Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2016

Guy Fawkes en het buskruitverraad

Het verraad van Guy Fawkes

Door: Maurice Blessing
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

In de zeventiende eeuw werden Engelse katholieken genadeloos vervolgd. Een groep radicalen besloot daarom tot een wanhoopsdaad: een aanslag op alle politieke kopstukken van het land.

Op 1 november 1605 werd het lot van de ernstig vervolgde Engelse rooms-katholieke gemeenschap definitief bezegeld. Op die dag kreeg koning Jacobus I van zijn belangrijkste raadsheer lord Salisbury een mysterieuze brief, die van historische betekenis zou blijken.

Salisbury had de missive op laconieke wijze aan zijn vorst gegeven. Die was hoogstwaarschijnlijk, in de woorden van de raadsheer, ‘het werk van een gek’. Salisbury vertelde Jacobus I dat de brief door een anoniem persoon was afgeleverd bij het huis van lord Monteagle – een vooraanstaand, niet openlijk praktiserend katholiek lid van het Hogerhuis.

Wat dacht Zijne Majesteit, wilde Salisbury weten, van het curieuze ‘advies’ in het bericht aan Monteagle om de aanstaande opening van het parlementaire jaar te mijden? En van de al even vreemde verwijzing in de brief naar ‘de verschrikkelijke klap die hen deze Vergadering zal treffen’?

Nu stond Jacobus I bepaald niet als onnozelaar bekend. Integendeel, de vorst was zo trots op zijn geleerdheid en intelligentie dat hij elke gelegenheid te baat nam om zijn scherpzinnigheid te etaleren. Hij concludeerde dan ook rap dat katholieke radicalen hoogstwaarschijnlijk een verschrikkelijke aanslag hadden gepland op het paleis van Westminster. Daar zou op 5 november niet alleen de koning met zijn erfopvolger, maar de gehele politieke en ambtelijke elite van het koninkrijk aanwezig zijn voor de eerste sessie van het nieuwe parlementaire jaar.

Ook reikte de 39-jarige vorst zijn raadsheer het vermoedelijke motief voor de voorgenomen massamoord aan: er stonden in de aankomende periode enkele wetsvoorstellen op de rol die het katholieken moeilijker dan ooit zouden maken op heimelijke wijze hun geloof te blijven belijden in het anglicaans-protestantse Engeland. Er was dus actie van de veiligheidsdiensten vereist, en snel ook.

Salisbury complimenteerde zijn heer met zijn vernuft. Maar hij adviseerde hem ook het katholieke complot nog enige tijd te laten ‘rijpen’, zodat het zich in zijn volle omvang kon ontvouwen. Want alleen zo zou de reactie van de staat op het ontstellende ‘paapse’ verraad maximaal effect kunnen hebben.
 

Vijfde colonne:Katholieken werden verdacht van ‘paapse intriges’

Wat volgde staat in Engeland sinds jaar en dag bekend als ‘het buskruitverraad’. Tijdens een inspectie in de nacht van 4 op 5 november van de kelders van het paleis van Westminster werd een man aangetroffen die zich voordeed als ‘John Johnson’. Hij was zogenaamd de bediende van de huurder van de ruimte. Deze ‘John Johnson’ – die later de katholieke radicaal Guy Fawkes bleek te zijn – werd onmiddellijk in de boeien geslagen. Onder de enorme stapel brandhout in de ruimte bleken maar liefst zesendertig vaten buskruit verborgen te liggen.

Achtenveertig uur lang hield Guy Fawkes tegenover zijn ondervragers vol ‘John Johnson’ te heten. Toen bezweek hij voor de gestaag opgevoerde folteringen. Ja, hij was de katholieke huurling Guy Fawkes uit York, die enkele jaren voor het Spaanse leger in de rebellerende Noordelijke Nederlanden had gevochten. Ja, hij had de koning en de leden van het Hogerhuis willen opblazen, en hij had geen berouw over dat voornemen. ‘Een gevaarlijke ziekte’ – de vervolging van de Engelse katholieken – kon volgens hem immers ‘enkel met een wanhopige remedie worden bestreden’.

Met zijn standvastigheid in de martelkamers van de Tower hoopte Fawkes waarschijnlijk zijn metgezellen de gelegenheid te geven de autoriteiten te ontvluchten. Die hoop bleek ijdel. De samenzweerders die zich nog in Londen verborgen hielden, haastten zich halsoverkop de stad uit richting de Midlands, ten noorden van de hoofdstad. In dit toen nog zeer landelijke gebied, waar zich relatief veel katholieken bevonden en waar in de verborgen ruimtes van afgelegen landhuizen de streng verboden katholieke mis kon worden gevierd, verenigden zij zich met de daar achtergebleven samenzweerders om zich op de ontstane situatie te bezinnen.

De katholieke radicalen waren van plan na de gelukte aanslag op het parlement vanuit diezelfde Midlands een katholieke opstand te ontketenen. Ze wilden de piepjonge prinses Elizabeth, de dochter van Jacobus I, ontvoeren en onder een katholieke voogd op de troon zetten. Dat was natuurlijk een waanzinnig plan, dat ook als de aanslag inderdaad was gelukt weinig kans van slagen had gehad. Niemand wist immers hoeveel heimelijke katholieken zich in Engeland bevonden.

De schattingen van hun aantal liepen sterk uiteen, juist omdat de staatsrepressie zo groot was dat niemand openlijk met zijn religieuze sympathieën te koop durfde te lopen. De viering van de katholieke mis werd door de autoriteiten beschouwd als een vorm van staatsverraad; priesters die werden gesnapt konden rekenen op een uitermate wrede openbare terechtstelling. In de regel werden zij, nadat hun bekentenis veelal onder marteling was afgedwongen, half gewurgd, ontmand en van hun ingewanden ontdaan. Daarna werd hun ontzielde lichaam in stukken gehakt, en werden hun lichaamsdelen op de drukst bezochte plaatsen in het koninkrijk aan bruggen en gebouwen opgehangen.
 
Het was dan ook niet verwonderlijk dat de samenzweerders er niet in slaagden vanuit de Midlands een breed volksoproer te bewerkstelligen. Ook in de dorpen die als katholieke bolwerken bekendstonden, werden ze met de nek aangekeken. Hun radicale ideaal van een gewelddadige religieuze omwenteling in het koninkrijk bleek door slechts zeer weinig medegelovigen te worden gedeeld.

Bovendien had de overheid maximaal gebruikgemaakt van de na de verijdelde aanslag onder de bevolking ontstane paniek, door op te roepen tot een klopjacht op het groepje katholieke radicalen dat de Engelse staat in bloed en chaos wilde onderdompelen. Daarbij werd uiteraard niet vermeld wat in de officiële interne stukken wél werd opgetekend: namelijk dat het buskruit in de kelders van het paleis van Westminster bij ontdekking reeds was ‘vergaan’, en daarom nooit tot ontploffing had kunnen worden gebracht.

De dramatische ontknoping vond plaats in Holbeach House in Staffordshire. De uitgeputte, doorweekte en opgejaagde samenzweerders hadden zich daar op 7 november 1605 verschanst. Het buskruit dat de mannen op hun wanhopige vlucht van katholiek safehouse naar safehouse met zich hadden meegezeuld, bleek echter wél van een degelijke kwaliteit te zijn. De vluchtelingen merkten dit, nadat ze het voor het haardvuur hadden uitgespreid om te drogen. Hun onachtzaamheid leidde tot een daverende explosie, die niet alleen enkele slachtoffers onder het groepje radicalen eiste, maar hun waarschijnlijk ook het laatste restje hoop op een goede afloop van het avontuur heeft ontnomen.
 

Keiharde maatregelen: Priesters werden ontmand en van hun ingewanden ontdaan

De volgende morgen omsingelde de sheriff met tweehonderd bewapende burgers Holbeach House. Een kortdurende, ongelijke strijd volgde. De leider van de radicale katholieken, de charismatische edelman Robin Catesby, wist zwaar gewond terug het huis in te kruipen. Daar zou hij later zijn aangetroffen met een afbeelding van de Heilige Maagd Maria in zijn levenloze armen geklemd. De prent werd hem overigens ontvreemd door leden van de burgermilitie, net als het kostbare gouden kruis om zijn hals.

Ook de andere uitgeschakelde samenzweerders werden van al hun waardevolle bezittingen en kledingstukken beroofd – zelfs degenen die hun laatste adem nog moesten uitblazen. Drie samenzweerders overleefden de belegering. Ze werden afgevoerd naar martelkelders in de Londense Tower voor verhoor.

Nadat de harde kern van de katholieke opstandelingen was opgespoord en buiten gevecht gesteld, hield Jacobus I op 9 november een gloedvolle redevoering voor het parlement. Hij dankte God dat Hij het Engelse volk had behoed voor ‘een donderende zonde van vuur en zwavel’. Ook benadrukte de vorst dat het complot het werk was geweest van slechts een kleine groep radicalen. De katholieke gemeenschap als geheel mocht daar niet op worden afgerekend. Maar dat was exact wat er wél gebeurde.
 
Na het buskruitverraad kwam de katholieke gemeenschap van Engeland meer dan ooit onder vuur te liggen. De antikatholieke wetten die onder Jacobus voorgangster Elizabeth I waren ingevoerd en die na Jacobus’ troonsbestijging in 1603 tijdelijk waren afgezwakt, werden nu met herwonnen kracht heringevoerd.

Niet alleen was vanaf dat moment iedere Engelse katholiek verplicht – op straffe van hoge geldboetes, confiscatie van bezit of langdurige hechtenis – wekelijks de protestantse kerkdiensten bij te wonen, ze mochten officieel ook geen publieke functies meer vervullen – waaronder die van arts en advocaat. En ze moesten voortaan dubbel inkomstenbelasting betalen. Een belangrijk deel van deze discriminerende antikatholieke Britse wetgeving zou tot in de negentiende eeuw standhouden. De Engelse katholieken waren daarmee definitief tweederangsburgers geworden, en officieel gebrandmerkt als potentiële vijfde colonne voor ‘vreemde, paapse intriges’.

Guy Fawkes werd overigens de gebruikelijke gruwelijke terechtstelling van ‘katholieke landverraders’ bespaard. Op de dag van zijn geplande publieke ontleding, 31 januari 1606, was hij door de vele martelingen nauwelijks nog in staat het schavot te beklimmen. De beul moest hem er een handje bij helpen. Met de strop al om zijn nek, waaraan hij net als zijn medeveroordeelden slechts even had moeten bungelen – zodat hij nog bij bewustzijn kon worden gecastreerd, opengesneden en in stukken gehakt – tuimelde Fawkes van het schavot, brak zijn nek en was op slag dood.
 
Maurice Blessing is journalist.