• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    ‘Er gloort weer een toekomst voor het socialisme’

    De stelling

    Een vast panel van drie historici reageert op de stelling: ‘Er gloort weer een toekomst voor het socialisme’

    Eva Rovers
    ‘Alleen wanneer het socialisme met de tijd meegaat, en niet langer doet alsof sociaal-economische rechtvaardigheid een op zichzelf staand onderwerp is. Gelukkig begint langzaam het besef door te dringen dat problemen als financiële crises, klimaatverandering, sociale ongelijkheid, agressief populisme en rammelende democratieën met elkaar samenhangen. Ze zijn het resultaat van het doorgeslagen neoliberale systeem.
    Het socialisme heeft zich vleugellam laten maken door dat systeem, terwijl het juist een alternatief had kunnen bieden. Friedrich Hayek en Ludwig von Mises, de geestelijk vaders van het neoliberalisme, waarschuwden in de jaren dertig dat programma’s zoals Roosevelts New Deal en andere vormen van overheidssteun konden ontaarden in woekerende staatsbemoeienis. Om de vrijheid van burgers te garanderen, zou de rol van de overheid beperkt moeten blijven.
    Maar dat idee werd gekaapt door het bedrijfsleven en het grootkapitaal, die om heel andere redenen voordelen zagen in beperkte overheidsbemoeienis. Het gevolg is dat burgers juist het slachtoffer werden, met een totaal uitgekleed sociaal stelsel, falende uitvoeringsinstanties en een hopeloze bureaucratie. Wil het socialisme een alternatief bieden, dan zal het de politieke macht van de burger dus moeten vergroten. Niet langer paternalistisch willen strijden vóór de burger — als stemvee — maar deze omarmen als meebeslissers en -denkers bij de besluitvorming over moeilijke hedendaagse vraagstukken. Dan gloort er inderdaad hoop.’
     
    Martin Sommer 
    ‘Voor geen enkele massabeweging gloort nog een toekomst. Dus ook niet voor het socialisme, dat nauw is verbonden met een klasse van fabrieksarbeiders die sprekend op elkaar leken, met elkaar werkten en leefden en samen streden voor — naar Domela Nieuwenhuis — het ‘recht voor allen’. Iedereen kent de filmpjes van de pont waar al die petten dragende fietsers afreden, of van de verkiezingsuitslagen met al die precies eendere mannen die staan toe te kijken.
    Dat bestaat niet meer. Mensen willen zich nog best inzetten, maar niet als groep. Voor een eenmalige demonstratie voor het klimaat lopen jongeren nog wel warm, maar niet voor het lidmaatschap van de bond. Wat resteert van het klassieke socialisme is de overheidsbetuttelling. Ik heb net de nieuwe biografie van Den Uyl gelezen. Die schreef in 1951 dat de overheid zich zo ongeveer met alles diende te bemoeien, tot en met een zinvolle vrijetijdsbesteding.
    Dat kwam hem op een uitbrander van Drees te staan. Die keerde zich tegen overheidsdienaren “die zich ten onrechte een alzijdigheid van kennis en oordeelsbevoegdheid toekennen ten opzichte van hetgeen voor de bevolking het beste is. Wij moeten ons bij overheidsbemoeiingen op het werkelijk essentiële concentreren”. In dat opzicht leven we opnieuw in Den Uyls gloriejaren: de jaren zeventig.’



    Beatrice de Graaf
    ‘Op dit moment pluis ik voor onderzoek stelselmatig krantenartikelen door vanaf het einde van de negentiende eeuw. Het valt daarbij enorm op dat de opkomst van het klassieke socialisme en de eerste socialistische partijen — in Duitsland, maar ook in Nederland — samenhing met het vermogen van de vakbonden om de achterban te mobiliseren middels stakingen, demonstraties en petitionnementen. De vakbonden wisten de arbeiders echt tot een klasse te smeden, verbonden door de klasse-eigen belangen.
    Ook gaven ze deze nieuwe klasse hoop: het ging de vakbonden en partijen om zogenoemde verheffing. Daar werd ook veel in geïnvesteerd. De vakbonden en partijen gingen het land in, organiseerden scholing, deelden boeken uit, hielpen mensen met de huur. Vergelijk dat eens met het huidige politieke landschap, waarin vakbonden en partijen vooral meningen mobiliseren. Alleen de SP maakt nog werk van scholing en actievoeren, maar zij geniet nauwelijks nog steun van de vakbonden.
    Het grootste verschil is dat “verheffing” niet meer werkt. Daarom denk ik niet dat het klassieke socialisme toekomst heeft. Het socialisme had bij al zijn emancipatoire energie ook iets enorms paternalistisch. En mensen willen niet langer “verhefd” worden. Bovendien hebben de meeste mensen niet langer het idee dat ze deel uitmaken van een klasse — ze identificeren zich eerder met een lifestyle.’

    Eva Rovers is cultuurhistoricus en biograaf
    Martin Sommer is historicus en journalist van de Volkskrant 
    Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Utrecht