Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 6/2010

Émile Zola en de Dreyfusaffaire

Emile Zola (1840-1902)

Door: Hans Schoots
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
De schrijver Émile Zola gaf zijn visie op de Franse samenleving vooral in zijn romans – één pagina van een groot auteur vond hij belangrijker dan een jaar politiek gedoe. Tot hij zich met een stuk van één krantenpagina zelf midden in de politieke actualiteit plaatste.
De Franse schoorsteenveger Henri Buronfosse vertelde kort voor zijn dood in 1928 dat hij met enkele collega’s verantwoordelijk was voor de dood van Émile Zola. Ze waren aan het werk geweest op een dak naast dat van de beroemde auteur aan de Parijse rue de Bruxelles, hadden diens schoorsteen dichtgemaakt en de volgende ochtend het materiaal onopgemerkt verwijderd. Inderdaad stierf de 62-jarige Zola in 1902 aan koolmonoxidevergiftiging. Hoewel de aanwijzingen voor opzet sterk zijn, ontbreekt sluitend bewijs.

In elk geval stegen de emoties rond Zola in Frankrijk in die jaren tot onvoorstelbare hoogten. Dankzij zijn tientallen veelgelezen romans behoorde hij tot de populairste schrijvers van het land en zelfs van de westerse wereld. Op 13 januari 1898 had hij in een vlammende open brief met de titel ‘J’accuse’ – Ik klaag aan – een aantal hoge militairen met naam en toenaam verantwoordelijk gesteld voor de onterechte veroordeling van kapitein Alfred Dreyfus wegens spionage. Het stuk besloeg de hele voorpagina van de krant L’Aurore. Het slachtoffer zat op dat moment al drie jaar vast op het beruchte Duivelseiland in Frans-Guyana, veroordeeld tot levenslang.
 

Frankrijk raakte door de Dreyfus-affaire verdeeld in twee onverzoenlijke kampen

Frankrijk raakte door de zogeheten Dreyfus-affaire verdeeld in twee onverzoenlijke kampen. Kwaadaardige scheldpartijen in de pers en gewelddadige acties van ‘anti-dreyfusards’ waren heel gewoon. Toen Zola overleed, ontving hij al jaren doodsbedreigingen, en dat een georganiseerde rechts-extremist als Buronfosse de baarlijke duivel in hem zag, past in het plaatje.

Émile Zola werd in 1840 geboren en groeide op in Aix-en-Provence. Zijn moeder was een Française, zijn vader een Italiaan uit Venetië, die overleed toen Émile zeven was. De droom van de jonge Zola was schrijver worden, en omdat Parijs nu eenmaal het middelpunt van de wereld was, verhuisde hij daarheen.
 

De schrijver

Als vroege twintiger publiceerde hij enkele boeken die weinig indruk maakten. Dat werd anders na zijn roman Thérèse Raquin uit 1867. Hij raakte bevriend met groten van de Franse literatuur als Gustave Flaubert en de gebroeders Goncourt. Om rond te kunnen komen, moest hij niettemin het grootste deel van zijn tijd besteden aan journalistiek werk. Zola’s artikelen in talrijke kleine en grote bladen gingen vooral over de kunsten.

Hij viel het ‘academisme’ in de schilderkunst aan en steunde de toen hypermoderne impressionisten. Paul Cézanne was een jeugdvriend uit Aix en ook met Eduard Manet raakte hij op zeer goede voet. Systematisch bekritiseerde hij het dominerende theater, dat vooral onder invloed stond van Alexandre Dumas, auteur van De drie musketiers en De graaf van Monte Cristo.

In theater en literatuur moest het naturalisme gaan heersen dat Zola zelf praktiseerde, bijvoorbeeld in de twintig delen tellende romancyclus Les Rougon-Macquart (de familie Rougon-Macquart). De hele Franse samenleving van de jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw kwam erin aan bod, van het leven in de stadspaleizen van de rijken tot het bestaan aan de zelfkant, alles in rauw detail beschreven om er een diepere betekenis uit te persen.
 

Zijn visies op de samenleving uitte Zola vooral indirect via zijn romans

Zijn visies op de samenleving uitte Zola vooral indirect via zijn romans. Hij vond ‘één pagina uit het werk van een groot schrijver van meer belang voor de mensheid dan een jaar drukdoenerij van politici’. Toch raakte hij op zeker moment verzeild in de dagelijkse politieke verslaggeving.

In 1870-1871 was zijn financiële nood hoog en de maatschappelijke omstandigheden waren buitengewoon: het land raakte in oorlog met Pruisen. Bijna twee decennia was Frankrijk geregeerd door keizer Napoleon III, de namaak-Napoleon over wie Karl Marx de beroemde uitspraak deed dat wereldhistorische gebeurtenissen zich twee keer voordoen, ‘de ene keer als tragedie, de andere keer als klucht’.

In 1870 schreef Zola 22 artikelen tegen het bonapartisme en de oorlogsstemming. Napoleon III had net als zijn grote voorbeeld vele oorlogen gevoerd. ‘Van China tot Mexico, van de Russische sneeuw tot het zand van Egypte,’ schreef Zola, ‘is er geen akker onder de zon die niet een afgeslachte Fransman herbergt… Waterloo was slechts een boerderij, Magenta bestond uit nauwelijks vijftig huizen. Een tornado trok over deze nietige nederzettingen, en hun namen, een dag eerder nog onschuldig, kregen zodanig de geur van bloed en kruit dat de mensheid voor altijd zal sidderen wanneer ze worden uitgesproken.’

Algauw bleek de Frans-Duitse Oorlog zich af te spelen rondom Parijs en Zola vertrok naar het zuiden. Het Tweede Keizerrijk stortte ineen en de Derde Republiek werd uitgeroepen. Zola werd parlementair correspondent voor kranten met fraaie namen als La Cloche en Sémaphore de Marseille. Het nieuwe parlement kwam door de oorlogsomstandigheden buiten de hoofdstad bijeen. De Fransen verloren de strijd en demonstratief marcheerden de Duitsers door Parijs, om de stad vervolgens weer te verlaten.

Enkele Franse legeronderdelen en socialistische organisaties begonnen voor zichzelf: twee maanden heerste de Commune van Parijs, terwijl de nationale regering verderop in Versailles zat. Het regeringsgetrouwe leger maakte er een einde aan, ten koste van 20.000 dode communards. Na afloop liep Zola door de stad: ‘Het enige waarover ik u wil berichten, zijn de lichamen die hoog opgestapeld liggen onder de bruggen. Nooit zal ik de pijn vergeten die ik voelde bij de aanblik van die angstaanjagende berg bloedend mensenvlees, willekeurig verspreid langs de rivieroevers.’

Zola was en bleef een gematigd republikein, wat niet betekende dat hij gematigd was in zijn taal. Indertijd was terugkeer naar de monarchie nog even een serieuze mogelijkheid. De belangrijkste troonpretendent was de graaf van Chambord. Volgens Zola ‘in de grond misschien een aardige vent, deze dikzak die sinds zijn adolescentie rondreist met een troon in zijn koffer’.

Zola was en bleef een gematigd republikein, wat niet betekende dat hij gematigd was in zijn taal. 

Maar ‘ik geloof dat hij voortkomt uit een verdord ras en ondanks de bewondering van zijn aanbidders alle vetzucht en stompzinnige logheid van een afgod heeft. Doordat hij zo wordt aanbeden werd hij zelfs nog dommer. Mensen maken pelgrimstochten om aan zijn voeten te kunnen knielen. Alsof je een relikwie kust. Hij woont in een tabernakel omgeven door gestoorden.’ De monarchisten in het parlement kwamen er, met hun volgens zijn beschrijvingen seniele, infantiele of anderszins stuitende uiterlijk, nog slechter vanaf.

Na de oorlogsjaren wierp Zola zich weer op artikelen over kunst, maar acht jaar later hield hij ook daar vrijwel mee op. Dankzij de inkomsten uit zijn boeken kon hij zich volledig concentreren op het schrijven van literatuur. Met zijn echtgenote Alexandrine Meley betrok hij een nieuw huis in Parijs en een buitenhuis in Médan. Later kwam er nog een derde woning bij voor zijn maîtresse Jeanne Rozerot en zijn twee kinderen.

De Nederlandse verslaggever Frans Netscher ging bij de bewonderde Zola op bezoek en beschreef zijn gastheer in naturalistische stijl. ‘Voor hem staande, ziet men een kleine, vierkante figuur, die eerder taai dan gespierd schijnt, van een fijne nervositeit, als van een speurhond, breed in de schouders, pál op de korte benen, met bruine ogen, diep, doordrongen, en een gemakkelijkheid in de gewrichtswendingen, die iets vrouwelijks heeft.’
 

De zaak- Dreyfus

Als journalist was Zola met zijn meningen over politiek slechts een van de velen geweest en of hij er vermeldenswaardige invloed mee heeft gehad, valt te betwijfelen. Dit veranderde toen hij zich ging bezighouden met de zaak-Dreyfus, die in 1894 begon met een prullenbak in de Duitse ambassade aan de Parijse rue de Lille, ongetwijfeld de beroemdste papiermand uit de wereldgeschiedenis. Een schoonmaakster die werkte voor de Franse inlichtingendienst plukte er een verdacht briefje uit, waarop stond dat de anonieme schrijver Duitsland gegevens zou verstrekken over enkele Franse wapens en de tactiek van de Franse artillerie.

De jacht op de spion werd geopend en de Joodse Alfred Dreyfus, een 35-jarige medewerker van de Franse generale staf, werd als dader aangewezen. Wie Joods was had in Frankrijk al meteen de schijn tegen. Vooral ter rechterzijde heerste een fel antisemitisme. De hele en halve grafologen die de herkomst van het handschrift beoordeelden, werden het niet eens en ander bewijs ontbrak. Aanvankelijk waren de regering en de opperbevelhebber van de strijdkrachten dan ook tegen vervolging.

Minister van Oorlog generaal Auguste Mercier zette door, gesteund door scheldkanonnades in de antisemitische kranten, die al zeker wisten wie de dader was: ‘de Jood Dreyfus.’ Toen de rechtszaak vrijwel voorbij was en de jury al in conclaaf bijeenzat, leverde het ministerie er voor de zekerheid een vervalst dossier af. Even later zat Dreyfus op de boot naar Duivelseiland.
 

Even later zat Dreyfus op de boot naar Duivelseiland

Na zijn veroordeling twijfelde van links tot rechts bijna niemand aan zijn schuld. De kwestie begon pas na twee jaar weer aandacht te krijgen. De krant L’Eclair dacht het ministerie van Oorlog een plezier te doen en berichtte dat het belangrijkste bewijs tegen Dreyfus vanwege de staatsveiligheid in het geheim aan de jury was verstrekt. Dreyfus’ echtgenote vroeg direct om heropening van de zaak.

Intussen had kolonel Georges Picquart op het ministerie ontdekt dat er weinig klopte van het dossier-Dreyfus. Hij vond aanwijzingen tegen majoor Ferdinand Esterházy, van wie het handschrift bovendien overeenkwam met dat op het beruchte briefje. Picquarts mening beviel de boven hem gestelden niet en hij werd overgeplaatst naar Noord-Afrika.

Het ministerie van Oorlog drukte elke tegenspraak de kop in. De betrokkenen vreesden natuurlijk vooral voor hun hachje, een eigenbelang dat mooi samenvloeide met de overtuiging dat de onaantastbaarheid van het leger moest worden verdedigd. We weten nu dat dit alles deel uitmaakte van een achterhoedegevecht.

In de jaren zeventig hadden monarchisten en bonapartisten aanvankelijk nog veel politieke invloed, die echter geleidelijk oploste in de parlementaire democratie van de Derde Republiek. Het leger werd een reservaat, gedomineerd door de oude garde, die weinig op had met volksvertegenwoordigingen. Hun aanhoudende frustraties over de nederlaag tegen Duitsland vonden een uitlaatklep in de strijd tegen een vermeend anti-Frans ‘Joods complot’.
 

Het leger werd een reservaat, gedomineerd door de oude garde, die weinig op had met volksvertegenwoordigingen

Ze vonden bondgenoten in kranten die niet zozeer het monarchisme of bonapartisme vertegenwoordigden, als wel moderner ‘nieuw rechts’ met antisemitisme als belangrijkste verenigende factor. Hun campagnes leidden op vele plaatsen in het land tot tegen Joden gerichte opstootjes, en her en der werden winkels en woningen kort en klein geslagen. Deze beweging smeulde in Frankrijk nog heel lang voort zonder er – anders dan in Duitsland – de overhand te krijgen.

Émile Zola schreef eerst over de zaak-Dreyfus in Le Figaro, waarin hij het spookbeeld van een Joods complot belachelijk maakte, antisemitisme aan de kaak stelde en ‘alle fatsoenlijke mensen’ opriep de zoektocht naar de waarheid te steunen. Hij was zeker niet de enige die het voor Dreyfus opnam, maar zijn ‘J’accuse’, waarin hij de confrontatie met de autoriteiten aanging en zijn roem in de strijd wierp, werd een kantelpunt. Zelden had hij zich zo direct in een politieke kwestie gemengd en des te meer indruk maakte zijn aanklacht.

Naar aanleiding van ‘J’accuse’ werd Zola veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf. Op straat werd hij door een menigte met stenen bekogeld en achtervolgd. Zijn opsluiting wachtte hij niet af en hij vertrok naar Londen, tot het tij elf maanden later keerde. Generaal Merciers naaste medewerker Hubert Henry pleegde zelfmoord toen zijn vervalsingen aan het licht kwamen en de van spionage verdachte Esterházy week uit naar Engeland, waar hij toegaf het veelbesproken briefje te hebben geschreven.
 

Naar aanleiding van J'accuse werd Zola veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf

Dreyfus werd in 1899 voor herziening van zijn vonnis teruggehaald van het Duivelseiland. Alsnog werd hij door een krijgsraad tot tien jaar veroordeeld, waarna de regering zowel hem als alle knoeiende militairen amnestie verleende. In 1906 werd het oordeel van de krijgsraad vernietigd, werd Dreyfus heropgenomen in het leger en in rang bevorderd. Twee jaar later probeerde een anti-dreyfusard nog tevergeefs hem dood te schieten. De luitenant-kolonel overleed in 1935.



Het einde van de zaak-Dreyfus markeerde de definitieve overwinning van de democratische republiek. Er kwam een einde aan het streven naar koninklijke of keizerlijke restauratie en aan de sfeer van semi-permanente revolutionaire mobilisatie, die het grootste deel van de Franse negentiende eeuw hadden bepaald. De stoffelijke resten van Émile Zola werden in 1908 overgebracht naar het Panthéon, laatste rustplaats der Franse helden.

 

Weg uit die muffe krantenkamer

Rond de vorige eeuwwisseling trok een nieuwe generatie journalisten, geïnspireerd door de naturalistische ideeën van Émile Zola, erop uit, ‘achter de verschijnselen van ’t leven aan’. Zola zelf deed voor zijn romans veel onderzoek, maar zette de resultaten hiervan om in fictie. De journalisten gingen verder, ook in Nederland.

Zo begaf M.J. Brusse van de Nieuwe Rotterdamsche Courant zich vermomd als zeeman in de schemerwereld van het Antwerpse havenkwartier, waar hij ontdekte dat zeelieden er aan alle kanten bestolen en bedrogen werden. Brusse liet zich ook opsluiten in de gevangenis en liep mee met een politie-inspecteur.

'Men eist feiten; men eist duidelijkheid'

Jean-Louis Pisuisse en Max Blokzijl trokken voor het Algemeen Handelsblad door het land als straatmuzikanten, Telegraaf-journalist Bernard Canter zwierf als bedelaar door Amsterdam om díé kant van het leven te kunnen schilderen. Nee, schilderen niet: ‘Men eist feiten; men eist duidelijkheid. Geef dan geen ontboezeming, geen schets, geen schilderij, maar fotografeer.’ Het moest fotograferen met woorden zijn, zo nauwkeurig dat de lezer de werkelijkheid haarscherp zag, voelde, hoorde en rook.

Op de achtergrond speelde de overtuiging dat mensen gevormd werden door hun omgeving, zodat je hen begreep wanneer je hun milieu leerde kennen. Ook bestond het idee dat aan de zelfkant een essentie van het leven verborgen was die anderen ontging. In elk geval heeft het naturalisme in die tijd een grote impuls gegeven aan de modernisering van de journalistiek, door een verschuiving van meningen naar feiten: ‘Weg uit die muffe krantenkamer.’
 

Door de zaak-Dreyfus kreeg Zola's invloed een andere dimensie

Door de zaak-Dreyfus kreeg Zola’s invloed nog een andere dimensie. J’accuse’ is vaak beschouwd als het begin van een nieuwe maatschappelijke rol voor de intelligentsia. Na de publicatie van de open brief ondertekenden meer dan 2000 kunstenaars, wetenschappers en publicisten protestverklaringen in het blad L’Aurore, waarmee ze zich zouden hebben gemanifesteerd als een nieuwe morele instantie. Er zijn inderdaad nog talloze collectieve stellingnamen op gevolgd.

Toch hebben intellectuelen in werkelijkheid gemiddeld niet meer onderscheidingsvermogen dan anderen wanneer het om de publieke zaak gaat. Zie de steun voor Mussolini, Stalin, Hitler en Mao. Frits Bolkestein heeft eens fraai gezegd dat de ware intellectueel zich kenmerkt door zijn bereidheid tot eenzaamheid. Net als ieder ander met burgermoed dus. Daarvan was Zola een voorbeeld: bereid tegen de stroom op te roeien en zijn eigen positie te riskeren voor een zaak die het waard was.
 

Meer weten?

Er bestaan meer dan twintig biografieën van Émile Zola en het aantal publicaties over zijn werk is niet te tellen. Een populaire biografie is Zola (1992) van de Franse auteur Henri Troyat, waarvan de omvang echter in het niet zinkt bij die van het driedelige standaardwerk Zola door de Fransman Henri Mitterand (1999-2002). Enkele andere degelijke biografieën zijn Zola. A Life (1995) van de Amerikaan Frederick Brown en Émile Zola (2002) van de Duitse Veronika Beci. Nog steeds komt er nieuw materiaal tevoorschijn. Zo is in Zola assassiné (2002) van Jean Bedel een gedegen up-to-date onderzoek te vinden naar de omstandigheden rond de dood van de schrijver.

Er zijn verder legio studies naar de zaak-Dreyfus. Voor wie niet zo thuis is in de Franse taal geeft France and the Dreyfus Affair. A Documentary History van Michael Burns (1998) een goed overzicht van gebeurtenissen en documenten.
De invloed van Zola’s naturalisme op de Nederlandse journalistiek komt aan de orde in Journalistiek in Nederland 1850-2000 van Huub Wijfjes (2004) en Het geheim van De Telegraaf van Mariëtte Wolf (2009).