Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 3/2013

Zo verdorven was de katholieke kerk niet

De katholieke kerk aan het einde van de Middeleeuwen

Door: Maurice Blessing
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

De laatmiddeleeuwse kerk was door en door corrupt, zo leren populaire films, boeken en tv-series ons. Dat zou de protestantse Reformatie verklaren. Maar de morele maatstaven van de kerk waren in de late Middeleeuwen waarschijnlijk hoger dan ooit tevoren. 




21 februari 1513. Paus Julius II arriveert bij de hemelpoort. Maar zijn sleutels passen niet. Of misschien kan hij even de juiste niet vinden, want de Heilige Vader heeft een slok te veel op. Poortwachter Petrus merkt dat de paus dronken is en weigert hem binnen te laten. Hij vaart tegen de overledene uit en verwijt hem dat hij de spirituele grondslagen van de kerk heeft veronachtzaamd terwijl hij zich met aardse geneugten bezighield.

Moralistische flauwekul, meent Julius. Petrus zou hem juist dankbaar moeten zijn. Praktische, wereldwijze pausen als Julius II hebben de kerk uitgebouwd tot een rijk en machtig instituut, waarmee vorsten en keizers terdege rekening moeten houden. Dat was in Petrus’ tijd wel even anders!  En zeg nu zelf: hoe kan God het best worden gediend? Met een nederige kerk van de armoede die onvermijdelijk speelbal wordt van machtsbeluste koningen en keizers? Of door een machtig en fondsenrijk instituut, dat de luister van het Koninkrijk Gods aanschouwelijk maakt en monarchen doet bibberen in hun boetekleed?

Petrus is niet onder de indruk van Julius’ argumenten. Daarop ontsteekt de paus in woede en draagt zijn legers op de hemel te veroveren.  U zult het al hebben vermoed: bovenstaand relaas is historisch onverantwoord. Het is een vrij losse synopsis van een tekst van Erasmus, Iulius exclusus e coelis (Julius buiten de hemelpoort gehouden). De beroemde humanist, bastaard, volgens sommige historici heimelijke homoseksueel en onbedoelde wegbereider van het protestantisme publiceerde het in 1517 – het jaar waarin Luther te Wittenberg volgens de overlevering de eerste aanzet gaf tot de Reformatie.

De moderne lezer zal de strekking van Erasmus’ verhaal bekend voorkomen. De verdorvenheid van Renaissance-pausen als Julius II en zijn directe voorganger Alexander VI is diep verankerd in ons collectieve bewustzijn. Mede dankzij de moderne entertainmentindustrie: wie heeft er afgelopen zomer niet genoten van de uitspattingen van Jeremy Irons als de onverzadigbare geldwolf, machtswellusteling en seksverslaafde Rodrigo Borgia (paus Alexander VI) in de Amerikaanse televisieserie The Borgias bij de AVRO?

Het beeld van de laatmiddeleeuwse katholieke kerk als een door en door gecorrumpeerd instituut, dat wel moest bezwijken toen rechtgeaarde gelovigen als Erasmus, Luther en Calvijn er met hun beschuldigende vingers tegenaan tikten, is blijkbaar erg aantrekkelijk voor een modern publiek. Maar is het ook historisch correct?

Was de Latijnse kerk inderdaad vermolmd en vermoeid door eeuwen van gestage morele neergang en een allesoverwoekerende corruptie onder haar vertegenwoordigers? Of zou het zo kunnen zijn dat ons beeld van een gecorrumpeerde laatmiddeleeuwse kerk even ahistorisch is als Erasmus’ vermakelijke, maar valse voorstelling van een beschonken en agressieve Julius aan de hemelpoort?

Laten we om te beginnen eens kritisch kijken naar de aanduiding ‘gecorrumpeerd’. Daarbij moeten we vooropstellen dat ‘corruptie’ een verraderlijke term is, zeker voor historici. Want vroegere generaties hadden vaak heel andere associaties bij vage begrippen als ‘rechtvaardigheid’ en ‘rechtschapenheid’. Zo waren middeleeuwers veel minder snel dan wij geneigd nepotisme onder kerkelijke gezagsdragers als een onrecht te ervaren.  Premoderne samenlevingen draaiden op het principe van cliëntelisme als een sappig kippetje rond het spit.

Er was nog geen sprake van een alomtegenwoordige staat met een universeel rechtssysteem en bijbehorende bureaucratie, die mensen basiszekerheden en -rechten kon bieden. Iedere burger was primair aangewezen op hulp en steun van familie, buurtgemeenschap of gilde. Pausen en keizers waren machtig, maar zelden of nooit machtig genoeg om te kunnen breken met het allesoverheersende principe van de wederkerige ‘vriendendienst’.

Vandaar dat moderne burgers in alle geledingen van de middeleeuwse kerk ‘maffia-achtige’ praktijken en structuren menen aan te treffen. Pausen waren altijd afhankelijk van hun welgezinde monarchen, aristocraten, kardinalen en bisschoppen. Zonder opportunistische allianties en benoemingen, en zonder een consequent beleid van geven en nemen, kon een premoderne paus onmogelijk leidinggeven aan de kerk.  Een ander aspect van de middeleeuwse kerk dat een modern publiek gemakkelijk over het hoofd ziet, is de voortdurende ontwikkeling van de christelijke moraalleer. Wat wij beschouwen als stokoude dogma’s en tradities, zijn in werkelijkheid vaak relatief nieuwe verschijnselen, die pas tegen het einde van de Middeleeuwen werden geïntroduceerd.

Denk aan het huwelijk als sacrament, het verplichte celibaat voor de hele geestelijkheid, de uitvinding van het vagevuur of het geloof in de onbevlekte ontvangenis van de Maagd Maria. Nog in de dertiende eeuw wees een autoriteit als Thomas van Aquino dat laatste dogma af als een ongeoorloofde geloofsinnovatie zonder enige bijbelse grondslag.

Leer en organisatie van de Latijnse kerk werden continu aangepast aan nieuwe omstandigheden en veranderende morele inzichten. De Reformatie van de zestiende eeuw was dan ook zeker niet het enige initiatief tot hervorming van de kerk. Oproepen tot verandering zijn zo oud als het christendom zelf.

Van alle hervormers van de middeleeuwse kerk was paus Gregorius VII (1073-1085) ongetwijfeld de succesvolste. Vrij kort na zijn uitverkiezing vaardigde hij een revolutionair traktaat uit, getiteld Dictatus Papae (Uitspraken van de paus). In deze onbeheerst megalomane tekst claimde Gregorius het recht om keizers af te zetten en eiste hij dat alle vorsten zijn – en alléén zijn – voeten zouden kussen. Daarmee was Gregorius de eerste paus die zich naast het spirituele primaat over de christenheid ook het universele wereldlijke oppergezag toe-eigende.


Wat historici ‘de Gregoriaanse Reformatie’ noemen, behelsde echter meer dan alleen de uitbreiding van de wereldlijke macht van paus en kerk. Gregorius en zijn medehervormers huldigden ook een nieuwerwetse opvatting over de rol die de kerk moest spelen in de samenleving.

De Latijnse kerk had zich tot dan toe voornamelijk beziggehouden met het wel en wee van de maatschappelijke elite: vorsten en edelen. Zij waren het immers die de kloosters en bisdommen voorzagen van geld en goederen, in ruil voor ambtelijke diensten en gebeden voor hun zielenheil. Het lot van eenvoudigere leken hield de toenmalige geestelijkheid blijkbaar nauwelijks bezig.

De elfde-eeuwse hervormers maakten zich sterk voor een actievere rol van de kerk bij de begeleiding van de gewone gelovige op het rechte, maar uiterst glibberige pad richting Verlossing. Daarbij hadden zij het evangelische ideaal van Christus voor ogen. Had Jezus zich niet juist gericht op de gewone man en vrouw, en Zijn Boodschap in alle uithoeken van de samenleving verkondigd?  De nieuwe kerkelijke taakstelling werd treffend uitgedrukt in de titel die pausen na Gregorius zouden aannemen: ‘Stedehouder van Christus’ in plaats van ‘Stedehouder van Petrus’.

Voor deze vernieuwde taakopvatting van de kerk zijn verschillende oorzaken en redenen aan te wijzen. De belangrijkste was waarschijnlijk een economische. De vroegmiddeleeuwse economie draaide in sterke mate op de oorlogvoering door lokale elites in dienst van hun leenheer: de koning of keizer. Zo kwamen deze elites aan hun fortuinen en slaven. Maar na de desintegratie van het Karolingische Rijk, en doordat het aantal niet-christelijke Europese volkeren afnam waarmee ze gerechtvaardigde roofoorlogen konden voeren, moesten edelen begin elfde eeuw op zoek naar een alternatief verdienmodel.

De flexibel ingestelde West-Europese adel vond een nieuwe bron van inkomsten in de producten van de boeren op hun leendomeinen, die ze, nu ze geen formele leenheer meer hadden, als hun onvervreemdbare eigendom gingen beschouwen en als absolute potentaten gingen besturen. De vrije boeren van West-Europa vervielen zo steeds vaker tot lijfeigenschap en werden gedwongen zich in nederzettingen te vestigen. Zo konden ze gemakkelijker en efficiënter worden gecontroleerd en geëxploiteerd.

Kloosters en bisschoppen voegden zich naadloos in deze ‘nieuwe economie’ van pastorale uitbuiting en rechteloosheid. De kerk had toen geen enkel bezwaar tegen slavernij, en veel bisschoppen hadden ‘wereldlijke’ bijbaantjes; zo stelden ze graven aan of waren zelf eigenaar van omvangrijke plattelandsdomeinen. Anderzijds waren veel kloosters het bezit van aristocraten.

Belangrijker voor de toekomst van de kerk was echter dat de snelle verdichting van het netwerk van nederzettingen op het platteland – waar toen nog het merendeel van de Europeanen woonde – nieuwe mogelijkheden bood om de gemiddelde christen aan zich te binden.

Vanaf de elfde eeuw werd in elke nieuwe nederzetting een kerk gebouwd en een priester aangesteld. De boeren/lijfeigenen/parochianen moesten de kerk een bijbelse belasting betalen van een tiende deel van hun productie. Deze inkomstenbron bleek zo lucratief dat de kerk haar zielenzorg – met sterke nadruk op het belang van een nederig en arbeidzaam leven – nog verder uitbreidde. Zo verviervoudigde het aantal parochies in Engeland van 2000 aan het eind van de elfde eeuw tot 8000 aan het eind van de dertiende eeuw.

In deze periode kwam ook de prediking in steden op gang. Terwijl de handel bloeide als nooit tevoren en de rijkdom onder de burgerij groeide, benadrukten stedelijke geestelijken christelijke waarden als soberheid, bescheidenheid en goedgeefsheid.

Intussen paste de kerk de liturgie van de eredienst aan, zodat deze meer indruk maakte op een lekenpubliek. Hieraan danken katholieken onder meer het dramatische heffen van kelk en hostie door de voorganger tijdens de eucharistie: het drama dat het ultieme offer van Christus moet verbeelden. Tegelijkertijd kwam in elk kerkgebouw de gekruisigde Christus centraal te staan.

De ‘hervormde’ middeleeuwse kerk begon zich intensief te bemoeien met het privéleven van gelovigen. Stellen werden voortaan geacht in een kerkgebouw te trouwen. Zo werd de keuze van de seksuele partner een onherroepelijk heilig verbond. Ook stelde de kerk een lijst op van verwanten met wie geen huwelijk, en dus geen seksuele relatie, mocht worden aangegaan.

Nu de gemiddelde gelovige steeds meer in het christelijke gareel werd gedwongen, begonnen kerkelijke gezagsdragers zich zorgen te maken over het morele onderscheid tussen geestelijkheid en leken, en daarmee over het gezag van de eersten over de laatsten. Mede om dit onderscheid te waarborgen moesten alle geestelijken vanaf het jaar 1139 een celibatair leven leiden. Als ze toch kinderen kregen, waren dat onwettige bastaarden. Priesterzoon Erasmus was een van hen.

Het succes van het beschavingsoffensief van de laatmiddeleeuwse kerk was overweldigend. Blijkbaar bestond er een enorme behoefte aan zingeving en spirituele verheffing onder niet-edellieden. Maar het feit dat het geloof massaler werd en zich verdiepte, had een onvoorziene keerzijde. Want als de kerk voortdurend zei dat gelovigen zich moesten spiegelen aan de hoge morele normen van het Evangelie, was het logisch dat die gelovigen ook de handel en wandel van de geestelijkheid zelf kritischer zouden gadeslaan.

Zo stelden gelovigen zich steeds meer vragen over de aard van de christelijke kerk, die in de loop van de twaalfde en dertiende eeuw het toppunt van haar macht bereikte en grotere rijkdommen verzamelde dan ooit tevoren. Dat stond op gespannen voet met de prediking van matiging, bescheidenheid en zelfopoffering. De vrome leek kon uit deze paradox slechts één conclusie trekken: dat de kerk als instituut, inclusief de Heilige Vader in Rome, van het Rechte Pad was afgedwaald en corrupt geworden.

Overal in West-Europa, maar vooral in de steden, doken daarom autonome ‘evangelische’ lekenbewegingen op, onder aanvoering van charismatische lekenpredikanten. Sommige ‘spirituelen' werden tot ketters verklaard en te vuur en te zwaard bestreden door de officiële kerk. Onder hen waren de waldensen – volgelingen van de twaalfde-eeuwse lakenkoopman Pierre Valdo uit Lyon, die afstand had gedaan van zijn bezit en de armoede was gaan prediken.

Anderen hadden meer geluk. Zij werden onschadelijk gemaakt door hen te incorporeren in de kerk, zoals gebeurde met de volgelingen van Franciscus van Assisi (1181-1226), die het leven van Christus zo goed wist te imiteren dat op een onvergetelijke dag diens stigmata op zijn lichaam verschenen.

Een deel van de bovenmatige ‘nieuwe spiritualiteit’ die West-Europa vanaf de elfde eeuw overspoelde, werd gekanaliseerd via de succesvolle kruistochten en geweldscampagnes tegen kwetsbare, omstreden groepen als ‘ketters’, Joden, leprozen, homoseksuelen en ‘heksen’, die snel in frequentie toenamen. Deze periode zag ook de geboorte van de beruchte Inquisitie. Maar de opkomst van de kritische, zelfbewuste burgerij in de steden werd daarmee niet gestuit.

De kritiek van deze burgerij op de kerk is echter geen bewijs dat de kerk in die periode daadwerkelijk corrumpeerde. De maatstaven die de katholieke geestelijkheid zichzelf aan de vooravond van de protestantse Reformatie oplegde, waren waarschijnlijk hoger dan ooit het geval was geweest. Het probleem was echter dat een werkelijke vita apostolica alleen al om puur praktische redenen niet verenigbaar was met een hogere kerkelijke functie.

Maar het idee van een ‘verwereldlijkte’ en ‘corrupte’ kerk won aan kracht. Luther en Erasmus zouden het aangrijpen om hun wens tot een (verdere) hervorming van de kerk kracht bij de zetten. Aan historische correctheid hadden zij geen boodschap. Voor hen telden slechts de ahistorische, want eeuwige normen van het evangelie. En zij stelden terecht vast dat de toenmalige kerk daar niet aan voldeed.  

De uiteindelijke protestantse Hervorming was dus niets meer of minder dan het voorlopige eindstation van de succesvolle evangelisatie van de (Noord)west-Europese samenleving door de laatmiddeleeuwse kerk. Dat bewijst dat de katholieke kerk de spirituele overtuigingskracht had om gelovigen te inspireren tot navolging van haar leer. Je kunt je met recht afvragen of een daadwerkelijk gecorrumpeerde kerk daar ooit in zou zijn geslaagd. 


Meer weten

Boeken
De Britse kerkhistoricus Diarmaid MacCulloch schreef in 2003 een prachtig boek over het ontstaan en de betekenis van de Reformatie: Reformation. Europe’s House Divided. Het is in 2005 in het Nederlands vertaald als Reformatie. Het Europese huis gedeeld, 1490-1700. In de vertaling gaat de fijne schrijfstijl van MacCulloch helaas grotendeels verloren.

Dat geldt ook voor zijn minstens even fascinerende A History of Christianity. The First Three Thousand Years (2009), in hetzelfde jaar verschenen als De geschiedenis van het christendom en de naam van de auteur gespeld als ‘MacCullogh’ op de kaft. 

Een absolute aanrader blijft Eeuwen des onderscheids. Een geschiedenis van middeleeuws Europa van Wim Blockmans en Peter Hoppenbrouwers uit 2004. Zij laten zien dat de moderne samenleving veel te danken heeft aan de zogenoemde ‘donkere’ Middeleeuwen.

Het wisselende imago van de Middeleeuwen, dat niet alleen een tijdlang inktzwart, maar ook wel knalroze is geweest, is het onderwerp van Peter Raedts’ veel geprezen De ontdekking van de Middeleeuwen. Geschiedenis van een illusie (2011).

Dvd’s
In 2009 presenteerde MacCulloch een zesdelige televisieserie voor de BBC over de geschiedenis van het christendom. Hierin besteedt ook aandacht aan de minstens zo belangrijke geschiedenis van de christelijke kerken in Azië en Afrika. Diarmaid MacCulloch’s A History of Christianity verscheen in 2010 op dvd. Van de populaire serie The Borgias zijn inmiddels de eerste twee seizoenen op dvd verschenen: tenenkrommende dialogen en bovenmatig gecopuleer in een verder vermakelijke portrettering van de ‘Spaanse’ Borgia-paus als de ultieme antichrist.

Afbeelding: Paus Julius II, door Rafaël (1511-1512)