Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2012

Bezichtig een Lillput-Azteek voor 99 cent

Relletje rond 'culturele ontmoeting' op plek koloniale tentoonstellingen

Door: Olivier van Beemen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Bijna vijf eeuwen lang hebben Europeanen ‘wilde’ soortgenoten weggeplukt uit verre windstreken en tentoongesteld aan het publiek. Onder het gastcuratorschap van de Franse voormalige voetbalkampioen Lilian Thuram beoogt een expositie in het Musée du Quai Branly in Parijs te laten zien hoe tentoonstellingen en freakshows ertoe hebben bijgedragen dat racisme gemeengoed werd.


‘Het interesseert mij hoe onze blik tot stand is gekomen en hoe de hiërarchie van de mensheid is vastgesteld,’ zegt Thuram in een interview met de krant Le Monde. Zelf is hij geboren op het Antilliaans-Franse eiland Guadeloupe. ‘Hoe heeft men zich ingebeeld dat het zwarte ras de ontbrekende schakel was tussen mens en aap? Het “wetenschappelijk” racisme drong uiteindelijk ook door tot de massa.’

In de veelgeprezen recente Franse speelfilm Vénus noire (Black Venus) laat regisseur Abdellatif Kechiche zien hoe zoöloog Georges Cuvier de anatomie van de Zuid-Afrikaanse kermisattractie Saartjie Baartman begin negentiende eeuw als bewijs gebruikte voor – in zijn woorden – een ‘wrede wet’ die bepaalde rassen ‘lijkt te hebben veroordeeld tot eeuwige minderwaardigheid’. Van Baartman, die vooral opzien baarde door haar grote achterwerk en genitaliën, was tot 1974 een gipsen replica te zien in het Musée de l’Homme in Parijs.

‘Gedurende vijf eeuwen heeft de wereld een model gecreëerd van “de wilde”,’ zegt historicus Pascal Blanchard in een interview in een begeleidende brochure van het museum. Hij is auteur van het boek Zoos humains (‘Menselijke dierentuin’) en medecurator van de tentoonstelling. ‘Het fenomeen was allesbehalve marginaal, getuige een kolossale expositie in Wembley in 1925, die 25 miljoen bezoekers trok. Die van Parijs in 1931 trok er zelfs 33 miljoen.’

De fascinatie voor de exotische medemens nam verschillende vormen aan, zo blijkt in Quai Branly, een museum voor niet-westerse kunst dat wordt beschouwd als het enige grote werk van voormalig president Jacques Chirac. Aanvankelijk namen ontdekkingsreizigers individuen mee terug van hun tocht om mee te pronken bij de koning en de elite, maar gaandeweg werden de evenementen toegankelijker voor een groter publiek.

In toenemende mate was er sprake van ‘freakshows’, zoals bij Saartjie Baartman. Toeschouwers kregen extreem behaarde mensen voorgeschoteld, wild dansende eilandbewoners die werden voorgesteld als kannibalen of kinderen met een zeldzame handicap. Behalve Afrikaanse, Aziatische en inheems Amerikaanse volken waren er bij sommige exposities ook Bretonse en Elzassische dorpjes waar inboorlingen vielen te bewonderen. En net als in de hedendaagse dierentuin werden geboortes speciaal aangekondigd: de exotische baby’s in de rol van een babyolifant of een babypanda.

Nederland liet zich evenmin onbetuigd. ‘Een nieuw ontdekt menschen-ras,’ kondigt een affiche uit 1857 aan. Voor 99 cent mochten bezoekers zogeheten ‘Lilliput-Azteken’ in levenden lijve aanschouwen (kinderen betaalden de helft). En: ‘Tegelijk met deze Azteken ziet men hun klein gevolg: de Aardmannetjes uit Zuid-Afrika. Van dezen stam is nooit een individu in Nederland gezien geworden. Ook doen zich gelijktijd hooren: vijf Schotsche klokkenspelers in hunne nationale kleeding.’

Hoewel de exposities bij tijd en wijle op verzet stuitten van groepjes politici of kunstenaars, waren het geen ethische redenen die eind jaren dertig van de twintigste eeuw de neergang van het fenomeen inluidden. Rassenleer was toen juist erg in zwang. Volgens de curatoren in Parijs raakte het publiek er simpelweg op uitgekeken. De opkomende bioscoop was spectaculairder dan dansende kannibalen en andere freakshows. Bovendien speelde het ideologische verhaal dat de koloniale machten wilden vertellen een rol. Ze lieten zich erop voorstaan dat zij de inboorlingen, ondanks al hun veronderstelde beperkingen, steeds meer beschaving hadden bijgebracht. Ze waren dus niet langer ‘wilden’.

Helemaal verleden tijd is amusement rond levende mensen uit exotische streken nog steeds niet. Een van de geplande hoogtepunten van ‘het jaar van de overzeese gebiedsdelen’, dat Frankrijk vorig jaar vierde, was een culturele ontmoeting in Parijs met bevolkingsgroepen uit de tropen. Er werden bewoners uitgenodigd uit onder meer Frans-Guyana, Polynesië in de Stille Oceaan en de Caribische eilanden Martinique en Guadeloupe.

Uiteraard vond de ontmoeting onder andere omstandigheden plaats dan begin vorige eeuw, maar toch ontstond er ophef. Dat had vooral te maken met de locatie: de Jardin d’Acclimatation, een park in het Bois de Boulogne. Dat was volgens een collectief van historici en kunstenaars wel erg onhandig gekozen, want op precies diezelfde plek werden in het verleden omstreden koloniale tentoonstellingen georganiseerd. De Nieuw-Caledonische betovergrootvader van voetballer Christian Karembeu, die net als Thuram in 1998 met Frankrijk wereldkampioen werd, was er nog tentoongesteld. Net zoals de surrealisten dat deden bij de koloniale expositie in 1931, riep het collectief op tot een boycot: ‘Wij gaan niet!’

De expositie in het Musée du Quai Branly is nog tot en met 3 juni te zien. Meer informatie vindt u op www.quaibranly.fr.