Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

Hitler: een waardeloze soldaat

Door: Johannes Houwink ten Cate

Historisch Nieuwsblad 10/2010
In Mein Kampf en in zijn toespraken schiep Adolf Hitler de mythe dat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog met overgave had gevochten aan het front. In werkelijkheid was hij een Etappenschwein, een lafaard. Veel van zijn vroegere kameraden moesten na de oorlog dan ook niets van hem hebben.

Rijkskanselier en rijkspresident Adolf Hitler verscheen niet vaak in het parlement. Daar had hij het te druk voor; bovendien was hij ervan overtuigd dat ‘de minste voermansknecht’ het vaderland grotere diensten had bewezen dan ‘het allerbeste parlementslid’. Op 1 september 1939 sprak hij de parlementariërs wel toe. Hij verklaarde dat Duitsland en Polen met elkaar in oorlog waren en onthulde het niet-aanvalsverdrag met de Sovjet-Unie. Hij betoogde ook dat hij een onwrikbaar vertrouwen in de Wehrmacht had.

‘Toen ik dit leger onder de wapenen riep en wanneer ik nu van het Duitse volk offers eis en, indien noodzakelijk, alle offers, dan heb ik een recht daartoe. Want ik ben ook zelf vandaag precies zo bereid om elk persoonlijk offer te brengen als ik dat vroeger was. Ik verlang van geen enkele Duitse man iets anders dan ikzelf meer dan vier jaar lang vrijwillig bereid was elk moment te doen. […] Ik wil niets anders nu zijn dan de eerste soldaat van het Duitse Rijk. Daarmee heb ik weer die wapenrok aangetrokken die voor mij vroeger zelf de heiligste en de kostbaarste was. En ik zal die wapenrok pas na de overwinning weer uittrekken, of ik zal dit einde niet beleven!’

Hitler had zichzelf als held uitgevonden toen hij na zijn mislukte staatsgreep in 1923 zijn politieke autobiografie Mein Kampf schreef. Daarin vertelt hij hoe hij ‘ten prooi aan overweldigende geestdrift’ op zijn knieën was gevallen om de hemel ‘uit de diepte van mijn overvol hart’ te danken voor het uitbreken van de oorlog. Voor de onopgeleide en semi-werkloze man van 25 jaar die als kunstschilder te weinig talent had gehad en er op een vage manier van droomde ooit een beroemd architect te worden, was de oorlog een godsgeschenk.

Eindelijk wist hij wat hij wilde. De Oostenrijkse Hitler wilde soldaat zijn, niet voor de Habsburgse monarchie, maar voor Duitsland. Op 3 augustus 1914 schreef hij een verzoek aan de Beierse koning om in een Beiers regiment dienst te mogen nemen. Naar eigen zeggen kreeg hij per kerende post toestemming. Zijn vreugde en dankbaarheid ‘kenden geen grenzen’. Een paar dagen later droeg hij het uniform, dat hij pas zes jaar later weer zou uittrekken, als een van de meer dan 2 miljoen Duitsers die vrijwillig dienst namen.

Met deze verzonnen brief van de koning begon Hitler zijn eigen oorlogsgeschiedenis. Dit was zeker niet de enige leugen over zijn bestaan als soldaat van het 16e Beierse Reserve Infanterie Regiment. In de officiële geschiedenis uit 1932 van dit regiment komt Hitler nauwelijks voor. Hij was namelijk helemaal geen grote held geweest, maar een Etappenschwein, een lafaard die steeds buiten het bereik van de vijand wist te blijven.

Anders dan vaak wordt beweerd, bestond zijn regiment niet uit vrijwilligers, maar voor het merendeel uit slecht uitgeruste half-fitte dienstplichtigen van het zeer katholieke Beierse platteland, die tijdens een spoedcursus van tien weken hadden geleerd verouderde geweren te gebruiken, een tent op te zetten en wat drinkwater te koken. Niettemin hoopten zij op een snelle overwinning om Kerstmis thuis te kunnen vieren.

Hun vuurdoop vond plaats bij Ieper op 29 oktober 1914 en duurde vier dagen. Het goede nieuws was dat aan hen het nieuwe standaardgeweer was uitgereikt. Het slechte nieuws dat ze geen idee hadden hoe ze het moesten gebruiken. Het resultaat was een slachting. Het regiment werd gedecimeerd van 3000 tot 750 man; de overigen sneuvelden of raakten gewond.

Van de 25 officieren stonden er nog vier overeind. Wie nog kon lopen werd bevorderd, en Hitler dus ook. Hij werd Gefreiter: hij was niet eens korporaal, hij voerde over niemand het bevel, maar hij werd ordonnans en een van de vier koeriers van het achter het front gelegen hoofdkwartier van het regiment. Begin december werden zestig man gedecoreerd met het IJzeren Kruis 2e Klasse; de vier koeriers hoorden daarbij, omdat zij hun commandant, die te vroeg uit zijn dekking was gekomen, met gevaar voor eigen leven hadden verdedigd. Voor Hitler, die eindelijk het gevoel had dat hij ergens bij hoorde, was de dag waarop hij werd onderscheiden ‘de gelukkigste dag van mijn leven’.

De mannen in de loopgraven keken hier wat anders tegenaan. Zij stonden lange maanden tot hun knieën in de modder en het water, in loopgraven die half op instorten stonden. Alles aan hen was doorweekt, tot hun brood aan toe. Het regiment raakte gedemoraliseerd, en hervond daarop het katholieke geloof. Daarmee hadden de officieren niet het minste probleem, maar wel met de manier waarop het regiment de kerstgedachte in praktijk bracht.

Nadat Britten daarmee waren begonnen, klom op tweede kerstdag 1914 minstens de helft van het regiment de loopgraven uit, liep het niemandsland in, zong kerstliederen, maakte een onwennig dansje met de tegenstanders, en wisselde als geschenken sigaretten, ansichtkaarten, plumpudding en bier uit. Hitler identificeerde zich met de officieren in het hoofdkwartier en hield zich hier verre van. In zijn oorlogszuchtige beschouwingen in Mein Kampf paste dit vredelievende verhaal al helemaal niet. Nadat officieren van beide kanten deze spontane verbroedering als hoogverraad strafbaar hadden gesteld, eindigde deze wapenstilstand, die ook elders aan het Brits-Duitse front voorkwam.

Terwijl het regiment wachtte op verdere versterkingen, bleef het regenen. De mannen, die er inmiddels uitzagen als ‘lopende kleimonsters’, kregen eerst luizen en daarna tyfus. Hitler wilde wraak op de Britse troepen. Zijn medestrijders wilden vooral naar huis, maar werden gelegerd bij Tourcoing, tussen Lille en de grens met België.

Op 12 maart 1915 wachtte Hitler in de commandopost van het hoofdkwartier een paar honderd meter achter het front af. De officieren stuurden het regiment bij Neuve Chapelle in een tegenaanval. Het liep regelrecht tegen een muur van Brits machinegeweervuur aan. Elk machinegeweer vuurde zeshonderd kogels per minuut. De mannen werden neergemaaid.

Ongeveer 20 procent van het regiment sneuvelde of raakte gewond. Begin mei vielen er opnieuw zeshonderd doden en gewonden aan kant van het 16e regiment. Honderden Britse soldaten lagen in het niemandsland te creperen. Hun gekreun was aan beide kanten van het front te horen; de zoete stank reikte tot een kilometer ver.

Hitler had er niet de minste last van. Hij was koerier van het hoofdkwartier, lag ’s nachts warm en overdekt op een luisvrij bed, en bracht met de benenwagen boodschappen naar de hoofdkwartieren van de bataljons die samen het regiment vormden. Dat was gevaarlijk werk, net als al het werk van dit regiment. Maar al in 1914-1915, tien jaar voordat hij Mein Kampf schreef, deed hij het in brieven naar huis voorkomen alsof zijn werk extreem gevaarlijk was. Elke dag moet ik de dood ‘recht in het gezicht’ zien, schreef hij. In werkelijkheid kwam hij nauwelijks aan het front. In Mein Kampf gaf hij er weer andere draai aan; daarin vergat hij te schrijven dat hij koerier was geweest, zodat de indruk moest ontstaan dat hij altijd in de loopgraven had gestaan.

De volgende herfst, die van 1915, was even nat als de vorige. Het hoofdkwartier zat droog, maar in sommige loopgraven stond het water een meter diep. Voor muizen en ratten was het er ideaal. Voor de soldaten wat minder, vooral als de ratten aan de handgranaten knabbelden. Hitler lag in het hoofdkwartier te lezen.

Tot de zomer van 1916 bleef het rustig aan het front. Het regiment nam het ervan; er werd geklaagd wanneer het bier niet koud genoeg was of niet van de tap kwam. De soldaten gingen in Lille de kroeg in en bezochten de lokale vrouwen. Hitler, een overtuigd geheelonthouder, ging de gewone manschappen uit de weg en het hoeren en snoeren ook. Met het geloof had Hitler evenmin iets, net als de vier officieren in het hoofdkwartier die hij, gedienstig als hij was, beschouwde als de hoofden van zijn surrogaatfamilie.

Bij de vijftig andere onderofficieren en manschappen in het hoofdkwartier voelde hij zich op zijn gemak, zoals hij zich bij zijn moeder op zijn gemak had gevoeld. Het object van zijn liefde was een Britse deserteur: de witte terriër die hij ‘Foxl’ – ‘kleine vos’ – had gedoopt. Hij leerde zijn hond kunstjes en genoot van diens gehoorzaamheid.

Zijn collega’s vonden Hitler een onpraktische boekenwurm zonder leidinggevende kwaliteiten. Ze grapten dat hij nog in een vleesconservenfabriek van de honger zou sterven, omdat hij anders dan zij niet met zijn bajonet een blik vlees kon openmaken. Wanneer hij niet las, tekende hij karikaturen. Brieven schreef hij niet meer, want hij had niemand meer om aan te schrijven. Bevorderd worden wilde hij evenmin. Hij vond het goed zo.

Medio juli 1916 boekte het regiment een eerste echte overwinning, in een gevecht met Australische troepen. Toen de mannen begrepen dat zij in de slag aan de Somme zouden worden ingezet, waar gifgas werd gebruikt, werden ze bang. Op de vierde dag van het regiment in die veldslag, op 5 oktober, raakte een lichte Britse granaat de hut waarin de koeriers verbleven. Drie koeriers werden gewond, onder wie Hitler; hij had granaatsplinters boven in zijn linkerdij. In Mein Kampf schreef Hitler echter: ‘Ik kwam zonder verdere ongelukken uit de frontlijn en moest met een transport naar Duitschland.’

Van veel anderen kon dat niet worden gezegd. In totaal sneuvelden 335 mannen van het regiment aan de Somme en raakten 827 man gewond. Alleen de vuurdoop in 1914 was nog verwoestender geweest. Bij gebrek aan gevechtskracht werd het regiment, waarvan in de loop van de oorlog in totaal 16.000 mannen deel hebben uitgemaakt, uit de strijd gehaald.

Hitler bleef twee maanden in een ziekenhuis bij Berlijn. Terwijl zijn regiment in de modder lag, bekeek hij de architectuur en musea van Berlijn, waar hij nog niet eerder geweest was. Daarna bleef hij tot maart 1917 in München. De oorlogsmoeheid van de bevolking ergerde hem. Bovendien was hij onder gewone burgers weer de nietsnut die hij voor de oorlog was geweest. Hij smeekte om terug te mogen naar zijn oude regiment en zijn kameraden van weleer. Dat mocht.

Eind 1917, nadat Rusland en Italië de oorlog hadden gestaakt, verheugde Hitler zich op de aanstaande overwinning. Maar het Duitse voorjaarsoffensief kostte tussen maart en juli 1918 de levens van 800.000 soldaten, van wie er 482 tot Hitlers regiment behoorden. Als helper van zijn officieren liep Hitler op 4 augustus 1918 tegen zijn tweede onderscheiding aan, het IJzeren Kruis 1e Klasse, dat hem werd verleend op voorspraak van adjudant Hugo Gutmann, een Joodse officier.

Twee maanden later werd Hitler met andere koeriers slachtoffer van mosterdgas. Hij raakte verblind, maar in de kliniek waarin hij na aankomst in Pasewalk, ten noordoosten van Berlijn, werd verpleegd kwam hij niet terecht op de oogheelkundige afdeling. Hij werd verpleegd op de afdeling Psychiatrie, wegens oorlogshysterie. In Mein Kampf schreef hij alleen dat het weer zwart werd voor zijn ogen toen hij van de wapenstilstand hoorde. Hij wankelde terug naar de slaapzaal, drukte zijn hoofd in deken en kussen, en huilde voluit, voor het eerst ‘sinds den dag, dat ik aan het graf van mijn moeder had gestaan’.

In Mein Kampf schrijft Hitler dat hij daar en toen besloot politicus te worden. Keizer Wilhelm II, de marxisten en de Joden zouden het Duitse leger hebben verraden. Hij schreef ook dat hij eind november 1918 naar München ging, naar het depotbataljon van zijn regiment. Toen hij daar merkte dat de socialistische ‘soldatenraden’ van de Joods-socialistische politicus Kurt Eisner de macht hadden overgenomen vertrok hij zo snel mogelijk, omdat het hem tegen de borst stuitte.

Hitler bleef in München en sloot zich juist aan bij de radenrepubliek, die hij in Mein Kampf later als verwerpelijke ‘Jodenheerschappij’ zou wegzetten. Hij liet zich kiezen in de raad van zijn bataljon. Op filmbeelden van de begrafenis van de vermoorde Eisner op 26 februari 1919 is te zien hoe Hitler met enkele andere mannen uit zijn bataljon achter de baar aan liep met twee armbanden om: een zwarte rouwband en een rode band in de kleur van de socialistische revolutie. Nadat de Sovjetrepubliek was uitgeroepen, was Hitler opnieuw verkiesbaar, en werd hij de plaatsvervangend bataljonsvertegenwoordiger die het contact onderhield met het ministerie van Propaganda van de nieuwe socialistische regering.

Tot Hitler op 12 september 1919 zijn eerste vergadering van de marginale Deutsche Arbeiter Partei bijwoonde, lag zijn politieke toekomst open. Dat werd zijn nieuwe tehuis. Hij probeerde zo veel mogelijk mannen uit zijn vroegere hoofdkwartier te rekruteren voor zijn nieuwe partij, waarin hij als een komeet omhoogschoot. Maar de meeste veteranen gingen hem uit de weg, omdat zij in hem het Etappenschwein van vroeger zagen. Later werden wel de meeste naaste kameraden uit het hoofdkwartier van het regiment lid van Hitlers politieke partij, maar van het regiment als geheel werd meer dan 80 procent nooit ofte nimmer partijlid.

Zij geneerden zich daar niet eens voor. In de herfst van 1934 organiseerde de nazipropagandamachine een grote reünie van Hitlers regiment. Omdat zoals verwacht de opkomst van regimentsleden laag was, marcheerden er allerlei andere mensen als figuranten mee, tot postbodes aan toe. De partijkrant maakte er niettemin iets moois van en benadrukte opnieuw dat Hitler als gewone soldaat uit de rangen van zijn regiment omhoog was gekomen om Duitsland te redden.

Hitler zelf bleef voor de zekerheid thuis, want hij durfde zijn regimentsleden niet onder ogen te komen. Een veteranenvrouw schreef een dag later: ‘Ik hoop dat spoedig de dag zal aanbreken dat Hitler bij zijn kameraden kan zijn. Mijn hart bloedt dat er nog steeds kameraden zijn wie het ontbreekt aan de heiligste en innerlijke overtuiging dat Hitler de toekomst heeft. Dat is de reden dat Hitler niet [aan de reünie] kan deelnemen. Ik begrijp dit volledig, hoewel ik maar een vrouw ben.’


Meer weten?

Dit artikel is gebaseerd op Thomas Webers Hitler’s First War. Adolf Hitler, The Men of the List Regiment, and the First World War (2010). De moeite waard zijn ook Ian Kershaw, Hitler. De biografie (2008) en Richard Overy, Dictators. Hitlers Duitsland en Stalins Rusland (2005).
De citaten uit Mein Kampf zijn ontleend aan de geautoriseerde Nederlandse vertaling door Steven Barends (1939).

Afbeelding: Hitler als WOI-soldaat (uiterst links)
 

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen