• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Column Ad van Liempt

    Hollandse bluf

    Het is een van mijn favoriete historische fragmenten: de parade op Koninginnedag 1941 van de Nederlandse strijdkrachten in Indië. Ik zag op YouTube de lange versie weer eens terug, bijna dertien minuten. Wie wil stilstaan bij de zeventigste verjaardag van de capitulatie van ons leger op 9 maart 1942, moet die film van een halfjaar eerder echt even bekijken.


    En vooral naar de commentaarstem luisteren. Die spreekt van ‘een schouwspel dat een goed beeld gaf van de paraatheid, de kracht en de efficiency van onze Indische weermacht, die in het afgelopen oorlogsjaar tot een machtig modern oorlogsapparaat is uitgegroeid’.
    Het is een beetje makkelijk om daar nu lacherig over te doen. Het moederland was door nazi-Duitsland bezet; Indië was nog vrij, maar werd toch al voelbaar bedreigd door Japan, dat ‘Azië voor de Aziaten’ predikte en z’n oog had laten vallen op de olie en het rubber van Indië. Logisch dat ze daar in Batavia de moed erin wilden houden. Het was tijd voor peptalk.

    Toch is het moeilijk om je lachen te bedwingen als je hoort over ‘de vastbeslotenheid om de onaantastbaarheid van deze Nederlandse gebieden met alle beschikbare middelen te verdedigen’. Want wat ging dat leger snel door de knieën. Wat gaf het zich gewillig over toen de vijand genaderd was.

    Kijk ze daar paraderen, een halfjaar eerder, op het Koningsplein. Er komt geen einde aan – al die infanteristen, al die landingstroepen van de marine, al die stadswachten en bedieners van het afweergeschut. Het was een schouw van massaliteit en moderniteit. ‘Het is het nieuwe leger dat op allesoverwinnende rupsbanden voorbijschuift,’ zo bluft de commentator. Want er zit zeker bluf bij: de Japanse militair attaché is een van de genodigden op de tribune; hij moet onder de indruk raken. ‘Bataljon na bataljon, de aarde dreunt van de krachtige stap van vele duizendtallen.’
    En als de Japanners er niet door geïmponeerd raken, dan toch zeker de Indonesische bevolking. Dat is een andere functie van die parade: laten zien dat de Nederlandse overheid een modern, onverslaanbaar leger op de been brengt, waar de burger op mag vertrouwen.

    Dat wapen van de propaganda is een halfjaar later in het gezicht van de Nederlandse legermacht ontploft. Die Nederlands-Indische regering bleek totaal niet in staat de bevolking enige bescherming te bieden. Van kustbewaking was geen sprake – de kust was trouwens veel te lang om te bewaken. De Japanners konden begin maart landen waar ze wilden; ze gingen als een warm mes door de boter. Het Nederlandse woord was niets waard geweest.

    Nederland had elke geloofwaardigheid bij de Indonesische bevolking verspeeld. Geen wonder dat die na de nederlaag van de Japanners, in 1945, weinig behoefte had aan terugkeer van de vooroorlogse overheerser.

    Ook in eigen kring was er trouwens frustratie. Toen het nieuws van de capitulatie bekend werd, schreef de echtgenote van een Nederlandse bestuursambtenaar op Java in haar dagboek: ‘Zonder een schot te lossen worden we op een presenteerblaadje aangeboden. Bah! Je spuugt ervan! Ik heb de grootste moeite gehad om het aan de bedienden te vertellen.’
    De hoogmoed was voor de val gekomen.