Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 3/2008

Apartheid in Zuid-Afrika

Een wreed sociaal experiment

Door: Bas Kromhout
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Precies zestig jaar geleden kwam in Zuid-Afrika de Nasionale Party aan de macht. Doordrongen van een diepe ideologische en religieuze overtuiging probeerde zij een totale rassenscheiding door te voeren. Maar de economie besliste anders.

‘Vandaag behoort Zuid-Afrika ons weer toe.’ Met die woorden vierde Daniël François Malan, leider van de Nasionale Party, zijn overwinning in de parlementsverkiezingen van 1948. Met ‘ons’ bedoelde Malan de blanke Afrikaners. Een halve eeuw lang hadden zij zich achtergesteld gevoeld bij de Britten, door wie zij in de Boerenoorlog (1899-1902) waren verslagen. De verkiezingsoverwinning van de Nasionale Party hield in dat de emancipatie van de Boere was geslaagd. Maar de wederopstanding van deze minderheid betekende een nachtmerrie voor de overgrote meerderheid: de zwarte Zuid-Afrikanen. Met de verkiezingsoverwinning van Malan begon de invoering van een wreed sociaal experiment, dat de geschiedenis in zou gaan onder de naam ‘apartheid’.

Niet dat van rassenscheiding in Zuid-Afrika vóór 1948 geen sprake was. Blanken en zwarten woonden al in aparte wijken, reisden in aparte treinwagons en gebruikten aparte openbare toiletten. In 1913 vaardigde de regering de zogenoemde Land Act uit, die het zwarten verbood om grond te bezitten buiten een aantal stamreservaten. Ook was het illegaal om zonder toestemming van een blanke boer op diens land te wonen. Zulke bepalingen pasten in een patroon dat overal in de koloniale wereld gebruikelijk was. Dit was onrechtvaardig en racistisch, maar primitief vergeleken met het ideologisch hecht doortimmerde maatschappijmodel van de apartheid.

De theoretische grondslag van dit model werd grotendeels gelegd binnen de Nederduits-Gereformeerde Kerk (NGK). Centraal in de ontstaansmythe van het Afrikanervolk stond de zogenoemde Eed des Verbonds. In 1838 werd een groep pioniers of voortrekkers geconfronteerd met een grote Zoeloe-legermacht. De avond voor de veldslag baden de voortrekkers tot God en beloofden een kerk te zullen bouwen als Hij hun de overwinning schonk. De volgende dag hakten de Boeren de Zoeloes in de pan, in wat daarna de Slag bij Bloedrivier zou heten. De beloofde kerk is nog altijd te bewonderen in Pietermaritzburg.

Veel theologen van de NGK studeerden in Nederland. Aan het begin van de twintigste eeuw kwamen zij daar in aanraking met de ideeën van Abraham Kuyper. Vooral één aspect uit Kuypers leer knoopten zij goed in hun oren: soevereiniteit in eigen kring. Volgens Kuyper had God in de maatschappij een aantal deelterreinen geschapen waar de overheid niets te vertellen had. Dat waren bijvoorbeeld de familie, de school en de werkkring. Ook de verschillende naties die de aarde bevolkten behoorden tot deze ‘inzettingen’ van God.

Zoals in het Oude Testament stond, had God de torenbouwers van Babel gestraft door de volkeren te scheiden. Daarom was het de plicht van elke Afrikaner de eigenheid van zijn volk te bewaren door vreemde elementen te weren. De NGK voerde rassenscheiding in. Naast de blanke moederkerk werden aparte dochterkerken opgericht voor zwarten en ‘kleurlingen’. Zij stonden onder voogdij van de blanken, die God in Zijn goedheid naar Afrika had gestuurd om de niet-blanke volkeren op te voeden tot volwassenheid.

Rassenkunde
Niet alleen Nederland trok veel studerende Afrikaners; anderen volgden hun opleiding in Duitsland. Daar raakten ze in de jaren dertig in de ban van het nationaal-socialisme. Aan de universiteiten van Heidelberg, Leipzig en München leerden ze hun aloude raciale vooroordelen te verpakken in de moderne, semi-wetenschappelijke taal van vakken als rassenkunde en geopolitiek.

Filosoof Nico Diederichs zette na zijn terugkeer uit Hitler-Duitsland de nieuwe heilsleer uiteen in Nasionalisme as lewensbeskouing en sy verhouding tot internationalisme (1935). ‘Uitsluitend via zijn toewijding aan, zijn liefde voor en zijn dienstbaarheid aan de natie kan de mens een afgeronde, harmonieuze ontwikkeling van zijn volledige persoonlijkheid verwezenlijken,’ doceerde Diederichs. Oftewel: Du bist nichts, dein Volk ist alles.

Niet alleen de ideeën, ook de stijl van de nazi’s maakte grote indruk op jonge Afrikaners, die na de verloren Boerenoorlog op zoek waren naar een nieuw nationaal zelfbewustzijn. In 1938 werd de honderdste verjaardag van de Eed des Verbonds op haast ‘Neurenbergse’ wijze gevierd. Ouderwetse ossenwagens met in negentiende-eeuwse kledij gestoken ‘voortrekkers’ trokken van de Kaap naar Transvaal, onderweg begroet door duizenden uitzinnige toeschouwers. Eindpunt van de reis was een heuvel net buiten Pretoria. Hier werd, voor een 200.000-koppig publiek en omringd door geüniformeerde padvinders met brandende fakkels, de eerste steen gelegd voor het immense Voortrekkersmonument.

Rond deze tijd schoten overal in Zuid-Afrika fascistische partijen op, zoals Hans van Rensburgs Ossewa-Brandwag en de Nuwe Orde-beweging van Oswald Pirow. Belangrijker was dat de nieuwe theorieën over natie en ras doorsijpelden naar de enige Afrikaanse partij die er echt toe deed: de Nasionale Party (NP). Deze partij was in 1914 opgericht door Barry Hertzog, die als generaal had gediend in de Boerenoorlog.

Hertzogs doel was de Afrikaners zodanig te emanciperen dat zij hun Britse landgenoten als gelijken tegemoet konden treden. In 1933 achtte hij het doel bereikt. Hertzog besloot de NP te fuseren met de South-African Party (SAP) van Jan Smuts, die een grote aanhang had onder de Engelssprekende bevolking. Dat resulteerde in de Verenigde Party (VP). Vervolgens vormden ze samen een regering, met Hertzog als premier.

De coalitie tussen Britten en Boeren hield slechts zes jaar stand. Toen het Duitse leger in september 1939 Polen binnenviel, verklaarde Groot-Brittannië de oorlog aan Hitler. Hoewel Zuid-Afrika lid was van het Britse Gemenebest, wilde Hertzog dat Pretoria neutraal bleef. Daarmee verwoordde hij de gevoelens van veel conservatieve Afrikaners. Zij voelden sympathie voor de stamverwante Duitsers en waren niet bereid offers te brengen voor wat zij beschouwden als een ‘Engelse’ oorlog.

Maar de Zuid-Afrikaanse Volksraad koos met 80 tegen 67 stemmen vóór deelname aan de oorlog. Het betekende de val van Hertzog, die als minister-president werd vervangen door Smuts. Onder diens leiding trok Zuid-Afrika ten strijde tegen Hitler-Duitsland en zijn bondgenoten. Duizenden oorlogsvrijwilligers – ook Afrikaners – waagden hun leven aan het front in Noord-Afrika en Italië. Hierdoor steeg Zuid-Afrika’s reputatie in de wereld. Winston Churchill nodigde Smuts – die ooit generaal was in het Boerenleger – zelfs uit om lid te worden van zijn Britse oorlogskabinet.

Thuislanden
Ondertussen was de Nasionale Party, die nu werd geleid door predikant Daniël Malan, bezig aan een comeback. De partij kreeg steeds meer een nationaal-socialistisch gezicht. In 1940 liet Malan zich uitroepen tot volksleier van de Afrikaners. Ook keerde de NP zich tegen de immigratie van gevluchte Europese Joden en werd op initiatief van Hans Strijdom en Hans Verwoerd, die allebei later premier van Zuid-Afrika zouden worden, het lidmaatschap van de partij voor Joden verboden.

Behalve tegen het ‘Joods-Britse parlementarisme’ richtten de aanvallen van de NP zich meer en meer tegen de zwarte en gekleurde Zuid-Afrikanen. Malan nam het Smuts zeer kwalijk dat hij zwarten en kleurlingen opnam in de strijdkrachten, al was het slechts als chauffeurs en hospikken. In de NP-propaganda heette het dat de regering zwarten bewapende om op blanken (Duitsers) te schieten. Dit was niet minder dan verraad aan het eigen ras. De boodschap van de NP aan de Afrikaners was dat zij onder Smuts niet veilig waren voor het altijd dreigende ‘zwarte gevaar’.

Zelf meende Malan te weten hoe het Zuid-Afrikaanse ‘rassenvraagstuk’ voor altijd kon worden opgelost. Hij baseerde zich op de ideeën van Geoff Cronjé, hoogleraar sociologie in Pretoria. In 1945 publiceerde Cronjé ’n Tuiste vir die nageslag, dat beschouwd kan worden als het Das Kapital van de apartheidsideologie. Wilden de Afrikaners als minderheidsgroep overleven, aldus Cronjé, dan moesten de zwarten en de kleurlingen uit hun midden worden verwijderd en ondergebracht worden in zogeheten thuislanden.
Cronjé deed het voorkomen alsof dit in het voordeel was van de zwarten zelf. Zoals elke natie hadden ook zij recht op ‘een separaat huis […], waar zij op eigen kracht hun eigen nationaliteit langs hun eigen lijnen kunnen ontwikkelen, hun eigen cultuur kunnen creëren en hun eigen bijdrage kunnen leveren’. Dit klonk heel vriendelijk, maar er school een ongezouten racisme onder. Zo pleitte Cronjé eveneens voor een verbod op geslachtsverkeer tussen zwarten en blanken. Beïnvloed door de rassenkundige ideeën die hij tijdens zijn studie in Duitsland had opgedaan, waarschuwde Cronjé dat rasvermenging leidde tot monsterachtige mensen met te grote tanden, te kleine organen en een agressieve en ongeremde inborst.

Cronjé besefte dat totale apartheid ook van de Afrikaners offers zou vragen, vooral op economisch gebied. Zolang het zwarten waren die in de fabriek en op het land het vuile werk opknapten, bestond het gevaar dat zij op den duur geen genoegen zouden nemen met hun ondergeschikte positie. Zij zouden in verzet komen en het blanke bewind omverwerpen. Daarom moest de separatie zich ook tot het sociaal-economische terrein uitstrekken.

Met andere woorden, de blanken zouden hun zwarte werkkrachten verliezen, en zélf de spade, de pikhouweel en de bezem ter hand moeten nemen. En dan nog was de kans reëel dat de blanke economie schade opliep. Volgens Cronjé zat er niets anders op dan dit te accepteren. ‘Het voornaamste is niet het op peil houden van de goudproductie; het gaat erom het bloed van het blanke ras op langere termijn zuiver te houden.’

Soweto
Cronjés apartheidsmanifest kwam juist op een moment dat overal ter wereld het denken in rassenverschillen ter discussie stond. Hitler was overwonnen, koloniale rijken stortten in en in de Verenigde Staten was de zwarte burgerrechtenbeweging in opkomst. Wie echter hoopte dat Smuts na de strijd tegen het nazisme nu ook het racistische systeem in eigen land zou aanpakken, kwam bedrogen uit. In 1946 vaardigde de premier de zogenoemde Ghetto Act uit, volgens welke Indiërs slechts in duidelijk begrensde gebieden mochten wonen. Ook liet Smuts een zwarte mijnwerkersstaking met bruut geweld neerslaan.

Malans verkiezingsoverwinning van 1948 sloeg de laatste hoop op verandering in Zuid-Afrika de bodem in. Samen met zijn minister voor Naturellenzaken I, Hendrik Verwoerd, ging hij aan de slag om de Zuid-Afrikaanse samenleving om te vormen volgens de blauwdrukken van Cronjé.

Dit apartheidsproject verliep in grofweg twee fases. Allereerst werd de segregatie in de Zuid-Afrikaanse steden vervolmaakt. De stadscentra werden tot blank gebied verklaard; zwarte of gemengde wijken werden gebulldozerd. Zo moest in 1954 het kleurrijke Sophiatown in Johannesburg eraan geloven. De bewoners werden gedeporteerd naar een verafgelegen satellietstad van eenvoudige blokkendozen: de South-Western Townships of ‘Soweto’. Op de plaats van Sophiatown verrees een exclusief blanke middenstandsbuurt, die de naam Triomf kreeg. Hetzelfde procedé werd toegepast in vrijwel alle Zuid-Afrikaanse steden; in totaal werden 3 miljoen zwarten uit hun woningen verdreven.

De townships waren bedoeld als tijdelijk verblijf, voordat de zwarte en gekleurde bewoners zouden worden gedeporteerd naar de hun toegewezen thuislanden of Bantoestans. Dit was de tweede fase, die aanbrak toen Hendrik Verwoerd in 1958 premier werd. Op de nieuwe kaart van Zuid-Afrika was slechts 10 procent van het grondgebied aangewezen als leefgebied voor de zwarten, terwijl zij driekwart van de bevolking uitmaakten. Het waren bovendien de meest onaantrekkelijke delen van het land, zonder industrie, havens of hoogwaardige landbouw. De thuislanden fungeerden als gevangenissen, waar niemand uit kon ontsnappen zonder documenten, die alleen de blanke autoriteiten konden verstrekken.

Om de thuislandenpolitiek te legitimeren, stelde Verwoerd de Bantoestans onafhankelijkheid in het vooruitzicht. Dit was echter schijn. De thuislanden werden bestuurd door stamhoofden, die door de regering in Pretoria werden aangesteld. Democratie werd in de Bantoestans niet nodig geacht – dit was immers een ‘westerse’ uitvinding die vreemd was aan de inheems-Afrikaanse cultuur. Ook werd het voor de ‘separate ontwikkeling’ van de zwarten niet nodig gevonden dat zij hoger onderwijs zouden volgen. Het Bantoe-onderwijs moest eenvoudig zijn en mocht volgens Verwoerd ‘geen onjuiste verwachtingen bij de zwarte zelf wekken’.

Mandela
Volgens Verwoerd zouden alle zwarte Zuid-Afrikanen in 1978 zijn ‘teruggekeerd’ naar hun thuislanden. De zwarte townships rond de steden waren dan verschrompeld. Alleen een klein aantal zwarte ‘gastarbeiders’ zou tijdelijk in blank gebied wonen. Het bleek een hersenschim. Net als Cronjé had Verwoerd een romantisch beeld van de Afrikaner, als de eenvoudige Boer met zijn plaas, zijn gezin en zijn bijbel. Maar in de twintigste eeuw maakte Zuid-Afrika een enorme industrialisatie door, die zonder de massale inzet van goedkope zwarte arbeidskrachten onmogelijk was. Dankzij die industrialisatie hielden blanke Zuid-Afrikanen er een comfortabele levensstijl op na, en die gaven zij niet graag op.

Hoe hard Verwoerd ook riep dat de Afrikaners ‘liever arm en blank dan rijk en multiraciaal’ waren, het lukte hem niet de klok terug te draaien. Onder druk van het bedrijfsleven moest hij toestaan dat veel meer zwarten en kleurlingen in de ‘blanke’ zone werkten en woonden dan hem lief was. Verwoerd smeekte ondernemers om de meer arbeidsintensieve productie te verplaatsen naar de thuislanden. Maar gezien het ontbreken van infrastructuur en de grote afstand tot de afzetmarkt, hadden zij daar geen oren naar.

De snel groeiende industrie trok alleen maar meer zwarte arbeidskrachten, zodat rond steden als Kaapstad en Johannesburg gigantische sloppenwijken ontstonden. De bewoners werden dagelijks geconfronteerd met hun economische en politieke achterstelling en hun ressentiment tegen de blanke minderheid groeide navenant. Precies zoals Cronjé had gevreesd, zou dit uiteindelijk leiden tot opstand.

De strijd voor zwarte gelijkberechtiging in Zuid-Afrika begon vreedzaam. Het African National Congress (ANC), dat al sinds 1912 bestond, voerde in de jaren vijftig een campagne van burgerlijke ongehoorzaamheid. ANC-activisten reisden zonder pasje naar blanke gebieden en maakten openlijk gebruik van ‘blanke’ toiletten en treinstellen. In 1955 namen antiapartheidsgroepen het zogeheten Freedom Charter aan. Daarin stond: ‘Wij, het volk van Zuid-Afrika, verklaren […] dat Zuid-Afrika aan allen die er wonen toebehoort, zwart en blank, en dat geen enkele regering gerechtigd is aanspraak te maken op het gezag erover, tenzij deze op de wil van het hele volk is gebaseerd.’

Toen bleek dat Verwoerd en de zijnen niet voor rede vatbaar waren, werd het verzet tegen de apartheid gewelddadig. Op 21 maart 1960 openden politieagenten het vuur op een scholierendemonstratie in het township Sharpeville. Er vielen 69 doden. Dit was voor de jonge leiders binnen het ANC, zoals Nelson Mandela, Walter Sisulu en Oliver Tambo, aanleiding om een gewapende tak op te richten: de Oemkhonto we Sizwe (‘Speer van de Natie’) of MK. Op 16 december 1961, de jaarlijkse herdenkingsdag van de Slag bij Bloedrivier, pleegden MK-strijders voor het eerst bomaanslagen op overheidsgebouwen. Twee jaar later werden Mandela, Sisulu en andere ANC-leiders opgepakt en naar Robbeneiland verbannen.

Verwoerd werd in 1966 doodgestoken door een zwarte bode in het parlement. Zijn opvolger John Vorster was plaatsvervangend commandant van de paramilitaire tak van de Ossewa-Brandwag geweest, reden waarom hij aan het einde van Tweede Wereldoorlog was geïnterneerd. Als premier zette hij de apartheidspolitiek onverminderd voort. Dat leidde tot nieuwe confrontaties. Op 16 maart 1976 werden duizenden scholieren, die in Soweto demonstreerden tegen de verplichte lessen in het Afrikaans, door de politie met kogels onthaald. De rellen, die meerdere dagen duurden en oversloegen naar andere townships, eisten 176 mensenlevens.

Ondertussen opende Vorster een grootscheeps charmeoffensief om het buitenland te bekeren tot het apartheidsgeloof. ‘De dag zal komen, dat mensen van overzee naar Zuid-Afrika zullen komen om een studie te maken van hoe het mogelijk is dat mensen van verschillende kleuren, zeden en gebruiken in vrede en voorspoed kunnen samenleven,’ aldus de premier. De woorden ‘apartheid’ en ‘discriminatie’ werden geschrapt uit het overheidsvocabulaire en vervangen door prachtig klinkende termen als ‘plurale ontwikkeling’ en zelfs ‘plurale democratieën’. Het gevolg was dat de internationale gemeenschap hoop kreeg dat Vorster daadwerkelijke hervormingen wilde doorvoeren. Toen dat een misverstand bleek, keerde het charmeoffensief zich tegen Vorster. Het leidde in 1978 zelfs tot zijn val als premier.

Handelsboycot
Onder Vorster had Zuid-Afrika zich in allerlei militaire avonturen gestort om de zwarte bevrijdingsbewegingen in Namibië en Angola te bestrijden. De nieuwe premier Pieter Botha deed daar nog een schepje bovenop. Hij wilde van Zuid-Afrika een regionale grootmacht maken, die zijn buurlanden militair en economisch zijn wil kon opleggen. Het Zuid-Afrikaanse leger joeg tot over de eigen grenzen op ANC-‘terroristen’ en wist Mozambique en Swaziland succesvol onder druk te zetten om MK-strijders uit te leveren.

Tegelijk werd Zuid-Afrika’s militaire macht ernstig beperkt door een internationaal wapenembargo. Botha kon niets anders dan binnenlandse industriëlen vragen de ontbrekende wapens te leveren. Die eisten op hun beurt dat de belemmeringen voor de industrie, die voortkwamen uit het apartheidssysteem, werden weggenomen. Omdat er een schreeuwend tekort bestond aan geschoolde arbeidskrachten, werden de onderwijsbeperkingen voor zwarten opgeheven. Zwarte arbeiders werd toegestaan zich permanent rond de steden te vestigen, zonder dat ze hoefden terug te keren naar hun thuislanden.

Om in de economische behoefte aan geschoolde werkers en kapitaalkrachtige consumenten te voorzien, liet Botha toe dat er een Indische en ‘gekleurde’ middenklasse ontstond. Deze zouden bovendien eigen vertegenwoordigers krijgen in het parlement, dat volgens een ingewikkeld driekamermodel werd hervormd. Dit leidde tot een verhevigd verzet van de zwarte meerderheid, die nog altijd buiten alle politieke besluitvorming werd gehouden.

In 1984 brak er opnieuw opstand uit in de townships. Opstandelingen en autoriteiten raakten verstrikt in een dodelijke geweldsspiraal, die drie jaar duurde en aan ongeveer 3000 mensen het leven kostte. Slechts met behulp van het leger lukte het Botha om de opstand de kop in te drukken.

Duidelijk was echter dat Zuid-Afrika niet op dezelfde weg kon doorgaan. De opstanden brachten onnoemelijke schade toe aan de economie, die toch al zwaar onder druk stond door een internationale handelsboycot. Zuid-Afrika’s buitenlandse schuld was enorm, en de geldschieters werden zenuwachtig. In 1985 eist de Chase Manhatten Bank zijn uitstaande vorderingen op. Andere banken volgden, waardoor de Zuid-Afrikaanse regering op de rand van de financiële afgrond kwam te staan.

Het was Botha’s opvolger, Frederik Willem de Klerk, die zijn conclusies trok en definitief een streep zette door het apartheidsbeleid. Op 11 februari 1990 zagen miljoenen televisiekijkers over de hele wereld hoe Nelson Mandela als vrij man terugkeerde van Robbeneiland. Diezelfde Mandela werd in 1994 president van een nieuw Zuid-Afrika, dat zich nadrukkelijk profileerde als ‘regenboognatie’, waarin een gelijkwaardige plaats zou zijn voor alle huidskleuren.

De ideologen van de apartheid hadden een systeem ontworpen dat in de praktijk niet levensvatbaar bleek. Het was te duur en te inefficiënt voor bedrijven om te concurreren op de open wereldmarkt. Daarom moest de regering concessies doen, maar die brachten de ondergang alleen maar dichterbij. Blank Zuid-Afrika bleef drijven op zijn zwarte arbeiders, en toen die massaal in opstand kwamen, viel uiteindelijk het doek. Voor de keuze gesteld of ze liever ‘arm en blank’ of ‘rijk en multiraciaal’ waren, kozen de Afrikaners voor het laatste.


Meer informatie

Boeken

De gerenommeerde journalist Allister Sparks publiceerde in 1990 het boek De kust van de goede hoop. De geschiedenis van Zuid-Afrika, waarvan in 2004 de derde Nederlandstalige druk verscheen. Als Zuid-Afrikaan die een groot deel van de apartheidsperiode zelf heeft meegemaakt, weet hij veel details te geven. Tegelijk beschrijft hij op meesterlijke wijze de grotere historische verbanden.

De Britse politicoloog Adrian Guelke plaatst in Rethinking the Rise and Fall of Apartheid (2005) de ondergang van het apartheidsregime tegen de achtergrond van de mondiale politiek en economie. Guelke vergelijkt de economische mislukking van apartheid met de val van het communisme in Oost-Europa. Wie meer wil weten over het ANC en de strijd tegen apartheid kan terecht bij Nelson Mandela’s autobiografie De lange weg naar de vrijheid (1994).

In 2004 verscheen het eerste deel van de memoires van Japie Basson, een Afrikaans politicus die in 1939 trouw bleef aan de Verenigde Partij van Smuts. In Raam en rigting in die politiek, en die storie van apartheid vertelt Basson vanuit een insiderpositie over de diverse politieke mechanismen die hebben geleid tot de breuk tussen Britten en Boeren.

Om na de val van het apartheidsregime te voorkomen dat wraakgevoelens zouden leiden tot een spiraal van geweld, werd onder leiding van bisschop Desmond Tutu een Waarheids- en Verzoeningscommissie ingesteld. De Zuid-Afrikaanse schrijfster Antjie Krog vertelt in De kleur van je hart over de schokkende feiten die tijdens de zittingen aan het licht kwamen, en over de (on)mogelijkheid om de beulen te vergeven.

Film
Over de apartheid zijn meerdere speelfilms gemaakt. De bekendste is Cry Freedom (1987), over een blanke journalist die een boek wil schrijven over de jonge zwarte verzetsstrijder Steve Biko. Wanneer Biko in 1977 wordt vermoord, moet de journalist het land ontvluchten. De film A Dry White Season (1989), naar het gelijknamige boek van André Brink, gaat over een blanke onderwijzer die zich langzaam bewust wordt van het onrecht waarop zijn eigen comfortabele leven is gebaseerd.

Website
Op de site van het Apartheid Museum in Johannesburg (www.apartheidmuseum.org) vindt u filmpjes, foto’s en uitgebreide documentatie.