Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten

De rechtvaardige oorlog

Amerikanen verkopen hun militaire acties net als de Romeinen

Op momenten dat de president van de Verenigde Staten een militaire interventie aankondigt, geeft hij altijd een rechtvaardiging. Oorlog voeren doe je niet zomaar, zelfs al ben je de allersterkste. De Amerikanen lijken hierin op de Romeinen, die met het zwaard hun wereldrijk uitbreidden. Ook zij presenteerden zichzelf graag als de good guys.

Door: Key Tengeler

Op 19 maart 2003 kondigde president George W. Bush de militaire operatie Iraqi Freedom aan. Hij verzekerde het Amerikaanse volk dat de gevaren die het land en de rest van de wereld bedreigden, overwonnen zouden worden. Amerika zou overal vrede en vrijheid brengen: 'We will defend our freedom, we will bring freedom to others, and we will prevail.' Een Romeinse consul had het zijn volk niet beter kunnen zeggen.

Oorlogvoering is van alle tijden, maar de manier waarop en de redenen waarom militaire actie wordt ondernomen, verschillen per periode en per situatie. Een Amerikaanse president wil democratie verspreiden of, vanuit een cynischer blik, grondstoffen veiligstellen voor de Amerikaanse industrie. Een Romeinse generaal zou daarmee totaal niet bezig zijn geweest. Hij was eerder uit op persoonlijke glorie en de rijkdom die een plundertocht hem en zijn familie kon schenken.

 

Toch komen de Amerikaanse en Romeinse leiders op één punt sterk overeen: ze moeten hun acties rechtvaardigen tegenover het volk. En dat doen ze op verrassend vergelijkbare wijze. Zowel in de Amerikaanse als in de Romeinse cultuur keurde men oorlogvoering in principe af. Je hoorde je niet zomaar het grondgebied van een ander toe te eigenen. Maar soms was een oorlog noodzakelijk. Waarom? Omdat de burgers in gevaar waren.

 

Accidental empire

De negentiende-eeuwse historicus Theodor Mommsen noemde het idee dat een land alleen oorlog voert uit zelfverdediging ‘defensief imperialisme’. Hij verklaarde met dit concept hoe het enorme Romeinse Rijk was ontstaan uit het kleine stadstaatje Rome. Het rijk was ‘per ongeluk’ ontstaan: de Romeinen reageerden simpelweg op dreigingen van buitenaf.


Als een vijand aan de grens stond, koos Rome de aanval als de beste verdediging. De Romeinen plaatsten een preventive strike. Naarmate de grenzen opschoven, stonden er telkens nieuwe vijanden klaar om het Romeinse grondgebied binnen te vallen, zodat Rome weer de aanval koos. Uiteindelijk ontstond zo beetje bij beetje het Romeinse Rijk, als een ‘accidental empire’.

In de loop van de twintigste eeuw werd het idee van defensief imperialisme en het ontstaan van een accidental empire in het Westen zeer populair. Het gaf namelijk ook een prettige rechtvaardiging voor de moderne koloniale rijken. De westerse mogendheden konden er niet zoveel aan doen dat ze overzeese gebieden controleerden, het gebeurde per ongeluk.

De Verenigde Staten waren het accidental empire bij uitstek. Al vanaf de oprichting modelleerden de VS zich naar het oude Rome. Toen na de Tweede Wereldoorlog de oude Europese machten wegvielen – en aan het eind van de twintigste eeuw ook de Sovjet-Unie – vonden de VS zich 'onopzettelijk' in de positie van dominante militaire macht. De vergelijking met Rome won aan populariteit. Onder de regering van Bush jr. werd in kranten steeds vaker gesproken over een Imperium Americanum of een Pax Americana.
 

 

Eerst praten

Het concept van defensief imperialisme kan echter de groei van het Romeinse Rijk niet voldoende verklaren. Moderne historici bekritiseren deze visie als te eenzijdig en te simpel. Het concept gaat voorbij aan de vele economische, culturele en persoonlijke motieven die de Romeinen kunnen hebben gehad om oorlog te voeren. Bovendien, waarom zou Rome altijd voor de aanval moeten kiezen als het zichzelf wilde verdedigen? Dat bracht toch allerlei onnodige risico’s met zich mee?

Defensief imperialisme speelde wel een rol in de Romeinse oorlogen, maar dan als propagandamiddel waarmee politici de oorlogen verkochten aan het volk - en aan zichzelf.

Er moest een goede reden zijn om tot fysiek geweld over te gaan. De Republikeinse senator Cicero schrijft: 'We moeten alleen onze toevlucht nemen tot geweld als we er in een discussie niet uitkomen (...) het enige excuus, daarom, om oorlog te voeren is dat we veilig en in vrede kunnen leven.' (De Officiis I 11.34-35)

 

Cicero’s woorden komen de moderne lezer niet vreemd voor. Amerikaanse presidenten doen eveneens hun best om duidelijk te maken dat een militaire interventie hun laatste toevluchtsoord is. In 1991 viel Sadam Hoessein Kuweit binnen. De wereld reageerde met afgrijzen en president Bush sr. besloot tot actie over te gaan. Maar niet vóór ‘months of constant diplomatic activity’.
 

Burgers beschermen

Er is een uitzondering op de regel en die treedt op wanneer de eigen burgers getroffen worden. Voor de Romeinen was bescherming door de staat een essentieel onderdeel van het burgerrecht. Geweld tegen een Romeins burger werd meteen bestraft.

Het recht op bescherming ging zo ver dat het soms gebruikt werd om oorlogen uit te lokken.
De schrijver Livius vertelt de geschiedenis van de Samniet Postumius, die was overgelopen naar de Romeinen. Tijdens een vredesoverleg tussen Samnieten en Romeinen sloeg hij de Romeinse bode op zijn knie om vervolgens aan te kondigen: 'Ik ben eigenlijk een Samniet en de bode is een Romeins burger. De bode is door mij gewelddadig mishandeld en dit is tegen de wet; zijn volk zal nu het recht aan zijn zijde hebben in de oorlog.' (Ad urbe condita IX 11)

 

Ook voor de Amerikanen zijn de rapen gaar als hun eigen burgers worden gekrenkt. Op 5 april 1986 pleegden Libische aanhangers van Khadaffi een aanslag op een West-Berlijnse club die zeer populair was onder Amerikaanse soldaten die in de stad gestationeerd waren. Twee Amerikanen kwamen om het leven en 79 raakten gewond. President Reagan had maandenlang gezocht naar een vreedzame samenwerking met Libië, maar nu was de maat vol. Op 14 april ging hij over tot een vergeldingsactie:
 


 

Bondgenoten

In geen van de oorlogen die de Romeinen en de Amerikanen hebben gevoerd kwam het centrum van de macht, Rome of Washington, echt in gevaar. Het waren bedreigingen tegen verre invloedssferen waar de supermachten op reageerden. De aanslagen van 11 september 2001 brachten het conflict wel naar Amerikaans grondgebied, maar geen moment wankelde de staat.

Rome en Washington hoefden dus niet te vechten om te overleven, maar om hun invloed te behouden. Daarom moesten ze veel moeite doen om hun oorlogen te rechtvaardigen. Dat deden ze door te verwijzen naar een hoger doel: de veiligheid van bevriende landen of de vrijheid in de wereld.

Het is wederom Cicero die schrijft dat er geen eerzamere zaak is om je voor in te zetten dan hetgeen ‘waarbij iemand vijandigheid tegen zich afroept in verdediging van zijn bondgenoten, voor de veiligheid van de provincie en voor de voorspoed van vreemde naties’ (Divinatio in Caecilium 62).

De Verenigde Staten gebruiken vaak vergelijkbare retoriek. In alle presidentiële speeches die in het verleden een militaire actie aankondigden, doken de bondgenoten op. President Bush jr. benadrukte in zijn aankondiging van operatie Iraqi Freedom het belang van een ‘common defense’: 'The people of the United States and our friends and allies will not live at the mercy of an outlaw regime that threatens peace with weapons of mass murder.' Zijn vader Bush sr. zei zelfs ten strijde te trekken voor Iraks ‘small and helpless neighbor’ Koeweit.

Amerikaanse presidenten voelen zich niet alleen verantwoordelijk voor de nationale veiligheid, maar ook voor die van de wereld. Ten tijde van de Koude Oorlog probeerden de Verenigde Staten landen op alle uitersten van de planeet te behoeden voor de verspreiding van het communisme. Amerika is de politieagent van de wereld geworden en ziet elk conflict als een bedreiging voor zijn eigen veiligheid.

In zijn speech van 29 september 1967 stelde president Johnson de retorische vraag wat de Amerikanen deden in Vietnam, een land aan de andere kant van de oceaan: 'Every American president finally has to answer this question: is the aggression a threat, not only to the immediate victim, but to the United States of America and to the peace and security of the entire world of which we in America are a very vital part?' Johnsons antwoord op die vraag was een volmondig ‘ja’.
 


 

Bellum iustum

Een heel andere manier om een oorlog te rechtvaardigen is het volgen van de juiste procedure. De Romeinen hadden een – in theorie – strikte methode om de oorlog te verklaren aan hun vijanden. Alleen als ze de juiste stappen ondernamen was hun strijd in de ogen van de goden een rechtvaardige oorlog, een bellum iustum.

Volgens Livius dateerde het ritueel uit de vroegste dagen van Rome. De eerste stap was om een gezant te sturen naar de vijandige stad. Die gezant moest tegen de eerste die hij tegenkwam op het centrale forum bij Jupiter zweren dat als hij niet de waarheid zou vertellen, hij nooit meer terug mocht keren naar zijn vaderland. Daarna legde hij de vijand het Romeinse ultimatum voor.

Als de eisen na 33 dagen niet waren ingewilligd, keerde de gezant terug naar Rome. Vervolgens mocht de Senaat besluiten tot oorlog en werd een speciale priester, een van de fetiales, met een bloedrode speer naar de grens gestuurd. Deze priester sprak een formule uit en wierp de speer in vijandig gebied. Nu was de oorlog wettig (Ad urbe condita I 32).
 

De Romeinen volgden deze ingewikkelde procedure waarschijnlijk niet altijd, hoewel de fetiales tot in de eerste eeuw voor Christus een rol bleven spelen. De Senaat vroeg hun bijvoorbeeld om advies toen ze de oorlog wilden verklaren aan koning Philippus van Macedonië. De priesters verzekerden de Senaat ervan dat hun oorlog rechtvaardig was, hoe ze hem ook aankondigden. Toen de Senaat later nog eens om advies vroeg over een oorlog tegen de Aeoliërs, werden de fetiales ongeduldig, vertelt Livius. Ze hadden ten tijde van de oorlog tegen koning Philippus toch al gezegd dat de Senaat in zijn recht stond? Bovendien, die Aeoliërs ‘hadden de oorlog al aan Rome verklaard door met geweld de stad Demetrias in te nemen, een stad die behoorde tot de bondgenoten van Rome’. De goden keurden de oorlogsverklaring goed en bovendien streden de Romeinen voor hun bondgenoten. Dat kon alleen maar een bellum iustum zijn.
 

Dear fellow Americans

Amerikaanse presidenten kondigen hun militaire acties aan in een ceremoniële setting. De laatste officiële oorlogsverklaring was die aan Japan en Duitsland door president Roosevelt, maar de extended military engagements die de VS sinds die tijd hebben ondernomen, worden evengoed aangekondigd volgens een bepaald patroon. De president spreekt de Amerikaanse burger - en indirect ook de rest van de wereld - toe vanaf zijn bureau in de Oval Office.

Daar zit hij in pak en kijkt recht de camera in. De Amerikaanse vlag en de standaard van de president op de achtergrond. De camera zoomt langzaam in op het gezicht van de president. ‘Dear fellow Americans’.
 


Amerikaanse presidenten spreken op heel vergelijkbare wijze het volk toe vanuit het Oval Office. Donald Trump heeft nog geen dergelijke toespraak gegeven, zijn afbeelding is bewerkt. V.l.n.r.v.b.n.b. in chronologische volgorde: de presidenten Eisenhower, Kennedy, Johnson, Nixon, Ford, Carter, Raegan, Bush sr., Clinton, Bush jr., Obama en Trump.


Niet alleen de setting bevat vaste elementen, ook in de speeches keren bepaalde thema’s terug. De verdediging van Amerikaanse burgers of bondgenoten. De verzekering dat het militaire optreden in lijn is met de internationale afspraken in het handvest van de Verenigde Naties. De president steekt de burgers ook altijd een hart onder de riem en belooft hen dat Amerika zal zegevieren. In het bijzonder spreekt hij de soldaten en hun familieleden aan, die het grootste offer moeten brengen.

 

Good guys

De oorlogsspeeches van Amerikaanse presidenten zijn het verbale equivalent van de bloedrode speer die de Romeinen het gebied van hun vijand binnen wierpen. Ze gaan gepaard met dezelfde rechtvaardigingen: de burgers en de bondgenoten zijn in gevaar; maanden van onderhandeling hebben niet geleid tot inwilliging van de eisen; de staat heeft geen andere keus dan aan te vallen.

Net als de Romeinen domineren de Amerikanen hun wereld militair en kunnen ze vrij gemakkelijk hun wil aan anderen opleggen. Toch zoeken zij, evenals de machthebbers in Rome in hun tijd, naar manieren om hun militaire acties te rechtvaardigen. Dat doen ze door zichzelf te presenteren als de good guys. Ze probeerden de wereld te overtuigen dat zij de moral highground hebben. Het recht staat aan hun kant. Echt waar.

Fik Meijer, Maarten van Rossem en Frans Verhagen reageren op dit onderzoek: