Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 2/2010

Duitsland: Altijd schuld en boete

Oorlog nog steeds bepalend in Duitse geschiedschrijving

Door: Willem Melching
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Boekhandel Die Weisse Rose in Amsterdam is een lustoord. Stapels Duitse boeken (voor Duitse prijzen!) zijn hier opgetast, het ene werk nog mooier en interessanter dan het andere. Uit het gevarieerde en hoogwaardige aanbod heb ik gekozen voor boeken die veel weerklank vinden in Duitsland: een cultuurgeschiedenis van de Bondsrepubliek, een analyse van de grote mythes van het Duitse volk en een tweetal studies over het oostfront in de jaren 1941-1944.


Axel Schildt en Detlef Siegfried hebben een cultuurgeschiedenis van de Bondsrepubliek geschreven waarin zowel high culture als massacultuur uitgebreid aan de orde komt. De nadruk ligt op West-Duitsland. Hier hebben de auteurs veel kritiek op gekregen, maar uiteindelijk was er van publiek debat in het Oosten nauwelijks sprake; dat maakt de cultuur al snel een stuk minder interessant.

Het boek is toegankelijk geschreven en nadrukkelijk bedoeld voor een groot publiek. Ten onrechte ontbreken Linda de Mol en Rudi Carrell, maar verder leest de index als een Who is Who van de Duitse cultuur. Zo staan niet alleen filosofen als Martin Heidegger en Peter Sloterdijk erin, maar ook acteurs als Bruno Ganz en Götz George. Dat lijkt me terecht, al was het maar omdat George in zijn rol als inspecteur Schimanski in Tatort heel wat verstandiger dingen te berde heeft gebracht dan Heidegger in Sein und Zeit.

In de eerste twaalf jaar na de oorlog oriënteerde de Duitse cultuur zich voor het eerst volledig op het Westen. Onder invloed van democratisering en amerikanisering namen Duitse schrijvers en kunstenaars definitief afscheid van Thomas Manns Unpolitischen en oriënteerden zich op het westerse model van engagement en de diskutierende Öffentlichkeit.

De auteurs maken een radicaal einde aan de jarenzestigmythe door de periode in tweeën te delen. De jaren 1957-1965 zien zij als de tijd van dynamiek, debat en politisering; de jaren 1966-1973 als een fase van transformatie en de definitieve doorbraak van welvaart, seks, drugs en rock-’n-roll.

In het boek is een drietal Leitmotive te herkennen. Allereerst de verwerking van het naziverleden. Veel Duitsers meenden al begin jaren vijftig dat het de hoogste tijd was om een Schlußstrich te trekken, maar dit thema is nooit meer verdwenen. Vrijwel alle kunstenaars van enige betekenis plaatsen het nationaal-socialisme, de oorlog en de Holocaust als een centraal thema in hun werk. Recentelijk zijn daar onderwerpen als de DDR en Duitsers als slachtoffer bij gekomen, maar ook hier staat de vraag naar schuld en boete centraal.

Een tweede thema is de debatcultuur, die Duitsland tot een van de interessantste culturen van Europa maakt. Om enkele recente onderwerpen te noemen: de Historikerstreit, het Holocaust-monument, gentechnologie, en meer recent ‘Multikulti’ versus Leitkultur.

Als derde thema is er de bloeiende populaire cultuur, die ondanks de onvermijdelijke amerikanisering nog altijd een sterke Duitstalige inslag heeft. Lang voor dat in Nederland populair was, zongen Duitse popgroepen al in hun moedertaal en bloeide de Duitstalige Schlager- en showcultuur.

De Berlijnse historicus Münkler heeft een aantal Duitse mythes bijeengebracht om ze vervolgens deskundig te ontmantelen. Mythes geven volgens hem samenhang aan de samenleving en zijn een belangrijke bron voor zoiets onbestemds als de ‘nationale identiteit’. Münkler meent dat technocratische politici geneigd zijn de kracht van mythes zwaar te onderschatten. Dit lijkt me een waar woord.

De strijd tegen ‘Rome’ door figuren als Arminius (Hermann) en Luther was natuurlijk identiteitsvormend. De Pruisische geschiedenis met roemruchte figuren als der alte Fritz en koningin Luise mag niet ontbreken. Ook plekken als Dresden, Neurenberg en de Rijn zijn ingrediënten voor mythes. Probleem is dat vrijwel al deze verhalen door het Derde Rijk zijn misbruikt en daarom voor altijd in diskrediet zijn gebracht. Barbarossa was een middeleeuwse keizer met een rode baard, maar ook het codewoord voor de grootste militaire operatie uit de wereldgeschiedenis, en daarmee synoniem voor een ongekende slachting.

Heel interessant is Münklers vergelijking tussen de Oost-Duitse mythe van het ‘antifascisme’ en de West-Duitse mythe van het Wirtschaftswunder. Beide mythes waren het ‘stichtingsverhaal’ van een nieuwe Duitse staat. Het Oost-Duitse regime creëerde de mythe van een effectief Duits verzet. Door deze erfenis te claimen schaarde de DDR zich aan de zijde van de overwinnaars. Dat gaf partij en staat legitimiteit. De bevolking, mits braaf onderdaan, kreeg daardoor automatisch absolutie voor de zonden van het Derde Rijk. In de loop der jaren ontwikkelde het antifascisme zich tot een ware eredienst waarin Buchenwald de rol van Golgotha en de communist Ernst Thälmann de rol van de Verlosser kregen.

In West-Duitsland was de komst van de D-mark op 20 juni 1948 en het daaropvolgende Wirtschaftswunder de centrale mythe. Anders dan in de DDR was het aanvankelijk een apolitiek verhaal, maar al snel kreeg de wederopbouw ook een politieke connotatie. Het Wirtschaftswunder bewees immers dat Duitsers op eigen kracht iets konden presteren zonder hun buren aan te vallen. Of, zoals Münkler fijntjes opmerkt: in plaats van het IJzeren Kruis kwam de Mercedes-ster. Symbolen van deze mythe waren de D-mark, de VW-Kever, Mercedes en de goedgemutste en immer sigaren rokende minister van Economisch Zaken Ludwig Erhard.

Uit het verschil in aantrekkingskracht van Trabant en Thälmann enerzijds en Kever en Erhard anderzijds, blijkt onmiddellijk welk systeem het sterkst was. Deze vergelijking sloopte op termijn de geloofwaardigheid van de DDR.

Enkele recente publicaties van het onvolprezen Institut für Zeitgeschichte gaan over het optreden van de Duitse bezetter aan het oostfront. Van de mythe van de ‘schone’ Wehrmacht, die zich anders dan de SS min of meer fatsoenlijk zou hebben gedragen, was sinds een legendarische tentoonstelling in de jaren negentig al weinig meer over. Deze bundels maken korte metten met de laatste illusies over een ‘zuivere’ Wehrmacht.

Per bundel wordt een aantal facetten van de oorlog uitgediept met onderwerpen als de massamoord op Joden en krijgsgevangen, propaganda en het beleg van Leningrad. Christian Hartmann beschrijft in zijn boek het militaire verloop van de strijd, maar het grootste deel gaat in op de behandeling van de bevolking, Joden, krijgsgevangenen en partizanen door de Wehrmacht. Dieter Pohl behandelt het gebied dat tot en met 1944 onder militair gezag stond, grofweg de driehoek Leningrad-Krim-Stalingrad. Thema’s van zijn onderzoek zijn verder de economische uitbuiting, het uithongeren van krijgsgevangenen en het massaal vermoorden van Joden, communisten en partizanen.

Ook zijn verhaal is een aaneenschakeling van gruweldaden. Pohl laat zien dat de Wehrmacht reeds vóór de inval betrokken was bij de planning van massamoord. Als verklaring voor het wangedrag wijst hij onder meer op raciale stereotypen van de ‘minderwaardige’ Slavische volkeren en de ideologisering van de Wehrmacht.

Kunnen we iets van deze Duitse geschiedschrijving leren? Nederlandse militair-historici werken al met dezelfde multidisciplinaire aanpak als hun (jonge) Duitse collega’s: een grote aandacht voor de politieke, ideologische en culturele context. Maar het werk over de Duitse cultuurgeschiedenis zou een lichtend voorbeeld kunnen zijn voor een Nederlandse tegenhanger, maar dan natuurlijk wél met Rudi Carrell en Linda de Mol.

Ook over Nederlandse mythes ten slotte valt veel te vertellen. Waarom niet eens een onderzoek naar onze ‘vrijheidsstrijd’ tegen Spanje, de pracht van de Gouden Eeuw, de wederopbouw van Lieftink en Drees en de wilde jaren vijftig? Werk aan de winkel, kortom!

Axel Schildt und Detlef Siegfried
Deutsche Kulturgeschichte. Die Bundesrepublik von 1945 bis zur Gegenwart
696 p. Hanser, € 24,90

Herfried Münkler
Die Deutschen und ihre Mythen
608 p. Berlin Verlag, € 24,90

Dieter Pohl
Die Herrschaft der Wehrmacht. Deutsche Militärbesatzung und einheimische Bevölkerung in der Sowjetunion 1941-1944
399 p. Oldenbourg Verlag, € 39,80

Christian Hartmann
Wehrmacht im Ostkrieg. Front und militärisches Hinterland 1941/42
928 p. Oldenbourg Verlag, € 59,80