – rovend en plunderend waar ze maar kwamen. Ze hadden zich allemaal heldhaftig ingespannen om de belangrijkste benodigdheden te verkrijgen en in elk geval in de periode 1812-1814 had een groeiend patriottisch sentiment onder de geallieerde naties ertoe geleid dat edelen, kooplieden en gewone boeren in uiteenlopende vormen grote vrijwillige bijdragen aan de oorlogsinspanningen hadden geleverd.

Die waren, gezien de enorme schaal van de gevechten, echter maar zelden toereikend geweest. Het Russische leger had de basale toevoer van voedsel voor zichzelf geregeld: het werd vervoerd langs lange communicatielijnen die tijdens de mars richting het westen in 1813-1814 zo ver waren uitgerekt dat ze bijna braken. De aanvoer had echter bestaan uit weinig meer dan zwart brood en de basisingrediënten van brij of meelpap; de troepen werden gedwongen om gevarieerder en smakelijker etenswaren te vinden door ze te stelen – soms van hun eigen bondgenoten.
 

In Hongarije viel bruine sneeuw; hele huizen verdwenen onder de sneeuwjacht

Het voeden van honderdduizenden paarden die cavaleristen vervoerden, veldartillerie trokken of rantsoenwagens sleepten had alle legers die in de oorlog betrokken waren, een probleem op zichzelf opgeleverd en de foeragerende partijen waren in hun zoektocht naar haver en ander voeder ver uitgewaaierd. Terwijl de Russen Frankrijk in trokken, waren hele dorpen als gevolg van de gevechten vernietigd. Boeren waren de bossen in gevlucht – iets wat ze al deden om de rekruterende medewerkers van Napoleon te ontvluchten – en kwamen zo nu en dan tevoorschijn om toeleveringswagens van de bondgenoten op de weg te overvallen. Na de Slag bij Waterloo werd Frankrijk bezet door ongeveer 900.000 buitenlandse soldaten, die met hun afpersingen wijdverbreide economische ontberingen veroorzaakten.
 
De natuur droeg niet bij aan het herstelproces. In april 1815 wierp een uitbraak van de vulkaan Tambora op het eiland Sumbawa in het huidige Indonesië een enorme stofwolk tot wel 43 kilometer de lucht in. Het geluid van de explosie werd tot 2000 kilometer verderop gehoord. Enorme hoeveelheden zwavel werden in de stratosfeer geslingerd, waar de uiterst kleine deeltjes meer dan twee jaar bleven hangen en zorgden voor donkere luchten en spectaculaire oranjekleurige zonsondergangen.

‘De morgen kwam en ging,’ schreef Lord Byron, ‘en kwam en bracht geen dag.’ In Hongarije viel in januari 1816 bruine sneeuw; er werd beweerd dat hele huizen onder de sneeuwjacht verdwenen. De uitbarsting kwam midden in een decennium vol koude zomers – dat al in 1811 was begonnen – wat werd veroorzaakt door veranderingen in de zonnekracht en de circulatie van weersystemen over de hele wereld en door een eerdere grote vulkaanuitbarsting in Colombia, in 1808.

Eind 1816 was het duidelijk dat de gewasopbrengst in veel gebieden was afgenomen tot weinig meer dan een kwart van het normale niveau. Wat er aan oogst was, werd bovendien meer dan een maand later van het land gehaald dan gewoonlijk. In Nederland veroorzaakten heftige zomerstormen verdere schade aan gewassen.

‘Uit alle delen van het continent zijn sombere verklaringen ontvangen over het ongewoon natte seizoen,’ meldde een Britse krant in juli 1816. ‘In verschillende provincies van Holland staan de rijke graslanden helemaal onder water en schaarsheid en hoge prijzen worden als vanzelf begrepen en gevreesd. In Frankrijk heeft het binnenland erg geleden onder de overstromingen en zware regens.’ Het Observatorium van Parijs registreerde zomertemperaturen die, naar later bleek, 5,4 graden Fahrenheit onder het gemiddelde voor de periode 1740-1870 zouden liggen en in sommige regio’s werden de druiven niet rijp voordat de winter inviel.

‘Elke storm van de afgelopen zomer,’ zo beschreef een jaarboek dat in 1817 in Wurttemberg werd samengesteld, ‘werd gevolgd door de ergste kou, zodat het regelmatig voelde alsof het november was.’ De Nederrijn stroomde vijf hele maanden over en in Lombardije-Venetië lag in mei nog steeds sneeuw. Vroegtijdige vorst in de herfst veroorzaakte nog meer schade. Boeren in Karinthië konden voor het derde jaar op rij geen wintergraan zaaien en de graanoogst in 1817 in Baden, in het zuidwesten van Duitsland, werd door de inwoners de slechtste sinds mensenheugenis genoemd.

In Zuidoost-Europa stierven tijdens de barre winter van 1815-1816 naar verluidt meer dan 24.000 schapen in Bač, in de Vojdovina, terwijl aanhoudende regens volgens de chroniqueurs van het franciscanenklooster in Šarengrad vroeg in het voorjaar leidden tot ‘enorme overstroming, vooral van de Donau’. ‘Niemand, zelfs de ouderen niet, kunnen zich herinneren dat er ooit zo’n overstroming is geweest. Er zijn veel dorpen, bouwlanden en hooilanden aan deze en aan gene zijde van de Donau overstroomd… Het water steeg tot manshoogte.’

De dorpspriester van het Kroatische dorpje Zminj noemde 1816 een ‘fataal’ jaar: ‘Vanwege de regelmatige regen en ander zwaar weer was [het] zo onvruchtbaar dat veel burgers niet genoeg granen konden verzamelen om een halfjaar lang op de been te blijven, en sommigen hadden niet eens genoeg voor twee maanden [...] Al in maart werden deze mensen het slachtoffer van zwarte hongersnood; toch bleven ze elkaar steunen zolang ze nog wat te eten hadden [...] Maar dat was van korte duur [...] Ze liepen, gereduceerd tot de ergste ellende, rond en vielen dood neer – sommigen thuis, sommigen langs de weg, sommigen in het bos.’
 
Voor Kroatië waren 1816 en vooral 1817 de tijd van de ‘grote hongersnood’. De graanprijzen waren twee tot drie keer hoger dan ze vijf jaar later zouden zijn. De oorlog had de communicatie ontwricht, waardoor hulp moeilijk te organiseren was.

Deze wereldwijde klimaatramp leidde tot de slechtste oogsten in Europa in meer dan een eeuw, terwijl Europa ook nog eens worstelde om de handel en industrie te herstellen na de ontwrichtingen door de Franse revolutionaire en napoleontische oorlogen. De Britse blokkade en de napoleontische tegenblokkade, ook wel bekend als het continentaal stelsel, had de handel op het vasteland en in het Verenigd Koninkrijk geruïneerd: de markten werden afgesneden en duizenden raakten werkloos.

 Volgens de kronieken waren er aan het einde van 1816 20.000 tot 30.000 wevers in de wijk Spitalfields in Londen werkloos, en soortgelijke omstandigheden werden waargenomen in textielsteden in Saksen, Zwitserland en de Lage Landen. Honderdduizenden soldaten zoals Jakob Walter werden aan het einde van de oorlog gedemobiliseerd en raakten werkloos.

De postnapoleontische crisis en de bijbehorende onrust in heel Europa dwongen overheden uiteindelijk om de bevolking te hulp te schieten; daardoor ontstond een algemene acceptatie dat de staat de nood van de meest verarmde delen van de bevolking verlichtte. De Europese staten hielpen hun inwoners overigens ook omdat ze revoluties, zoals die in 1789, voor wilden zijn.


De eeuw van de macht is Boek van de Maand in december 2016.


Bestel dit boek in onze webshop.

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Luther

Deze diepgravende biografie van Maarten Luther belicht zijn goede kanten, zoals de moed om ...op te treden tegen de Kerk, maar ook zijn slechte, zoals zijn virulente antisemitisme.

€ 39,99 | Koop nu

Middeleeuwen