Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

Jan Huygen van Linschoten (1563-1611)

Door: Luc Panhuysen

De jonge avonturier Jan Huygen van Linschoten reisde eind zestiende eeuw met de Portugezen mee naar India. Hij noteerde alle kennis die hij opdeed in een boek, dat een sensatie werd. Nederlandse kooplui wisten voortaan waar het grote geld te verdienen viel.

Historisch Nieuwsblad 3/2014
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Routekaart voor slimme handelaren


Jan Huygen van Linschoten woonde al een jaar in Goa toen een smartelijke ontmoeting in 1584 hem weer eens met zijn neus op het bijzondere van zijn eigen situatie drukte. Goa, in India, was een van de grootste handelssteden ter wereld, bewoond door zo’n 200.000 Portugezen, Indiërs, Chinezen, Arabieren, Perzen, Armeniërs, Israëlieten en zwarte slaven.

Het fungeerde als het pulserende hoofdkwartier voor het koloniale rijk van de Portugezen. Goa was de toegangspoort tot de gigantische schatkamer van Zuidoost-Azië, waar goud, zilver, edelstenen, zijde en specerijen in onvoorstelbare hoeveelheden lagen opgetast. Met een jaloers fanatisme schermden de Portugezen hun handelsstromen af voor andere Europeanen, ook voor het viertal Engelsen dat in de donkere gevangenis van Goa was beland.

Toen Van Linschoten hun een bezoek bracht, begroetten ze hem, schreef hij later, ‘met wenende ogen’. Ze zaten al een halfjaar vast zonder enig uitzicht op verbetering van hun situatie. Al snel bleek dat de Engelsen minder onnozel waren dan ze zich voordeden. In feite werden ze gedreven door dezelfde interesse als Van Linschoten: een kijkje nemen in de weelderige keuken van de Portugese handel.

Als voorbereiding waren ze neergestreken in de stad Hormuz, vlak bij India. Ze hadden een scheepslading spiegeltjes, messen en naaigerei meegenomen, maar deze ‘kleine kramerij’ was slechts een dekmantel geweest. Spoedig ontdekten de Portugezen hun werkelijke doel: edelstenen, goud en zilver, specerijen. Zoals in veel handelssteden in Azië werd ook de Europese koopmanskolonie in Hormuz gedomineerd door de Portugezen, en die bestempelden de nieuwelingen als ‘verspieders’.

Ze werden op de boot naar Goa gezet en overhandigd aan de jezuïeten, de katholieke religieuze orde die veel missiewerk in Azië deed. De jezuïeten wisten wel raad met de protestantse, dus ketterse Engelsen, en wilden hen pas vrijlaten als ze lid werden van hun orde. Van Linschoten wist hun vrijlating te bewerkstelligen. Niet veel later stapten de Engelsen op de boot terug naar Londen.

Wat maakte dat Jan Huygen van Linschoten slaagde waar de Engelsen faalden? Het antwoord op die vraag werpt licht op zijn bijzondere situatie en het maakt de sleutelrol begrijpelijk die hij heeft gespeeld in de ontwikkeling van de wereldhandel.

De groei van de wereldhandel had op dat moment een omslagpunt bereikt. De Portugezen hadden de toegangspoort tot een ongekende economische expansie in handen en oppervlakkig gezien kon de omvang van hun rijk slechts toenemen. Maar de Portugezen waren niet meer zo sterk als voorheen, en er waren nieuwe landen die een deel van de handel opeisten – landen in opkomst, zoals Engeland en de Nederlandse Republiek.

Door toedoen van Jan Huygen van Linschoten zou de groei van het Portugese koloniale rijk binnen enkele decennia tot staan worden gebracht en profiteerden niet de Engelsen, maar de Nederlanders daarvan.

Jan Huygen kwam in 1563 ter wereld in de herberg ‘De Vergulde Valck’ in Enkhuizen en groeide op tussen een clientèle van dorstige matrozen, avontuurlijke reders en praatgrage kooplieden. Deze biotoop heeft hem gevormd. Al op vroege leeftijd besloot hij niet als een ‘babock’ (domoor) onder moeders vleugels te blijven, maar erop uit te trekken: ‘Mijn hart denct anders niet, nacht ende dach, dan om vreemde landen te besien, ofte eenighe avonturen te versoecken.’

Enkhuizen was een uitgelezen plek om kennis op te doen over nieuwe ontdekkingen en nieuwe navigatietechnieken. Het stadje was bezig aan zijn eigen Gouden Eeuw, trok kooplieden uit het door oorlog verwoeste Antwerpen en boorde nieuwe markten aan.
Als jongeman had Jan Huygen veel contact met de dertig jaar oudere Lucas Janszoon Waghenaer, de wegbereider van de zeecartografie. Terwijl Van Linschoten in Goa zat, zou Waghenaar zijn grondleggende Spieghel der Zeevaert publiceren, een boek dat voor het eerst routes ontsloot, compleet met de notering van diepten, afbeeldingen van kustsilhouetten en met standaardsymbolen voor ankerplaatsen, bakens en riffen.

De wereld waarin Jan Huygen was geboren stond nog haaks op Waghenaers kaarten en de ambities die daarmee verbonden waren. Allereerst was de aardbol verdeeld tussen Spanje en Portugal, de grootmachten van die tijd. Onder bemiddeling van de paus was een kaarsrechte lijn getrokken van pool tot pool: alles westwaarts daarvan behoorde toe aan Spanje en alles oostwaarts aan Portugal.

Dit Verdrag van Tordesillas (1494) werd later opnieuw geformuleerd in het Verdrag van Saragossa (1529), dat grofweg de Amerika’s toewees aan Madrid en Azië aan Lissabon. Maar Engeland had het verdrag niet ondertekend, en de Republiek moest toen nog ontstaan. Het was aan deze twee protestantse landen om de wereldorde, tot stand gekomen tijdens katholieke onderonsjes, te doorbreken.

Ten tweede hadden de Portugezen een formidabele voorsprong op de Nederlandse zeevaart. Al in 1498 had ontdekkingsreiziger Vasco da Gama zijn anker uitgeworpen in de haven van Goa. Vanaf dat moment had de ontwikkeling van de Portugese maritieme kennis een hoge vlucht genomen.

De ervaringen van honderden Portugese zeelieden, opgedaan tijdens talloze reizen, waren verwerkt in kaarten en in de zogeheten roteiro’s, zeer nauwgezette routebeschrijvingen vol nautische aanwijzingen over verraderlijke winden en stromingen, afstanden tussen havens, baaien, klippen en bakens. De zeekaarten en de roteiro’s waren de best bewaarde geheimen van de Portugezen.

De Nederlandse zeevaart was nog vooral Europees gericht. Nog altijd verbonden de Nederlandse schippers als bulktransporteurs de regio van de Oostzee (hout, laken, teer) met die van Lissabon (exotische producten uit Azië). De Portugese voorsprong kon niet zomaar door de Nederlandse zeevaart worden ingehaald.
De achterstand in kennis betrof niet alleen route en geografie, maar ook de culturen van Azië, de vruchten en gewassen, mineralen en andere producten. Wel waren veel Nederlanders al enigszins vertrouwd met het gebruik van specerijen, niet alleen om het voedsel te kruiden, maar vooral vanwege de medicinale eigenschappen.

Kruidnagelen namen kiespijn weg, versterkten het hart en bevorderden de werking van de darmen. Wie werd gekweld door winderigheid, nam dagelijks een portie nootmuskaat. Wie last had van maagkwalen, slikte een paar peperkorrels. Niemand wist waar al die fantastische producten vandaan kwamen. Ja, de Portugezen voerden ze aan, maar waar ze de specerijen precies haalden was onbekend.

Op 5 oktober 1579 vertrok de zestienjarige Van Linschoten naar Spanje, waar twee oudere tweelingbroers een handelskantoor dreven. Hij bleef negen maanden in Sevilla om er de Spaanse taal te leren, de Moorse en barokke architectuur te bewonderen en zijn ogen uit te kijken vanwege de weelde aan exotische producten.
In 1582 maakte hij de intocht mee van Filips II in Lissabon, die handig gebruikmaakte van het overlijden van de kinderloze Portugese koning om het hele Iberische schiereiland onder zijn kroon te brengen. Filips II, de vorst tegen wie de Lage Landen net in opstand waren gekomen, had op basis van het Verdrag van Saragossa dus de theoretische macht verkregen over de hele wereld.

In datzelfde jaar werd in Lissabon één van Jan Huygens halfbroers benoemd tot secretaris van de net benoemde aartsbisschop van Goa. Hijzelf werd klerk in de bisschoppelijke staf. Toen de vijf schepen het ruime sop kozen met als bestemming Goa, begon hij aan een reis die zijn leven en de koloniale geschiedenis ingrijpend zou veranderen.

Vanaf zijn eerste zeemijlen zat Van Linschoten over zijn papieren gebogen en maakte hij aantekeningen. Tijdens de reis naar het meest zuidelijke punt van Afrika, het Portugese Cabo de Bona Esperança, deed hij een opzienbarende ontdekking. Hij had verwacht dat het schip zo dicht mogelijk langs de Afrikaanse kust zou zeilen. Maar de Portugezen hadden door schade en schande geleerd dat ze ter hoogte van Guinea grote kans liepen verzeild te raken in een zone waar of windstilte heerste, of waar het ‘veel dondert, blixemt, met vlagen van wind en regen, die met grote haesticheijdt passeren’.

Daarom koersten de Portugezen op ruime afstand van de Afrikaanse kust, in een grote westwaartse bocht die de schepen naar de ‘Brasiliaense Drooghte’ bracht, waar weer gunstige winden woeien voor het vervolg van de tocht naar de Cabo de Bona Esperança. Bereikten ze eenmaal de Indische Oceaan, dan wisten de Portugezen ook hoe ze langs hun kolonie Mozambique omhoog konden varen en welke tijd van het jaar ze konden benutten om vanaf daar noordoostwaarts precies op Goa te koersen.

Als reden voor zijn kennishonger gaf van Linschoten op: ‘Soo weet men wat te vertellen als men oudt is.’ Dat is ongetwijfeld wat hij tegen zijn medeopvarenden vertelde als uitleg waarom hij weer eens druk was met zijn notities. Maar een aanzienlijk deel van zijn vergaarde informatie was ongeschikt voor conversatie in het bejaardentehuis.
Als accountant van de bisschoppelijke staf had hij toegang tot de roteiro’s. In totaal kopieerde hij 67 roteiro’s, een schat waarvan hij goed moet hebben beseft hoe waardevol ze was. Hoewel Van Linschoten op maritiem gebied nog een volstrekte leek was, kweet hij zich zo goed van zijn taak dat zijn kopieën niet alleen volkomen begrijpelijk waren, maar ook dienden als standaard voor de manier waarop Nederlandse zeelieden later hun waarnemingen noteerden.

In totaal verbleef Van Linschoten zes jaar in Goa. In die periode heeft hij alleen Cochin, een andere Portugese vesting, bezocht. Maar gesprekken met zeelui, kooplieden en bestuurders verrijkten zijn kennis. Aanvankelijk was zijn Portugees ontoereikend, maar hij leerde snel. Waarschijnlijk maakte hij zich ook andere talen eigen, voldoende om contacten aan te knopen, en anders zorgde hij wel voor tolken.

Zijn nieuwsgierigheid was onverzadigbaar. Geen verhaal zo onaannemelijk of hij noteerde het. Op Java stroomde een rivier die het hout dat erin viel veranderde in steen. Op de Molukken leefde een unieke ‘paradijsvogel’ die altijd moest blijven vliegen omdat hij geen poten had.

Van Linschoten was een geduldig luisteraar, die de vergaarde kennis gebruikte om zicht te krijgen op de wereld voorbij Goa. Zo wist hij gedurende zijn verblijf het panorama van de Oriënt te verbreden. Hij hoorde over Maleisië, Java, de Molukse archipel en de Banda’s, eilandengroepen waar de beste specerijen ter wereld groeiden. Hij hoorde over ‘het eylandt Japan’ en de wonderlijke producten die de bewoners produceerden. Hij sprak zeelieden die in het eilandenrijk van de Filippijnen waren geweest en er de vreemdste dieren hadden gezien en gegeten.

Veel profijt had Van Linschoten van een andere reislustige Nederlander, Dirck Gerritszoon Pomp, beter bekend als Dirck China. Dirck China kwam ook uit Enkhuizen; dat schiep een band. Net als Van Linschoten was hij begonnen met een Portugees dienstverband; daarna was hij koopman geworden en bevoer hij de zeeën boven de Indonesische archipel. Toen hij Van Linschoten tegenkwam in Goa, kon hij hem bijvoorbeeld uitgebreid inlichten over de route van Macao, de Portugese vestiging in China, naar Nagasaki in Japan.

Dirck China werd een goede vriend. Van Linschoten zou in een van zijn boeken ettelijke hoofdstukken aan China wijden, volgepropt met interessante weetjes over het productieproces van het felbegeerde porselein en over de oude en hoogstaande beschaving die het papier en het buskruit zoveel vroeger had ontdekt dan de Europeanen.

Nieuws uit het vaderland deed er ruim een jaar over om Goa te bereiken. Zo hoorde Van Linschoten pas in augustus 1585 over de moord op Willem van Oranje in Delft het jaar ervoor. Een paar maanden later vernam hij het bericht dat in Enkhuizen zijn vader was overleden. Toen de aartsbisschop stierf en daardoor zijn beschermheer wegviel, wilde hij terug naar huis. Maar van de Portugezen mocht hij zich niet inschepen op de pepervloot naar huis – volgens Van Linschoten omdat hij te veel wist over hun economische, militaire en maritieme situatie.

Toevallig werd aan de pepervloot een zesde schip toegevoegd, dat eigendom was van een Duitse bankier; het lukte Van Linschoten op dit schip te worden aangesteld als ‘supercargo’. Eind 1588 scheepte hij zich in voor de thuisreis. Na tal van omzwervingen kwam hij in 1592 aan in de haven van Enkhuizen, waar hij zijn moeder, broer en zus in goede gezondheid aantrof.

Van Linschoten werd direct uit verschillende hoeken benaderd om zijn bevindingen te boek te stellen. Tijdens het uitwerken van zijn aantekeningen zocht hij assistentie van de Enkhuizer geleerde Paludanus, die de tekst opsierde met tal van annotatio’s over het effect van de betreffende kruiden op het menselijk lichaam.

Lucas Waghenaer bracht hem in contact met een uitgever die ervaring had met het afdrukken van gedetailleerde kaarten. Die kaarten werden geleverd door de gebroeders Houtman, die erin waren geslaagd na een geheime missie naar Portugal terug te keren met de meest recente kaarten van de overzeese gebieden.

In 1596 verscheen Itinerario, voyage ofte Schipvaert van Jan Huygen van Linschoten naer Oost ofte Portugaels Indien 1579-1592, een pil van 99 hoofdstukken met vijf kaarten en een wereldkaart die dankzij de Portugese voorbeelden behoorde tot het beste cartografische werk van dat moment. Bovendien bevatte het 36 door Van Linschoten getekende taferelen uit het alledaagse leven in Azië, een unicum in de Lage Landen. De publicatie was direct een sensatie.

De Itinerario vergrootte de warenkennis van het koopkrachtige Nederlandse publiek. Allerlei nieuwe vruchten maakten hun opwachting in dit boek, zoals de kokosnoot, waarvan hij de smaak trefzeker omschreef als die van hazelnoot, maar dan zoeter. Het gebruik van de kokosnoot was velerlei: bevestig de bast aan een steel en men had een pollepel. Uit het geperste vruchtvlees verkreeg men uitstekende olie, die als olie voor lampen kon dienen.
Van Linschoten vertelde aanstekelijk over de tongstrelende smaak van de mango, de doerian of van zijn favoriet de ananas: ‘een van de beste fruyten ende smakelijckste van geheel Indien.’ Uiteraard besteedde hij veel aandacht aan kruidnagel, nootmuskaat, foelie, peper, gember, peper, kaneel en al die andere bekende spullen, waarvan tot dan toe niemand wist waar de Portugezen ze precies vandaan haalden.

Voor kooplui op zoek naar investeringskansen was het boek een immense catalogus van wat er in het paradijs van de Portugezen te halen viel. Zo verhaalde Van Linschoten over het legendarische rijk Monomotapa, dat vlak bij Mozambique zou liggen. Volgens de auteur verdiende de Portugese gouverneur jaarlijks tonnen goud aan de transacties met Monomotapa.
Van alle specerijen kon aan kruidnagel het meest worden verdiend. Wat de Itinerario beweerde over de Molukken was aan de Nederlandse kooplieden welbesteed: ‘Deze eylanden hebben anders niet dan naghelen, maer in soo grote menichten dat sij er de wereldt mee kunnen vullen.’

Van Linschoten had de routekaart geboden voor de Nederlandse koloniale toekomst. Al een jaar eerder had hij een bijlage uit de Itinerario gepubliceerd, het Reysgheschrift, met de 67 door hem overgeschreven en vertaalde roteiro’s. Het Reysgheschrift werd meegenomen door Cornelis de Houtman, de leider van de eerste georganiseerde tocht naar Oost-Indië, in de maritieme geschiedschrijving meestal ‘de Eerste Schipvaart’ geheten. Het illustreerde de gretigheid van de Hollandse kooplieden.

Nog voor zijn dood in 1611 maakte Van Linschoten mee hoe de ene na de andere Schipvaart van wal stak, onder leiding van kapiteins die zijn Itinerario meenamen als standaardbagage. Het boek bleek een prospectus van een koloniale droom; het enige wat de Nederlanders hoefden te doen was die droom najagen.

Dat zouden ze doen ook. In de loop van de zeventiende eeuw zouden de Nederlanders in Portugese voetsporen treden. Een beleg van Goa mislukte, waarna Cochin succesvol werd aangevallen. De Cabo de Bona Esperança werd door Jan van Riebeeck veroverd en omgedoopt tot Kaap de Goede Hoop – een letterlijke vertaling.

Daarna ging Van Riebeeck met een legertje vruchteloos op zoek naar Monomotapa. De Portugezen, Van Linschotens vroegere werkgevers, werden door de Nederlanders verjaagd uit Java, uit de Molukken met hun kruidnagelen, uit de Banda’s met hun nootmuskaat. Zo legde een geval van bedrijfsspionage de basis voor het ontstaan van Nederlands-Indië.


De redactie heeft een themapagina gemaakt over onderzoek, uitvindingen en wetenschap. Op www.historischnieuwsblad.nl/wetenschap vindt u bijvoorbeeld artikelen over Christiaan Huygens en Copernicus, maar ook een interview met Wubbo Oockels en brieven van Darwin.

Meer lezen
Jan Huygen van Linschoten schreef vier boeken. Twee daarvan zijn te raadplegen via Google Books: Reysgheschrift vande navigatien der Portugaloysers in Orienten (1595). En: Itinerario, Voyage ofte schipvaert van Jan Huyghen van Linschoten naer Oost ofte Portugaels Indien, 1579-1592 (1596). Hij publiceerde ook een boek over de poging een doorgang naar India via het noorden te vinden.

Het standaardwerk over hem is Jan van Linschoten. The Dutch Marco Polo (1964) door Charles McKew Parr.

A. van der Moer schreef Een zestiende-eeuwse Hollander in het verre oosten en het hoge noorden. Leven, werken, reizen en avonturen van Jan Huyghen van Linschoten (1979).

Beeldend en bondig is het eerste hoofdstuk in Wim Wennekes’ boek Gouden Handel. De eerste Nederlanders overzee, en wat zij daar haalden (1996).

Zie ook Cor Koeman, Jan Huygen van Linschoten (1985), dat via Google Books is te lezen.

Informatief is het hoofdstuk over Van Linschoten in Pioniers van de Gouden Eeuw (2007) van Gerben Graddesz Hellinga.

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen