Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 12/2018

Migranten in de Gouden Eeuw

Hoe de Republiek leerde omgaan met verschillen

Door: Mirjam Janssen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

In de zeventiende eeuw nam het aantal vreemdelingen in de Republiek sterk toe. De extra arbeidskrachten waren goed voor de economie, vonden veel stadsbesturen. Maar er was ook kritiek: hadden die nieuwkomers wel de juiste mentaliteit? En hoeveel verscheidenheid kon het land eigenlijk aan?

Minstens tachtig keer moest Jan Soolmans zich voor de gereformeerde kerkenraad van Amsterdam verantwoorden wegens wangedrag. Hij maakte met iedereen ruzie, schold en vocht, sloeg zijn vrouw en zijn meid. Toch stond dat zijn zakelijk succes niet in de weg. De protestantse Jan was in 1585 na de val van Antwerpen naar de Noordelijke Nederlanden gevlucht en had er al snel zijn weg gevonden.

Eerst verdiende hij zijn geld met de import van suiker en peper, later begon hij een suikerraffinaderij aan de Nieuwezijds Achterburgwal. Deze fabriek, ’t Vagevuur genaamd, ontwikkelde zich tot de grootste en winstgevendste raffinaderij van de stad. Jan kon het breed laten hangen: hij hoefde niet bij zijn bedrijf te wonen, maar betrok met zijn gezin het huis Sterrenburg aan de chique Keizersgracht. Toen hij in 1626 overleed, zaten zijn weduwe en zijn enige zoon Marten er financieel uitstekend bij.

Marten studeerde even rechten in Leiden, al haalde hij er geen bul. Zijn grootste prestatie was een spectaculair huwelijk in 1633 met de regentendochter Oopjen Coppit. De bruid kwam uit een keurige juristenfamilie, die fortuin had gemaakt met de handel in graan en buskruit en al generaties in Amsterdam woonde. Oopjen bracht 35.000 gulden mee, Marten 12.000.
Om te pronken met hun rijkdom liet het stel zich vereeuwigen door een jonge schilder die net in de mode begon te raken: Rembrandt van Rijn. Hij schilderde hen levensgroot in opzichtige kleren. Vooral Marten spat van het doek in een geribd zijden pak met witte bloemen in de taille, een kraag van het duurste kant en hooggehakte schoenen met enorme rozetten. Waarschijnlijk kostte de opdracht algauw 1000 gulden, driemaal het jaarsalaris van een geschoold ambachtsman.
 
Maaiers, turfstekers en hooiers
De familie Soolmans bewees dat nieuwkomers in de zeventiende eeuw vlot konden doordringen tot de elite. En daarmee waren ze beslist niet uniek. Vanaf het moment dat de Noordelijke Nederlanden zich hadden afgekeerd van Filips II trokken ze veel migranten. Die kwamen af op de economische voorspoed, de verhoudingsgewijs redelijke sociale voorzieningen, de hogere lonen en de religieuze tolerantie. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden domineerden de calvinisten, maar zij waren niet machtig genoeg om hun geloof aan iedereen op te leggen. Katholieken, lutheranen, wederdopers en Joden hadden daardoor ruimte om hun eigen religie te beleven.

De migranten waren afkomstig uit heel Europa. Een grote groep bestond uit zuiderlingen, die op drift waren geraakt na de inname van Antwerpen door het leger van Filips II. Deze stad telde zeventien religies en 94 sekten die zich zeer tegen hun zin moesten bekeren tot het katholicisme. Zo’n 100.000 zuiderlingen verhuisden vanaf het eind van de zestiende eeuw naar de Republiek. Ze namen kapitaal en waardevolle ambachtelijke kennis mee. De meesten van hen waren calvinistisch, waardoor het protestantisme in het noorden naar verhouding toenam.

De tekst loopt door onder de afbeelding.


Op dit zeventiende-eeuwse schilderij van Sebastian Vrancx is te zien hoe de bevolking vlucht voor het oorlogsgeweld.

Uit de Duitse landen kwamen seizoenarbeiders naar het Nederlandse platteland. Ze werkten als maaiers, turfstekers, hooiers of steenbakkers. Duitse vrouwen gingen vaak aan de slag als dienstmeisje. Italianen leidden een ambulant bestaan als handelaar, marskramer of muzikant. Vanaf het eind van de zeventiende eeuw migreerden tienduizenden Franse protestanten, of hugenoten, naar het noorden. Ook vestigden zich Joden uit Oost- en Zuid-Europa in de Republiek.

Een grote werkgever was de Verenigde Oostindische Compagnie. In de twee eeuwen van haar bestaan stuurde de VOC bijna een miljoen mensen overzee. De helft daarvan was geboren in het buitenland. Veel zeelieden werden gemonsterd in Scandinavië, Duitsland en de Zuid-Nederlandse kustgebieden, en soldaten ronselde de VOC in de binnenlanden van Europa. De Noordsche Compagnie, die een monopolie had op de walvisvaart, huurde eveneens veel vreemdelingen in.
 
Tijdelijke woonruimte
De meeste nieuwkomers vonden werk in de steden, die in omvang explodeerden. Zo had Amsterdam in 1560 30.000 inwoners en in 1680 al 219.000. En Leiden, de tweede stad van het land, nam toe van 12.000 ingezetenen in 1581 tot 67.000 in 1665. Steden hadden de vreemdelingen hard nodig, want de natuurlijke aanwas was negatief. Er gingen door de slechte hygiëne veel meer mensen dood dan er geboren werden; migratie was de enige manier om te groeien.

Stadsbesturen verwelkomden nieuwkomers dan ook door hun tijdelijke woonruimte aan te bieden. Toch was niet iedereen enthousiast over hun aanwezigheid. Voor de uitoefening van vrijwel alle beroepen moest je lid zijn van een gilde. Maar vreemdelingen konden er pas lid van worden als ze officieel burgers, – ‘poorters’ – van een stad waren, en dat kostte enkele tientallen guldens – wat niet iedereen zich kon permitteren (zie kader). Joden werden openlijk gediscrimineerd. Zij mochten van de meeste gilden geen lid worden en konden geen poorter worden. Veel nieuwkomers konden alleen aan de slag in beroepen waarvoor geen gilde bestond of die de ingezetenen niet wilden uitoefenen. Dat gold bijvoorbeeld voor het werk van schoorsteenvegers.

Al die nieuwkomers kwamen naar een land dat zichzelf nog aan het uitvinden was

Regenten probeerden de gelederen eveneens gesloten te houden. Succesvolle en rijke zuiderlingen werden geweerd uit politieke functies en de lucratieve handel op de Oostzee was het domein van autochtone zakenlieden. Nieuwe ondernemers moesten zich daarom op riskantere ondernemingen richten, zoals onroerendgoedspeculaties. Toch viel er voor goede zakenlui en voor ambachtslieden met een slimme specialisatie flink geld te verdienen.

Alles bij elkaar verbleven er in de zeventiende en achttiende eeuw op 1,5 à 2 miljoen inwoners steeds vele tienduizenden mensen van buitenlandse afkomst in de Republiek. Gemiddeld kwamen er 4500 migranten per jaar bij. Veel nieuwkomers trokken zich terug in hun eigen gemeenschap vanwege de taal en de sociale steun. Zo kropen de Duitsers en Scandinaviërs bij elkaar in lutherse kerken en gingen de hugenoten naar de Waalse kerk, waar Frans werd gesproken. Maar na enkele generaties was er weinig verschil meer te merken met de oorspronkelijke bevolking. De integratie van Joden verliep moeizamer: velen van hen waren arm, en bleven Jiddisch spreken en zich afwijkend kleden. Tot in de achttiende eeuw vonden er regelmatig vechtpartijen plaats tussen christenen en de nog steeds openlijk achtergestelde Joden.
 
Een heus Nederlands volk
Al die nieuwkomers kwamen naar een land dat zichzelf nog aan het uitvinden was. De Republiek was op een voor die tijd ongehoorde wijze tot stand gekomen. Tegen alle regels in, en ook tegen de bedoeling van veel opstandelingen in, hadden de noordelijke gewesten zich afgescheiden van de wettige landsheer, Filips II. Een prangende kwestie was daarom of de Republiek der Nederlanden, met haar nogal toevallige grenzen, eigenlijk wel een echte natie was.

Geleerden probeerden het antwoord te vinden in de geschiedenis. Ze pluisden het verleden na en stuitten onder meer op de opstand van Bataven tegen de Romeinen in 69 n.Chr. Daarin zagen ze een voorafspiegeling van de strijd van de latere Republiek tegen de Spanjaarden. Zo bedachten ze met terugwerkende kracht een nationalistisch verhaal: het Nederlandse volk had altijd al bestaan en kon niet anders dan zich ‘bevrijden’ van zijn onderdrukkers. De afscheiding was daarom gerechtvaardigd, er bestond een heus Nederlands volk.

De tekst loopt door onder de afbeelding.


Door de vele nieuwkomers en de economische bloei moet Amsterdam uitbreiden. Kaart uit 1662 door Daniel Stalpaert.

Maar hoe hoorde dat volk zich dan te gedragen? En kon het uit verschillende geloofsgemeenschappen bestaan? Hierover ontstonden begin zeventiende eeuw hooglopende discussies. Streng gereformeerden streefden naar een land met één geloof, het orthodoxe calvinisme. Die opvatting speelde een rol in de theologische strijd tussen de contraremonstranten en de remonstranten, over de vraag of de mens was voorbestemd. De contraremonstranten waren daarvan overtuigd, maar de remonstranten meenden dat de mens invloed had op zijn lot. De verschillende opvattingen over predestinatie leidden tot felle confrontaties, waarbij vooral de contraremonstranten geweld gebruikten en een andere geloofsuitoefening onmogelijk probeerden te maken.

Kosmopolitisch ingestelde intellectuelen kozen de kant van remonstranten. Zij voelden meer voor de relativerende, humanistische traditie, die terugging tot de zestiende-eeuwse Desiderius Erasmus. Dat gold bijvoorbeeld voor de toneelschrijver Samuel Coster. Hij verweet de calvinisten openlijk hypocrisie en zag hen als een gevaar voor de samenleving.
De regent Cornelis Pieterszoon Hooft – de vader van de schrijver P.C. Hooft – moest niets hebben van het calvinistisch fanatisme, maar ook niet van vreemdelingen. Tijdens een toespraak in 1617 op het Amsterdamse stadhuis betoogde hij dat de intolerante sfeer en de gewelddadigheid door immigranten waren veroorzaakt. Hij wilde vreemdelingen weren uit politieke ambten en kerkenraden, want ze waren niet zoals de ‘echte’ Hollanders, die andere volken in trouw, ijver en eerlijkheid overtroffen. Met buitenlanders was het altijd gedonder, zelfs als je ze hielp. Volgens Hooft was de ervaring dat sociale instellingen niet ‘soo veel last hebben vande ingeboren Hollanders, als wel van andere natien’.

Een tegengeluid kwam van Gerbrand Adriaenszoon Bredero, die in 1617 de Spaanschen Brabander publiceerde, een blijspel waarin hij gevoeligheden aan de kaak stelde. Het verhaal speelde in het katholieke Amsterdam van 1577, maar voor de goede verstaander was het duidelijk dat de kritiek zijn eigen tijd betrof. Bredero beschrijft de belevenissen van een gevluchte Antwerpenaar die zich voordoet als een rijk man en zijn knecht, de volksjongen Robbeknol.

Bedelproblemen
De schrijver laat zien hoe velen worstelden met de toevloed van vreemdelingen. Nogal wat daarvan hadden geen rooie cent en veel Nederlanders stopten hun dan ook wat toe. Een blijk van naastenliefde dat het bedelprobleem juist vergrootte, vonden de autoriteiten, want zo kwamen er nog meer gelukszoekers naar het land – het Amsterdamse stadsbestuur had bedelen daarom verboden.

Bredero pleitte via zijn personages voor een einde aan de religieuze haarkloverijen en de xenofobie. Hij plaatste zich daarmee in de traditie van Erasmus, die had verklaard: ‘Het is mijn streven, een burger van de wereld te zijn.’
 
Tijdens de Synode van Dordrecht in 1618-1619 bediscussieerden de remonstranten en de contraremonstranten hun geschillen. De laatste groep won: literatuur, theater, schilderkunst en muziek golden opeens als verdacht en onzedelijk. Toneelstukken waren volgens de orthodoxe theologie bedenksels van de ‘vuylste Heydenen’ en acteurs waren ‘infaem’ volk. Het was al helemaal niet toegestaan bijbelverhalen uit te beelden en er kwamen strikte leefregels. Omdat ze werden gesteund door stadhouder Maurits zag het er even naar uit dat de contraremonstranten van de Republiek een calvinistische theocratie konden maken, waarin geen ruimte meer was voor andersdenkenden en andersgelovigen.

Uiteindelijk wonnen de gematigde krachten. In 1621 verloren de orthodoxe calvinisten in Amsterdam al hun meerderheid in het stadsbestuur. Maurits overleed in 1625, en zijn opvolger Frederik Hendrik stelde zich soepeler op. Het calvinisme bleef de toon zetten, maar er kwam geen strikte censuur en vele geloven en opvattingen konden naast elkaar bestaan. De Republiek bleef een land met een gemengde bevolking, waar zich elk jaar nieuwe migranten meldden, met hun ideeën, gewoontes en religies.
 

Mirjam Janssen is historicus en journalist.
 
 
Poorterschap gratis bij een huwelijk
Aantrekkelijke vrouwen
Meer dan de helft van de Amsterdamse vrouwen die in de zeventiende eeuw voor het eerst trouwden, was niet in de stad geboren. Een kwart kwam elders uit de Republiek, een kwart uit het buitenland. Van de bruidegoms was bijna 70 procent niet uit Amsterdam afkomstig: een kwart was elders in de Republiek geboren, bijna 45 procent in een ander land.
Amsterdamse vrouwen die dochters van poorters waren, waren aantrekkelijk voor buitenlandse mannen. Poorters konden lid worden van gilden en bestuursfuncties uitoefenen. Wie een dochter van een poorter trouwde, kreeg het poorterschap gratis. Dat scheelde veel geld – anders moest de nieuwkomer er tientallen guldens voor betalen – en leverde bovendien toegang tot een interessant zakelijk netwerk op.
 
Bloeiend intellectueel leven
Vijf universiteiten
Ook het intellectuele leven in de Republiek was divers. Willem van Oranje had in 1575 gezorgd voor de oprichting van een universiteit in Leiden. Die was nodig om zelf theologen en mannen voor het landsbestuur op te leiden. De universiteit had een goede internationale reputatie door de grote geleerden die zich eraan verbonden. Zo gaven de humanisten Justus Lipsius, Josephus Justus Scaliger, Snellius en Daniël Heinsius, en de theologen Franciscus Gomarus, Gerard Vossius en Jacobus Arminius er les. Studenten uit heel Europa kwamen daaropaf – midden zeventiende eeuw was hun aandeel meer dan 50 procent. In 1585 kreeg ook Franeker een universiteit. Later volgden Groningen (1614), Utrecht (1636) en Harderwijk (1648).
 
Meer weten
Vijf eeuwen migratie. Een verhaal van winnaars en verliezers
(2018) door Leo en Jan Lucassen.
De hartenjager. Leven werk en roem van Gerbrandt Adriaensz. Bredero (2018) door René van Stipriaan.
Marten en Oopjen (2016) door Jonathan Bikker.
Website van het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten