Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 6/2017

Hoe Duitsers worstelen met de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog

Eeuwig schuldig

Door: Willem Melching
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Wir haben es nicht gewußt,’ zeiden veel Duitsers na de Tweede Wereldoorlog. Zo probeerden ze hun medeplichtigheid aan de misdaden van het naziregime te verhullen. Die houding is geleidelijk veranderd.

De Duitsers als slachtoffer 

De ‘gewone’ Duitser keek tot ver in de jaren zeventig naar het Derde Rijk vanuit het perspectief van het eigen slachtofferschap. Het was niet zo dat Duitsers beschaamd zwegen over de oorlog. Integendeel, ze vertelden er veel en graag over, maar het verhaal dat ze vertelden ging uitsluitend over hun eígen leed. Volgens dit verhaal hadden ze niet alleen twaalf jaar geleden onder een ‘meedogenloze’ dictatuur, maar waren ze ook nog het slachtoffer van geallieerde bombardementen en de wraak van het Rode Leger.
 
In dit verhaal was geen plaats voor het leed van anderen, en zeker niet voor het leed van de Joden en de bevolking in de bezette gebieden. Ook van medeplichtigheid was geen sprake. In de DDR lag alle schuld bij het kapitalisme en in de Bondsrepubliek lag de schuld bij de psychopaat Adolf Hitler, zijn meedogenloze hofhouding en de geallieerden.
 

Nieuwe mythes 

Een centrale figuur in de omgang van de politieke elite met het verleden was de liberale bondspresident Theodor Heuss. In 1952 hield hij een redevoering in het concentratiekamp Bergen-Belsen. Hij maakte korte metten met het collectieve geheugenverlies: ‘Wir haben von den Dingen gewußt.’ Van collectieve schuld was volgens hem geen sprake, maar hij wees wel op de plicht tot collectieve schaamte. Niemand zou de Duitsers van deze schande bevrijden: ‘Diese Scham nimmt uns niemand, niemand ab.

 


Heuss speelde ook een sleutelrol in de heiligverklaring van een groep officieren die op 20 juli 1944 een moordaanslag op Adolf Hitler beraamden, die mislukte. Toch maakte hij van het groepje aartsconservatieve militairen de founding fathers van de Bondsrepubliek. Het complot was op z’n best een militaire staatsgreep en van enige affiniteit met de democratie was geen sprake. Bij elke jaarlijkse herdenking zou deze ‘democratische mythe’ verder worden opgeblazen. De bevolking liet dit tamelijk koud; die zag de samenzweerders tot ver in de jaren zestig als landverraders. De weerklank bleef beperkt tot een kleine groep politici, intellectuelen en journalisten.
 
In de DDR ontstond in deze jaren ook een verzetsmythe: de antifascistische mythe. De communistische partij beschouwde zichzelf als de erfgenaam van het communistische verzet tegen Hitler. Omdat dit verzet een bondgenoot was van de Sovjet-Unie, hoorde de DDR eigenlijk ook bij de overwinnaars!
 
Dankzij deze onnavolgbare logica waren de Oost-Duitsers ontslagen van de plicht om over schuld en boete na te denken. Zij wasten hun handen in onschuld, en het grootste deel van de bevolking was hier heel tevreden mee. Tot 1989 veranderde er weinig aan deze antifascistische mythe. Een brede discussie zoals die in de Bondsrepubliek geleidelijk op gang kwam, bestond in de DDR niet.
 

Bewustwording 

Een van de eerste wetten die de Bondsdag aannam, was een amnestiewet. Daardoor was het heel moeilijk om ‘kleine nazi’s’ voor het gerecht te brengen. Het justitiële apparaat, dat in meerderheid uit voormalig nationaal-socialisten bestond, was nauwelijks actief. Het is overigens de vraag of de eerste bondskanselier Konrad Adenauer een keus had. Vervolging en maatschappelijke uitsluiting zou miljoenen verongelijkte Duitsers hebben gecreëerd, met alle politieke gevolgen van dien. Adenauer gaf de Duitsers een tweede kans, en de meesten grepen die aan.
 

Adenauer gaf de Duitsers een tweede kans 

In de buitenlandse politiek kreeg het verleden een heel eigen functie. Adenauer begreep dat de Bondsrepubliek een lange weg naar rehabilitatie te gaan had. Een eerste stap was de Wiedergutmachung met Israël en Joodse organisaties in 1952. Overigens was dit tegen de zin van zijn eigen CDU; de sociaal-democratische oppositie moest hem aan een meerderheid helpen. Een volgende stap in dit rehabilitatieproces was de Europese samenwerking. ‘Europa’ moest de plaats gaan innemen van het Duitse nationalisme. Dat lukte wonderwel.
 
Voor de bewustwording van de Holocaust heeft het dagboek van Anne Frank veel betekend. Het boek brak in Duitsland vanaf 1955 definitief door. Talloze scholieren en jongeren lazen het. De lectuur leidde uiteraard tot kritische vragen over de rol van hun ouders en grootouders in de jaren 1933-1945.
 
Een aantal processen zorgde vanaf eind jaren vijftig voor meer aandacht voor de vernietiging van de Joden. In Duitsland stonden voormalige SS’ers terecht. Het proces in Jeruzalem in 1962 tegen Adolf Eichmann - logistiek manager van de Holocaust - trok wereldwijd aandacht. Voor het eerst werd voor een groot publiek tot in de kleinste details uit de doeken gedaan wat er in de vernietigingskampen was gebeurd.


 

Collectief verantwoordelijk

 Omdat er - vooral in het buitenland - harde kritiek was op de lakse vervolging van oorlogsmisdadigers, moest de politiek iets doen. In 1958 kwam er een Zentralstelle om de vervolging te coördineren. In de praktijk leverde dit bar weinig op.
 
Vanaf 1960 debatteerde de Bondsdag over de verjaringstermijn van moord. Om enige kans te hebben met de opsporing moest deze een paar keer worden verlengd. In 1969 verlengde de Grote Coalitie van christen-democraten en sociaal-democraten de termijn met tien jaar. Dus stond het onderwerp in 1979 weer op de agenda. In dat jaar werd de verjaring definitief afgeschaft. Maar veel verder dan enkele processen tegen stokoude hulpkrachten, zoals John Demjanjuk, kwam het niet.
 
Ook bij bezoeken aan het buitenland speelde het verleden een rol. Opzienbarend was het eerste officiële Duitse staatsbezoek van bondspresident Gustav Heinemann in november 1969 aan Nederland. Daar heerste op dat moment een behoorlijke anti-Duitse stemming. Maar het bezoek van Heinemann aan de Hollandsche Schouwburg, van waaruit duizenden Joden waren gedeporteerd, kreeg positieve reacties in Nederland.
 

De knieval

Ruim een jaar later zette bondskanselier Willy Brandt definitief de toon. Zijn legendarische knieval bij het monument voor de opstand in het getto van Warschau in december 1970 maakte een verpletterende indruk. Typerend was dat veel ouderen in de Bondsrepubliek het gebaar overdreven vonden. Jongeren en velen in het buitenland waren juist diep geraakt. Na de knieval van Brandt was openlijk spijt betuigen een vast onderdeel geworden van staatsbezoeken van West-Duitse politici. De knieval wordt inmiddels gezien als een van de grootse momenten in de Duitse geschiedenis.
 

De knieval van Willy Brandt geldt als een groots moment 

In de jaren zeventig nam de belangstelling voor het Derde Rijk toe; sommigen spraken zelfs van een Hitlerwelle. Maar het was de uitzending van de Amerikaanse televisieserie Holocaust in 1979 die leidde tot een definitieve acceptatie van de misdaden van het Derde Rijk bij het grote publiek. Juist omdat de serie de vernietiging van 6 miljoen Joden terugbracht tot een herkenbaar verhaal van gewone mensen, sloeg die wereldwijd in als een bom. Het is overigens pas vanaf dit moment dat het woord ‘Holocaust’ ingeburgerd raakte.
 
In de jaren tachtig werd het verleden definitief onderdeel van de politieke cultuur. Een mijlpaal was de redevoering van bondspresident Richard von Weizsäcker op 8 mei 1985 ter gelegenheid van 40 jaar capitulatie. Hij herhaalde feitelijk wat zijn voorganger Heuss in 1952 al had gesteld: van collectieve schuld was geen sprake, maar wél van de collectieve verantwoordelijkheid om de herinnering levend te houden. Anders dan Heuss ontmoette Weizsäcker nu brede instemming.
 

Holocaust-monument 

Dat de tijden definitief waren veranderd, bleek uit de felle kritiek op bondskanselier Helmut Kohl, die op 5 mei 1985 samen met Ronald Reagan een bezoek bracht aan de militaire begraafplaats te Bitburg. Kohl wilde juist het Duitse slachtofferschap tonen, maar zijn bezoek werd een publicitaire ramp. De negatieve reacties op ‘Bitburg’ lieten zien dat de tijden definitief veranderd waren.
 
Toch gaf Kohl zijn pogingen om het Duitse slachtofferschap naar voren te halen niet op. In de Neue Wache aan Unter den Linden richtte hij in 1993 een monument op voor álle slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog én het stalinisme. De Joodse gemeenschap protesteerde, want daardoor werden slachtoffers van de Holocaust op één lijn gesteld met omgekomen SS-soldaten. Ook zagen ze het beeld als een antisemitisch cliché: het was een piëta, een moeder met een stervende zoon – een verwijzing naar Jezus die door de Joden zou zijn vermoord. Om de gemoederen te sussen haalde Kohl een oud plan voor een Holocaust-monument weer uit de kast. Midden in het politieke hart van Berlijn verrees in 2005 - na veel debatten - het Denkmal für die ermordeten Juden Europas.
 
De omstreden tentoonstelling Vernichtungskrieg. Verbrechen der Wehrmacht 1941 bis 1944 maakte tussen 1995 en 2004 een einde aan de laatste mythe: de ‘schone handen’ van de Wehrmacht. Dat kwam hard aan, omdat de Wehrmacht - anders dan bijvoorbeeld de SS - voornamelijk uit dienstplichtigen bestond. De tentoonstelling maakte duidelijk dat ook ‘gewone Duitsers’ medeplichtig waren aan genocide en oorlogsmisdaden. Groepjes veteranen en enkele conservatieve politici protesteerden fel, maar de meeste Duitsers accepteerden deze conclusie.
 

Moralistische retoriek 

In de internationale politiek speelt het verleden nog steeds een grote rol. Te pas, en vooral te onpas, wordt er in het buitenland naar het Duitse verleden gewezen, om vervolgens tot morele chantage over te gaan. Griekenland zette dit wapen in om zich uit de eurocrisis te redden. Tegelijkertijd zag bondskanselier Angela Merkel de redding van de euro als een morele plicht. Immers: alleen binnen het verenigde Europa kan het machtige Duitsland zich ontplooien zonder de buren al te zeer te verontrusten. Een Duitse Alleingang zou tot grote onrust en instabiliteit leiden. Volgens de meeste Duitse politici is er dan ook geen alternatief voor de EU.
 
In de binnenlandse politiek is het verleden nog springlevend. In de strijd tegen het populisme van Pegida en de Alternative für Deutschland wordt telkens gebruikgemaakt van de reductio ad Hitlerum. Met de beschuldiging van nazisme kun je de tegenstander moreel in diskrediet brengen. Dat een dergelijke aanpak op langere termijn eerder averechts werkt en elke serieuze discussie ondermijnt, lijkt niet tot alle Duitse politici door te dringen.
 

Angela Merkel

Groot was de doorwerking van het verleden in de immigratiecrisis van 2015. Duitse politici - Merkel voorop - beriepen zich op het verleden om de ruimhartige asielpolitiek te verdedigen. Net zo goed als Merkel tijdens de eurocrisis de Duitse economisch-monetaire macht had laten zien, zo probeerde zij nu het Duitse geweten als wapen in te zetten.
 

Angela Merkel zette het Duitse geweten als wapen in  

Juist aan het abjecte en turbulente verleden ontleenden de Duitsers hun morele superioriteit; ze wisten waar ze het over hadden en ze hadden hun lessen geleerd. Daarom verwezen ze naar de vlucht van Duitse Joden, naar de Heimatvertriebene uit de voormalige Duitse gebieden, en natuurlijk naar miljoenen vluchtelingen uit de DDR. Deze historisch-moralistische retoriek werkte een tijdje goed. Maar de integratieproblemen, aanslagen van uiterst rechts op immigranten en jihadistische terreuraanslagen zoals in Berlijn, zorgden voor een ruw ontwaken uit het zomersprookje van 2015. De ferme uitspraak ‘Wir schaffen das’ veranderde al snel in het aarzelende ‘Schaffen wir das?’.
 
Nu de generaties van ooggetuigen, slachtoffers én daders vrijwel zijn uitgestorven, zal de belangstelling voor het verleden ongetwijfeld afnemen. Een groot deel van de Duitse jeugd heeft een Migrationshintergrund. Waarom zouden zij de confrontatie aangaan met de duistere bladzijden uit het Duitse verleden? Niets is zo onvoorspelbaar als de omgang met het verleden, maar op termijn zal het Duitse verleden - hoe misdadig ook - een kleinere rol gaan spelen. En dat de Duitsers een geweten hebben, daarvan zijn de meeste mensen inmiddels wel overtuigd.
 
Willem Melching is als Duitsland-deskundige verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schreef Waarom Duitsland (2016) en Modern Duitsland (2017), over de plaats van het verleden in de Duitse politiek en samenleving.

Meer weten
 
1945 und wir. Das Dritte Reich im Bewußtsein der Deutschen (2005) van Norbert Frei.

German Historians and the Bombing of German Cities. The Contested Air War (2015) van Bas von Benda Beckmann.

Labyrinth des Schweigens (2014) film van Giulio Ricciarelli.

 Der Staat gegen Fritz Bauer (2016) film van Lars Kraume.