Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 7/2010

Thorbecke: Romantisch liberaal

Door: Maurice Blessing
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Johan Rudolf Thorbecke heeft een haast onuitroeibaar saai imago. Moderne liberalen erkennen zijn belang, maar vinden hem zelden inspirerend. Dat is niet verwonderlijk. Thorbeckes ideeën zijn lichtjaren verwijderd van het nationalistische, materialistische vrijheidsdenken van liberale partijen als de VVD en de PVV.

Meer lezen over over de Grondwet van 1848 of
over andere Nederlandse politici >>


 
Willem Frederik en Christine Regina Thorbecke hebben van hun oudste zoon niet eerder een brief ontvangen die zo overloopt van liefde, bezieling en hartstocht. Ze zijn dodelijk ongerust. ‘Ik schrijf mijn hart uit, beste ouders,’ aldus een 22-jarige Johan Rudolf vanuit Dresden, waar hij in 1821 voor studie verblijft. ‘Ik weet, gij hoort mij met geduld en liefde aan. Daarom wil ik u ook niet verbergen, dat mij van tijd tot tijd een naamloos verlangen naar de liefde overvalt en de innige wens geheel overmeestert, mij met mijn gehele wezen in haar wellen te storten en af te koelen.’

Johan Rudolf Torbecke is in het Florence aan de Elbe in de greep geraakt van de Duitse Romantiek, zoveel wordt zijn diep geschokte ouders wel duidelijk. ‘Het leven komt mij nu en dan voor als een wijde zee, vol van klippen, ondiepten en stormen, waarop de puinhopen en brokken van één grote geest als mensen ronddrijven.’

Het zijn niet zozeer de aanblik van ‘de ganse Altstadt met haar koepels en torens’ en het genot van de ‘klare Elbe’ met haar ‘kabbelend ruisen’ die Johan Rudolfs jongemannengemoed opzwepen en verscheuren. De kunstwerken van Rafael, Correggio en Michelangelo, en Don Giovanni van Mozart brengen de kersverse doctor in de wijsbegeerte evenmin uit balans. Maar het is de jongste dochter van de libertijns-romantische schrijver Ludwig Tieck, bij wie hij in Dresden kind aan huis is, die hem ‘alle vrijheid en zelfbeheersing roofde’. ‘Maak toch, dat gij dadelijk van Dresden wegkomt!’ reageert zijn vader per ommegaande post.
 

Beeldvorming

Met de beeldvorming van de negentiende-eeuwse staatsrechtgeleerde en politicus Johan Rudolf Thorbecke is iets eigenaardigs aan de hand. Zijn verdiensten worden algemeen erkend. Dat geldt in het bijzonder voor zijn ontwerp voor de grondwetsherziening van 1848, waarmee Nederland een liberaal-constitutionele monarchie werd en definitief de moderniteit binnentrad. In de uiteindelijke grondwet van 1848 werd de ministeriële verantwoordelijkheid vastgelegd, maar ook het recht van amendement, interpellatie en enquête van een direct gekozen Tweede Kamer, een strikte scheiding tussen Kerk en Staat, en de vrijheid van onderwijs, vereniging en drukpers.

‘Thorbeckes’ grondwetswijziging kwam neer op niets minder dan een staatsrechtelijke revolutie. De vanouds besloten, oligarchisch ingerichte Nederlandse bestuursstructuur, en de traditionele verwevenheid tussen (hervormde) Kerk en Staat, werd ermee de wacht aangezegd.
 
‘Thorbeckes’ grondwetswijziging kwam neer op niets minder
dan een staatsrechtelijke revolutie. 
De revolutionaire aard van Thorbeckes belangrijkste nalatenschap staat in schril contrast met de publieke beeldvorming rond zijn persoon onder zowel liberalen als hun politieke tegenstanders. Toen wijlen Jan Blokker in 2004 in de Volkskrant Thorbecke omschreef als een ‘zuinig frikkenhoofd’ met ‘bitse mond, samengeknepen lippen’ en ‘ontoeschietelijke blik’, verwoordde hij waarschijnlijk de nationale consensus. Multatuli noemde de liberale staatsman al een ‘uitgedroogde wettenfabrikant’.

Bij Thorbeckes 200ste geboortedag, in 1998, wist een Leidse deskundige in de Nederlandse parlementaire geschiedenis in dagblad Trouw te vertellen dat Thorbecke ‘niet zo'n man om enthousiast van te worden’ en ‘een man met weinig sjeu of passie’ was. Maar is onze staatsrechtelijke revolutie van 1848 dan werkelijk bekokstoofd door een passieloze, ‘uitgedroogde’ schoolmeester? Of was Thorbecke, om Mark Ruttes recente typering van de gemiddelde VVD-stemmer aan te halen, eerder iemand ‘die iets van zijn leven wil maken’?
 

Geen 'Hollander'

Goed beschouwd was Johan Rudolf Thorbecke geen ‘Hollander’. Hij wordt in 1798 in het Overijsselse Zwolle geboren als zoon van een lutherse tabaksfabrikant van Duitse afkomst. Wat de Hollandse handels- en bestuurselite betreft, vormt het buitengewest Overijssel een vaag nationaal overgangsgebied, waarachter de politieke lappendeken van de Duitse staten zich uitstrekt. Vader Frederik Willem (1760-1832) is een derdegeneratiemigrant, zijn echtgenote en volle nicht Christine Regina (1769-1835) is in het Nedersaksische Osnabrück geboren. Daar woont het leeuwendeel van de familie. En er staat ook haar belangrijkste handelsfirma, die nauw samenwerkt met de tabaksfabriek op de Dijk in Zwolle, waar Frederik Willem met zijn oudere broer Jan Everhard Hendrik de scepter zwaait.
 

Goed beschouwd was Johan Rudolf Thorbecke geen ‘Hollander’

De banden van de Zwolse Thorbeckes met het Duitse achterland worden verder versterkt door het feit dat de familie het lutheranisme aanhangt. In het calvinistische Nederland geldt een dergelijke geloofsbelijdenis bepaald niet als aanbeveling. Maar zolang de zaken goed gaan, ervaren de Thorbeckes dit relatieve buitenstaanderschap niet als een probleem. De materiële welstand zorgt ervoor dat de familie zich in ieder geval de gelijke kan wanen van de lokale notabelenstand en er bij tijd en wijle genoeglijk tegenaan kan schurken. In die situatie komt verandering onder het Bataafs-Franse regime. De anti-Engelse handelspolitiek van de Fransen brengt het familiebedrijf zwaar in de problemen. In 1803 laat Frederik Willem zich uitkopen en gaat op zoek naar een nieuwe betrekking.

Maar wat hij ook probeert, het lukt de werkloze migrantenkleinzoon niet een baan te vinden. In Nederland worden de meer lucratieve betrekkingen als vanouds binnen de besloten kring van hervormde regentenfamilies verdeeld. Frederik Willem mag dan voor een aanzienlijke contributie lid zijn geworden van de prestigieuze Grote Sociëteit en van de lokale afdeling van de vooruitstrevende Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, tot een betrekking leiden zijn kostbare integratie-initiatieven niet.
 

Thorbeckes jeugd

De financiële moeilijkheden stapelen zich op en Frederik Willem raakt sociaal steeds meer geïsoleerd. Waar kan hij zich nog op richten, anders dan op de liefdevolle zorg voor zijn leeuweriken en kanaries en de toewijding aan zijn nageslacht – in het bijzonder zijn talentvolle oudste zoon Johan Rudolf?

Al zijn frustratie, al zijn gevoelens van vernedering en wrok, zet Frederik Willem om in een spartaans studieregime voor zijn twee zoons, die hij zelf thuis onderwijst met hulp van enkele privéleraren. Voor muziekles is geen geld. Het zou Johan Rudolf bovendien maar afleiden van wat zijn vader zijn ‘ware en hogere bestemming’ noemt: het van de ondergang redden van zijn sociaal afglijdende familie. Zes dagen in de week, van ’s ochtends zes uur tot ’s avonds acht uur, worden de twee broers onderwezen in de moderne en klassieke talen, rekenen, godsdienst, aardrijkskunde en geschiedenis.

Op het verantwoordelijkheidsgevoel van de toch al serieus en introspectief aangelegde Johan Rudolf wordt door zijn directe omgeving een zware wissel getrokken. De lutherse dominee Roll schrijft zijn 12-jarige leerling in 1810: ‘De goede God heeft U begaafd met eenen aanleg, voor de beste ontwikkeling en vorming vatbaar, en het is dus aan U, om daardoor eens een nuttig lid van de maatschappij, gelukkig voor U zelven en de vreugde Uwer ouders te zijn.’
 
Plicht en zelfbeheersing vormen de grondthema’s van Thorbeckes jeugd
De maatschappij en zijn ouders kunnen vooralsnog tevreden zijn met Johan Rudolfs vorderingen, maar van een ‘gelukkig voor U zelven’ zijn is vooralsnog geen sprake. Plicht en zelfbeheersing vormen de grondthema’s van Thorbeckes jeugd. Zijn ouders zien hem liever niet omgaan met leeftijdgenootjes, die ze ofwel te weinig studieus, ofwel te onstuimig vinden. De sfeer thuis wordt bepaald door chronisch geldgebrek, een overvloed aan schulden en de repeterende verschijning van een voortijdige dood.
 

Jan Koolhaas

Zes van Johan Rudolfs acht broertjes en zusjes overleven de kindertijd niet. In 1819 overlijdt bovendien zijn boezemvriend Jan Koolhaas, die hij tijdens zijn studie in Leiden heeft leren kennen. Achttien dagen lang waakt hij aan diens sterfbed. Het verlies van zijn enige intieme vriend vormt de aanzet tot een langzaam opwellende geestelijke crisis, die al zijn overgeleverde zekerheden ondermijnt. Tijdens zijn eerste Duitse studiereis, van 1820 tot 1822, komt die crisis tot uitbarsting in een lawine aan emoties en sentimentaliteit.

In de eerder geciteerde brief uit Dresden schrijft Thorbecke over zijn ontluikende mystieke gevoelens: ‘Het scheen een geruime tijd van mijn jeugd, alsof verstand en daarmede gepaarde scherpzinnigheid het heersend beginsel zou worden. Maar het is vooral de dood van mijn onvergetelijke Koolhaas geweest, die in dit opzicht een mij even onvergetelijke omwenteling aanving en volbracht, en een zekere warmte van het gevoel drong zich uit mijn ganse wezen, onwillekeurig en onbewust, te voorschijn.’
 

Politieke coming-of-age

De Duitse reis zal bepalend worden voor Thorbeckes latere politieke ideeën. In Duitsland weet hij zich niet alleen aan het knellende verwachtingspatroon van zijn ouders te ontworstelen. Hij laat ook het bedompte, in zichzelf gekeerde Nederlandse intellectuele klimaat achter zich. In Thorbecke. Een filosoof in de politiek (2004) toont biograaf Jan Drentje overtuigend aan dat Thorbecke al op jonge leeftijd boven het Nederlandse maaiveld uitstak, zodat hij zijn heil wel in het buitenland moet zoeken om zich verder te ontwikkelen.

Dat Duitsland Thorbeckes bestemming wordt, is voor een belangrijk deel terug te voeren op de invloed van zijn vader. Deze heeft zijn intellectueel begaafde zoon al tijdens diens jaren van thuisstudie kennis laten maken met het werk van vooraanstaande Duitse wetenschappers.
 

Ook waar het kennis van de filosofie betreft, steekt Thorbecke Borger - en de andere Leidse hoogleraren - naar de kroon

Drentje beschrijft hoe de 20-jarige Thorbecke tijdens zijn kandidaatsexamen in de letteren en de filosofie in Leiden aan de tand wordt gevoeld door de protestante hoogleraar geschiedenis Elias Borger, op dat moment ‘het paradepaardje’ van de Leidse universiteit. De pedante Borger zaagt Thorbecke eindeloos door over jaartallen en tijdvakken. ‘De ironie van Borgers geleerde vertoon was dat de kandidaat Thorbecke zich op dat moment al een modernere, meer historiserende opvatting van het vak had eigen gemaakt dan de beroemde Leidse hoogleraar,’ aldus biograaf Drentje.

Die moderne opvatting van de geschiedschrijving heeft Thorbecke ontleend aan vooruitstrevende Duitse historici als Christian Heyne, over wie hij al op 15-jarige leeftijd in Zwolle een oratie heeft gehouden, en aan diens navolger en schoonzoon Arnold Heeren. Ook waar het kennis van de filosofie betreft, steekt Thorbecke Borger - en de andere Leidse hoogleraren - naar de kroon.

Op de Nederlandse universiteiten loopt de filosofie nog altijd aan de leiband van de theologie. Theorieën die op gespannen voet staan met de Goddelijke Openbaring zoals die in de orthodox protestantse kringen wordt begrepen, kunnen rekenen op spot en hoon van de gevestigde hoogleraren. Zo veegt Borger in 1820 de vloer aan de met de Duitse ‘mystieke’ idealistische filosofie in zijn Disputatio de Mysticismo. Wat het Nederlandse academische pluche betreft, vormt Borgers Disputatio het laatste woord op vaderlandse bodem over de verachtelijke en gevaarlijke Schwärmerei van Duitse speculatieve idealistische filosofen als Hegel, Schelling en Fichte.
 

Duitse filosofie

Kort na zijn promotie in juni 1820 krijgt de uitblinkende Thorbecke het bericht dat hem een beurs van staatswege is toegekend ‘tot het doen eener wetenschappelijke reize naar de voornaamste hoogescholen in Duytsland’. In Leiden weten dan slechts weinigen dat Thorbecke zich in Duitsland vooral op de filosofie wil toeleggen, mede met het oog op een vagelijk toegezegd professoraat in de wijsbegeerte. Een openlijke erkenning van zijn intense belangstelling voor de idealistische Duitse filosofie zou financiering van zijn reis hoogstwaarschijnlijk hebben uitgesloten. In het Nederland van na de Restauratie heerst een algemeen wantrouwen ten aanzien van ‘onvaderlandse’ theorieën die de bestaande orde van het autocratische Koninkrijk der Oranjes zou kunnen verstoren.

Dat Thorbecke zich al voor zijn vertrek naar Duitsland door de moderne Duitse filosofie aangetrokken voelt, is betrekkelijk eenvoudig te verklaren. Centraal in het denken van Duitse systeemfilosofen als Kant en Fichte staat het probleem van de persoonlijke vrijheid van de mens. Hoe kan het individu zich van alle externe dwang bevrijden en iets ‘voor zichzelf’ zijn? Dit is voor Thorbecke geen abstracte filosofische denkoefening, maar een hoogst actuele persoonlijke kwestie. Hij ziet zijn vader worstelen met zijn gefrustreerde ambities en zijn afhankelijkheid van een hem onwelgezinde buitenwereld. Tegelijkertijd gaat Thorbecke zelf gebukt onder een groot verantwoordelijkheidsbesef ten opzichte van zijn ouders, wat hem dwingt vooral praktisch, en dus niet volgens zijn innerlijke overtuigingen, in het leven te staan.
 

Het is eerder zijn geest die zijn bestemming vindt

Daarbij komt dat Thorbecke, door zijn veelvuldige confrontaties met de dood, een aan het mystieke grenzende fascinatie heeft ontwikkeld voor het eeuwige. Als hij aan zijn overleden vriend Koolhaas denkt, zo schrijft hij, komt hij ‘de Godheid nader’. Hij vraagt zich af wat deze mystieke ervaringen betekenen. Kants ‘zuivere rede’ helpt hem niet verder en het traditionele openbaringsgeloof heeft hij allang achter zich gelaten. Zo mondt Thorbeckes wetenschappelijke reis door Duitsland ten dele uit in een spirituele zoektocht naar de zin van zijn eigen bestaan.

In Dresden krijgt deze zoektocht een definitieve richtinggevende impuls. Het valt daarbij op dat de bevlogen Thorbecke met de regelmaat van de klok de hartstochten weet op te wekken van de echtgenotes, weduwen en dochters van de filosofen en kunstenaars door wie hij zich laat bijpraten en inspireren. Tot lichamelijke intimiteiten laat hij zich echter, voor zover bekend, niet verleiden. Het is eerder zijn geest die zijn bestemming vindt.
 

Friedrich Schelling

Van cruciaal belang is zijn ontmoeting, onderweg naar Dresden, met de vermaarde filosoof Friedrich Schelling. Schelling wordt door Thorbecke bewonderend omschreven als een man die zijn ‘middenpunt in zichzelve’ heeft en dientengevolge ‘geen wankelen en waggelen’ vertoont. Voor Thorbecke bieden Schellings theorieën een handreiking om de gevoelde tegenstellingen tussen het eeuwige en het tijdelijke, het verstand en het gevoel, maatschappelijke noodzaak en persoonlijke vrijheid, te overbruggen.

Schelling, die als veel Duitse idealisten door de in Nederland verketterde Spinoza is beïnvloed, heeft een natuurfilosofie ontworpen waarin ruimte is voor een richtinggevende, alomtegenwoordige godheid. Die godheid – of ‘het absolute’ of ‘het eeuwige’ – verbindt alles in het tijdelijke – mens, dier, natuur – met elkaar, zonder dat God overigens in dit ‘Al’ opgaat en daardoor verdwijnt. Thorbecke neemt deze filosofie niet klakkeloos over, maar hij combineert hem met de ideeën van andere idealistische filosofen en zijn eigen ‘logische’ conclusies en afleidingen. Zo komt hij geleidelijk tot een geheel eigen wereldvisie, die hij in enkele unieke – in Nederland volkomen genegeerde – essays neerpent.
 
Thorbecke komt tot een geheel eigen wereldvisie, die hij in enkele unieke
– in Nederland volkomen genegeerde – essays neerpent
Centraal in Thorbeckes filosofie staat de idee dat ieder mens in wezen een uniek individu is. Dat individu bevindt zich in het beperkte en tijdelijke ondermaanse, maar kan zich uit zijn knellende banden bevrijden door ‘de scheppende kracht van de Godheid’ in zichzelf te vinden. Zo vindt hij zijn ‘ware ik’ en kan hij etwas für sich zijn.
 

Individualiteit 

Thorbeckes begrip van individualiteit moet overigens niet worden verward met moderne materialistische ideeën over maatschappij en individu, waarin mensen als losse, amorele atomen continu naar winst-, geluks- en ‘belevingsmaximalisatie’ streven. Een mens die zijn eigen wezen in ‘het Absolute’ heeft gevonden, zo meent Thorbecke, is zich door zijn hogere geestelijke niveau juist bewust van de fundamentele verbondenheid van de mensheid in het ‘Al’.

Oriëntatie op ‘de Godheid’ in de mens leidt bovendien tot creativiteit, zodat individuen via hun ideeën en kunst met elkaar worden verbonden en niet als los wrakhout uit elkaar drijven. Geestelijke en maatschappelijke harmonie is slechts mogelijk als de mens ‘de scheppende kracht van de Godheid’ in zichzelf ontwaart en ten volle benut. Deze grondgedachte zal Thorbecke zijn verdere leven trouw blijven en verder uitwerken in zijn politieke ideologie van de moderne rechtsstaat.
 

De moderne rechtsstaat

Die rechtsstaat moet het ieder mens mogelijk maken zich te ontwikkelen. Zo heeft de ‘beschaafde’ staat de plicht ervoor te zorgen dat niemand van de honger omkomt. Door een zekere nivellering van het inkomen te bewerkstelligen, moet de macht van de kerk als instituut worden ingeperkt. De persoonlijke geloofsbeleving moet worden vrijgelaten. Ook vindt Thorbecke dat de gesloten Nederlandse cultuur zich moet openstellen voor de bredere maatschappelijke en politieke tendensen in Europa.

In de Nederlandse verhoudingen van begin negentiende eeuw vormt deze overtuiging een radicale geloofsbelijdenis. Als in 1822 bekend wordt dat Thorbecke, die zich dan nog niet met politiek bezighoudt, zich heeft ingelaten met de theorieën van Schelling, wordt hij beschuldigd van ‘spinozisme’ en dus atheïsme – of nog erger: katholicisme. Zijn aanstaande benoeming tot hoogleraar filosofie in Leiden wordt door minister van Onderwijs Falck teruggedraaid, omdat Thorbecke ‘dat vrij, onpartijdige en gezonde oordeel hetwelk den goeden Nederduitschen geleerde tot roem strekt, niet [zou] hebben weten te bewaren’.
 

Eindelijk kan hij zijn opgekropte brille kwijt in het ontwerp van een nieuwe, liberale grondwet voor een moderne Nederlandse rechtsstaat

Thorbecke neemt enige jaren zelfcensuur in acht. Pas in 1825 kan hij hoogleraar worden in Gent. Hij krijgt een leerstoel in de politieke geschiedenis van Europa en de statistiek. Hier lijkt zijn ‘Duitsheid’ minder kwaad te kunnen. Het zal Thorbecke uiteindelijk de mogelijkheid geven zijn persoonlijke filosofieën om te zetten in een krachtige, coherente politieke visie op de toekomst van de Nederlandse staat. Hij distantieert zich van ‘Duitse’ invloeden en houdt zijn ideologische overtuigingen strikt voor zichzelf.

In de jaren veertig komt de ‘afstandelijke staatsrechtgeleerde’ Thorbecke door verschillende factoren toch in het middelpunt van de liberale Nederlandse oppositie terecht. Eindelijk kan hij zijn opgekropte brille kwijt in het ontwerp van een nieuwe, liberale grondwet voor een moderne Nederlandse rechtsstaat. Het is een klein wonder, dat door veel Nederlandse liberalen nog altijd wordt beschouwd als een logisch uitvloeisel van de ‘aloude vaderlandse vrijheidstraditie’. Ze schrijven het liever niet toe aan de onorthodoxe overtuigingen van een on-Nederlandse, ideologisch bevlogen liberaal.
 

Meer weten?


Boeken
Dit artikel is grotendeels gebaseerd op Thorbecke. Een filosoof in de politiek (2004) van Jan Drentje. Volgens de auteur wordt hierin ‘de tot nog toe ongeschreven geschiedenis van Thorbecke als a philosopher in disguise geschreven’. Deze proefschriftbewerking heeft een hoogst fascinerend, maar voor het grote publiek helaas moeilijk toegankelijk boek opgeleverd.

Voor aanvullende informatie en citaten is geput uit de bloemlezing Thorbecke. Een leven in brieven (2005) van Gerard Hooykaas. Diens eerdere bloemlezing van Thorbeckes brieven, getiteld Thorbecke op de romantische tour (1991), is nog slechts antiquarisch verkrijgbaar. Remieg Aerts, hoogleraar politieke geschiedenis aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, werkt momenteel aan een nieuwe, politieke biografie van Thorbecke.

Internet
Op de website van de Teldersstichting, de aan de VVD gelieerde ‘liberale denktank van Nederland’, is te zien hoe Thorbecke tegenwoordig in rechts-liberale kringen wordt gepresenteerd. Zo is het zonder meer veelzeggend dat in de daar gepresenteerde levensschets alleen aan de meer conservatief-nationalistische geschiedschrijving over Thorbecke wordt gerefereerd. Bijvoorbeeld aan Gerry van der Lists portret van Thorbecke in Van Thorbecke tot Telders (1993) en de ‘wel wat verouderde’ Thorbecke-biografie van I.J. Brugmans uit 1932. Van Drentjes studie wordt alleen korzelig vermeld dat de biograaf ‘wel heel erg de nadruk’ legt op ‘de filosoof Thorbecke’ en ‘zijn tijd in Duitsland en alle invloeden die hij daaraan overhield’. Op de website van de Teldersstichting is wel de integrale tekst van Thorbeckes zogenoemde Narede te vinden, evenals een link naar een handig startpunt voor ‘thorbeckiana’ op het net.
 

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld welke kant van Martin Luther King Amerika liever vergeet, waarom de Slag om Arnhem faliekant mislukte en hoe Willem van Oranje slim gebruikmaakte van propaganda.