Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 7/2011

De slavenopstand van Tula op Curaçao

'Wij zoeken onze vrijheid'

Door: Paul van der Steen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Vrijheid, gelijkheid en broederschap veroverden de wereld. Waarom zou dat niet ook voor ons gelden, dacht een groep slaven op Curaçao. In de zomer van 1795 kwamen ze in opstand.
Het lot van schoolmeester Sabel boezemde de blanken angst in. Hij was het eerste dodelijke slachtoffer van de op 17 augustus 1795 begonnen slavenopstand op Curaçao. Met andere blanken was hij zijn plantage ontvlucht. Sabel maakte de fout om terug te gaan om te proberen wat van zijn bezittingen in veiligheid te brengen. Hij vertrouwde op zijn goede relatie met de zwarten, die hij had leren kennen als zachtaardige mensen.

Op de plantage viel hij in handen van rebellerende slaven, die hem aan de staart van een paard bonden en zo uren meesleepten. Pas een dag later werd het lijden van de onderwijzer een van de leiders van de opstand te gortig. Hij gaf de man het genadeschot.

Toch leek het de opstandige slaven vooral te doen om hun vrijheid. Een aanval op het koloniaal systeem was hun actie niet. Bewoners van plantages konden in eerste instantie ongehinderd vertrekken naar de stad. Voedselvoorraden aanspreken en vee slachten waren vooral bedoeld om de eigen mensen te voeden. Van ‘buitensporigheden’ was nauwelijks sprake.

Misschien dat het gezag op het eiland er daarom ook mee dacht te kunnen volstaan een kleine legermacht te sturen: 14 blanken, 31 vrije negers en 14 vrije mulatten en hun luitenant. Ze konden op 18 augustus een paar gevangenen maken, maar bleken uiteindelijk niet opgewassen tegen een overmacht van slaven en moesten zich terugtrekken. In de dagen daarna zagen de autoriteiten ‘het getal der oproerige neegers’ almaar toenemen en de rebelerende groepen ‘de magasijnen openbreeken, voorraad aan mais vernietigen, de meubelen in de huijsen aan stukken slaan en de vrugten op het veld verwoesten’.

In Willemstad begreep men al eerder dat er mogelijk wat kon gisten. Toch kwam de rebellie, die – zo bleek – al twee maanden lang was voorbereid, als een verrassing. De leider van de opstand, Tula, bleek niet tot concessies bereid: ‘Wij zijn al te zeer mishandelt, wij zoeken niemand kwaad te doen, maar zoeken onze vrijheid, de fransche negers hebben hunne vrijdom bekoomen, Holland is ingenomen door de franschen, vervolgens moeten wij ook hier vrij zijn.’

Een met hem onderhandelende pater wierp tegen dat ‘onze overheid in Holland woont en dat wij die overheid moeten gehoorzamen’. Tula toonde zich niet onder de indruk: ‘Als dat zo is, waar blijven dan de Hollandse schepen?’ Een andere leider van de opstand zou verklaard hebben dat er slechts twee mogelijke uitkomsten waren: overwinnen of sterven.

Afrikanen werden sinds de zestiende eeuw naar de Nieuwe Wereld gehaald om de arbeidstekorten aan te vullen. De grote aantallen getransporteerde mensen waren misschien nieuw, het fenomeen van knechting ging terug tot diep in de Oudheid. De Bijbel stond er vol mee. Veel mensen achtten het blanke ras dermate superieur dat het recht op gebruik van andere volkeren daar automatisch uit volgde.

Voor een enkeling waren de gekochte medewerkers letterlijk gebruiksvoorwerpen. Jan Jacob Mauricius, gouverneur van Suriname, schreef in zijn journaal over ene mevrouw Pieterson, die voor haar lol slaven vermoordde en ze in haar huis liet begraven. Waarom ze daarop aangesproken werd, begreep ze niet. Ze vond ‘dat sy haar eigen goed, voor haar geld gekogt, destrueeren mogt’.

Tot bestraffing van plantagehouders kwam het zelden. Zeker in een uitgestrekt land als Suriname viel ook nauwelijks na te gaan wat er exact op de diverse bedrijven gebeurde. De excessen zorgden wel voor een deel van de weerstand tegen slavernij en slavenhandel.

Een enkeling bestreed het principe. De Middelburgse predikant Bernardus Smytegelt had het in zijn in 1742 verschenen boek Des christens eenige troost in leven en sterven over ‘mensendiefstal’. Hij beriep zich op het bijbelboek Genesis toen hij zich in de beleving van de slaven verplaatste: ‘Ach! mogten die menschen zoo verkogt, vervoert en dikwijls daarom vermoort worden, eens spreken; zouden ze niet zeggen als eertijds Joseph; ik ben dieffelijk ontstolen uit myn land.’

Anderen hadden geen scrupules. De Zeeuwse arts Gallandat schreef in 1769 zijn Noodige onderrichtingen voor de slaafhaalder: handel in ‘kroeskopvee’ kon zonder ‘kwetzinge van ’t geweten’ worden bedreven. Iedereen had er baat bij, meende de dokter. De negervolken in Afrika zagen ‘hunne misdadigers door dezen handel voor altoos weggevoerd’. Die boeven werden gered van wrede straffen en konden zich elders nuttig maken. De handelaren, tot slot, realiseerden prachtige winsten.

In de kringen van de Franse Verlichtingsfilosofen heerste in dezelfde achttiende eeuw een al even grote verdeeldheid. Dat slavernij en slavenhandel moreel niet makkelijk te rechtvaardigen waren, beseften de meeste denkers wel. George Buffon ontwikkelde daarom een klimatologische rassentheorie. Montesquieu gruwde in wezen van het knechten en de behandeling van zwarten, maar nood brak voor hem wet: ‘Er zijn landen waar de hitte het menselijk lichaam zozeer afmat en de moraal aantast dat mensen alleen met lijfstraffen ertoe gebracht kunnen worden zware lichamelijke arbeid te verrichten.’

Diderot schreef in zijn Encyclopédie dat ‘niemand het recht heeft een ander te bezitten’. Voltaire liet in Candide, ou l’optimisme een slaaf vertellen over zijn leven onder een Nederlandse slavenhouder in Suriname: ‘Onze Hollandse idolen, die mij bekeerd hebben, zeggen me elke zondag, dat wij, blank of zwart, allen kinderen van Adam zijn. Ik ben geen sibbekundige, maar als deze predikers de waarheid spreken, zijn wij allemaal achterneven. Nu, ge zult moeten toegeven dat men zijn naaste bloedverwanten niet gruwelijker zou kunnen behandelen.’

Veel filosofen weigerden te zien dat uit pleidooien voor gelijke rechten automatisch een pleidooi tegen lijfeigenschap diende te volgen. Sommigen spraken met meel in de mond, omdat ze financieel afhankelijk waren van machthebbers. Montesquieu en ook Voltaire – ondanks de geciteerde passage uit Candide – hadden aandelen in de slavenhandel.

Sommige slaven trokken wel degelijk hun conclusies uit het nieuwe denken en de Franse Revolutie van 1789. In de Franse kolonie Saint-Domingue (het tegenwoordige Haïti) kwam het tot een slavenopstand die niemand voor mogelijk had gehouden. Rebellerende zwarten trokken een spoor van vernieling, branden, verkrachtingen en moorden.

Onder leiding van Toussaint Louverture, de vrijgemaakte zoon van een geletterde slaaf, weerstonden de opstandelingen in de loop der tijd de Fransen, de Spanjaarden en de Britten. De strijd kostte aan alle zijden tienduizenden slachtoffers. Na verloop van tijd wist Toussaint de economie weer een beetje op de been te helpen en maande hij de bevrijde slaven om hun werk op de plantages weer op te pakken. De opbrengsten van het land kwamen echter niet meer in de buurt van die uit het verleden.

Mede onder invloed van de gebeurtenissen in Haïti radicaliseerde het denken in Frankrijk over de handel en het bezitten van menselijke waar. Op 4 februari bepaalde het revolutionaire Frankrijk per decreet dat alle slaven in het land en de overzeese gebiedsdelen vrij waren en ongeacht hun kleur het burgerschap kregen. In de tot Tempel van de Rede omgedoopte Notre Dame in Parijs werd een feestelijke ceremonie gehouden. Tijdens wagenspelen in de steden lieten zwartgemaakte blanken zich de ketenen afnemen.

In Nederland leverde de jurist en politicus Pieter Paulus met Verhandeling over de vrage: in welke zin kunnen de menschen gezegd worden gelyk te zyn? En welke zyn de regten en pligten die daaruit voortvloeiden? een politiek programma af voor de Bataafse revolutie. Slavernij en slavenhandel achtte hij strijdig met zowel het natuurrecht als de christelijke leer. In zijn ogen was er ‘geen praktijk daarmee onbestaanbaarder, gewelddadiger, schandelycker en het menschdom meer onterende’.

De handel wilde Paulus direct afschaffen. De slavernij moest ten bate van de slaven zelf nog even blijven voortbestaan. Het zou tijd kosten om hen op te voeden tot zelfstandigheid en vrijheid. De gruwelen in Saint-Domingue hadden laten zien waar te veel haast toe kon leiden.

Toen de Franse troepen Nederland binnenvielen en in januari 1795 de Bataafse Republiek werd uitgeroepen, bleek het denken van Paulus voor de nieuwe machthebbers toch te ver te gaan. Hetzelfde gold voor het Franse decreet van een klein jaar eerder. Gelijkheid tekende de nieuwe orde, maar deze moest wel beperkt blijven tot blanken.

De Nederlandse kolonies in de West, waar kleine groepen blanken grote groepen zwarten in bedwang moesten houden, hadden in het verleden al vaker te maken met rebellie. De al eerder genoemde gouverneur in Suriname, Jan Jacob Mauricius, weet in zijn poëtische Gezang op zee de opstand aan de kolonisten: ‘Een slaavenopstand, die hier voorvalt jaar op jaar, (Meest door der blanken schuld, die door gevloek, misbaar, Onmenschelijke straf, en ontucht met de wyven, De Negers tergen, en tot woede en wanhoop dryven).’

In het immense Suriname was weglopen ook een aantrekkelijk alternatief. Creolen die in Suriname waren geboren vluchtten niet zo snel. ‘Zoutwaternegers’ (die zelf uit Afrika waren gekomen) wel. Door de hoge sterftecijfers vormden ze in de achttiende eeuw nog een meerderheid. Deze Afrikanen waren minder gehecht aan hun plantagegemeenschap. In de binnenlanden konden de marrons vaak uit de greep van de Europeanen blijven en een zelfstandig bestaan opbouwen. In 1750 stond ruim 10 procent van de Surinaamse slaven als ‘geabsenteerd’ in de boeken van de plantages.

Op Curaçao was weglopen geen mogelijkheid. De slaven hadden het er in het algemeen iets beter dan in Suriname. Rond 1795 verkeerde het eiland echter in een diepe economische crisis, die de zwarte bevolking flink raakte. Van de nog geen 20.000 inwoners was eenvijfde blank, ruim 60 procent slaaf en de rest ‘vrije neger’ of kleurling. Het koloniaal bestuur had in de laatste jaren vooral uitgeblonken door incompetentie en corruptie.

Omdat veel vrije negers, kleurlingen en zelfs slaven in en rond de haven werkten, verspreidden nieuwtjes over gebeurtenissen elders in de wereld (de opstand in Saint-Domingue en de Franse inname van Nederland) zich snel op Curaçao. Een aantal plantagehouders uit Haïti zocht met hun slaven hun toevlucht op het eiland. De geest van Toussaint Louverture liet zijn sporen na. Slaven waren minder gedienstig ten opzichte van hun meesters en gooiden zo nu en dan hun kont tegen de krib.

Dat het revolutionaire vuur op Curaçao ontbrandde, kwam niettemin als een verrassing. ‘Mijn slaven zijn des morgens gekomen en weijgeren in ’t algemeene dienste te doen. Wat verder haare intentie is, weet ik niet,’ schreef Caspar Lodewijk van Uytrecht, eigenaar van plantage Knip op Curaçao op 17 augustus 1795 aan Johannes de Veer, de gouverneur van het eiland.

Directe aanleiding voor de rebellie waren veranderde werkomstandigheden. De werktijden van de slaven werden langer. Voortaan moesten ze ook op zondag werken. Ondertussen werden ze mede als gevolg van de economische situatie gebrekkig gevoed.

Toen de eerste militaire pogingen tot onderdrukking van de opstand niets uithaalden, ging de franciscaner pater Jacobus Schinck onderhandelen. Hoe hard hij ook zijn best deed, de grote leider Tula bleek niet te vermurwen. ‘Wij verlangen niets anders dan onze vrijheid,’ luidde zijn compromisloze opstelling.

Op het hoogtepunt waren de opstandelingen met duizend tot tweeduizend man. Hun verzet concentreerde zich op het westelijk deel van Curaçao. De autoriteiten vreesden een tijdlang dat ze zouden oprukken naar het bestuurscentrum Willemstad, in het midden van het eiland. Zover kwam het niet.

De opstandige slaven pasten slim een soort guerrillatactiek toe. Ze maakten optimaal gebruik van het landschap. De Nederlanders zouden er hun lessen uit trekken: ontbossing moest er later voor zorgen dat soldaten op wegen niet meer zo’n makkelijk doelwit waren. Die wegen konden trouwens ook een stuk beter. Wie opstanden in de kiem wilde smoren, moest snel ter plaatse zijn.

De strijd werd uiteindelijk beslist door de vuurkracht en de militaire ervaring van de Nederlanders. Daarnaast probeerden ze het moreel van de opstandelingen te breken door hun maïsvelden te verbranden, waterbronnen te vergiftigen en tweedracht te zaaien in de slavengelederen. Op 19 september 1795 werd de strijd beslecht met de gevangenneming van Tula en de andere leiders. De eindbalans van een maand opstand: meer dan honderd zwarte en drie blanke doden.

Het is onduidelijk welke invloed de opstanden op Haïti en Curaçao uiteindelijk hebben gehad op het denken over slavernij en slavenhandel. Waarschijnlijk sterkten ze voor- en tegenstanders alleen maar in hun overtuiging. De overgrote meerderheid van de kolonialen zal in de gebeurtenissen de bevestiging hebben gezien dat vrijheid gunnen aan zwarten slechts kon leiden tot economische ramspoed, anarchie, en moord en doodslag. Abolitionisten zagen op hun beurt het bewijs dat blijvende onderdrukking van een deel van de mensheid niet tot in de eeuwigheid kon blijven voortduren.

Met de opstand werd een aantal concessies afgedwongen. Ze werden vastgelegd in een verordening van 20 november 1795: op zon- en feestdagen hoefde er niet gewerkt te worden, slaven mochten slechts werken van vijf tot elf uur ’s morgens en van één uur ’s middags tot zonsondergang, plantage-eigenaren moesten zorgen voor redelijke voedselrantsoenen en fatsoenlijke kleding.

Daarnaast werd gewaarschuwd ‘dat de meesters hunne slaven niet onmatig of onreedelyk zullen vermogen tekastyden; ofte voor den misdaad van eenen verscheiden anderen te straffen’. De getoonde mildheid was betrekkelijk: dezelfde verordening bepaalde dat disrespect van slaven richting hun eigenaren of welke blanke dan ook ‘ten exempele rigoureuselyk’ zou worden betaald met een lijf- of doodstraf.

De autoriteiten in de West wilden voorkomen dat slaven het in hun hoofd zouden halen om nog eens een kunstje te flikken als dat op Curaçao. Tijdens de strijd waren al de nodige slaven standrechtelijk geëxecuteerd en opgehangen. Diep in hun hart wilden de Nederlanders na afloop ook alle andere opstandige elementen op de strengst mogelijke manier straffen. Maar de garnizoenskapitein Van Westerholt waarschuwde voor ‘de Ruïne welke het voor dit Eiland zoude zyn, indien zy allen door de wapenen ten onder moesten gebragt worden’.

De koloniaal overheersers wilden niet de basis leggen voor een nieuwe opstand. Massaal doodstraffen opleggen zou bovendien de planters duperen, die in sommige gevallen een groot deel van hun menselijk kapitaal gedood zouden zien worden. De meeste slaven werden daarom teruggestuurd naar hun eigenaren. Een deel werd letterlijk geoormerkt: als straf werd bij hen een deel van het oor afgesneden.



Negenentwintig rebellen werden ter dood gebracht. De aanpak van de ware leiders moest slaven met verkeerde ideeën weerhouden van nieuwe, snode plannen. Justitie noemde ‘zachtmoedigheid omtrent de wolven wreedheijd teegen de schaapen’.

Tula werd met zeven anderen naar de executieplaats gebracht. Na marteling hadden de opstandelingen allemaal hun misdaden bekend. Eén slaaf wachtte zijn lot niet af en pleegde ter plekke zelfmoord. Vier mannen werden opgehangen. De opstandeling die de onderwijzer drieënhalf uur achter een paard aan had gesleept, moest een soortgelijk lot ondergaan. Hij werd aan zijn benen rondom het schavot gesleept en daarna aan een paal gebonden. Een beul hakte zijn handen af en verbrijzelde met een moker zijn hoofd.

Tula werd op een kruis gebonden, zijn botten werden gebroken en ‘in ’t gezigt geblaakert’, waarna zijn hoofd eraf werd geslagen. Carpatta wachtte hetzelfde lot, maar moest eerst toekijken hoe met Tula werd afgerekend.

De lichamen van de geëxecuteerden werden na afloop in zee gegooid. De hoofden van Tula en Carpatta werden op staken tentoongesteld. De bijgaande inscripties maakten duidelijk dat het zo afliep met leiders van ‘moordenaars, oproer, plundering en brandstichters’.


Meer weten?

Boeken
Tula. De slavenopstand van 1795 Curaçao (2009) onder redactie van Artwell Cain biedt met artikelen van verschillende auteurs zicht op verschillende facetten van de rebellie. Terecht veel aangehaald in het boek wordt Zeventien vijf en negentig. De slavenopstand op Curaçao. Een bronnenuitgave van de originele overheidsdocumenten (1974) onder redactie van A.F. Paula, dat de lezer dicht laat naderen tot de werkelijkheid van destijds.
P.C. Emmer schreef met De Nederlandse slavenhandel 1500-1850 (2000) over de zwarte bladzijde uit de geschiedenis zonder te vervallen in politiek correcte praatjes. Over hetzelfde onderwerp gaat Willem Flinkenflögels Nederlandse slavenhandel (1621-1803) (1994).
Dagen van gejuich en gejubel. Viering en afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen (2006) van Glenn Willemsen geeft een goed beeld van een debat dat zich lang voortsleepte.
Geschiedenis van Suriname (1995) van Hans Budding behandelt behalve de slavenpraktijk ook de historie vanaf de komst van de eerste blanken tot aan de eerste jaren na de coup van Desi Bouterse.

Televisie
Bij de NTR is vanaf 18 september de documentaireserie De Slavernij te zien, met als vertellers cabaretier Roué Verveer en presentatrice Daphne Bunskoek. Blogs over de serie zijn nu al te lezen op http://deslavernij.ntr.nl. Elke zondag om 20.15 uur op Nederland 2.

Monument en museum
Op Curaçao zijn een monument en een museum opgericht ter nagedachtenis aan de Tula Opstand. Het museum besteedt ook aandacht aan Afro-Amerikaans erfgoed op het eiland. Op YouTube is een filmpje te zien waarin Jeanne Henriquez, directeur van het Tula Museum, vertelt over de slavenopstand van 17 augustus 1795. Meer informatie op www.museotula.com.