Alle artikelen
Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795 door Joost Rosendaal. 735 p. Vantilt, euro 39,90
Stokebrand Janus 1787. Opkomst en ondergang van een achttiende-eeuws satirisch politiek-literair weekblad door Pieter van Wissing. 601 p. Vantilt, euro 34,90
‘In den ganschen omvang der algemeene en bijzondere geschiedenissen van alle eeuwen en volken zoude het moeijelijk zijn een tijdvak te vinden, zo rijk in staatsrampen en volkeren-verderf, zoo leerzaam voor Overheeden en Onderdaanen.’ Zo kwalificeerde de orangistische jurist en historicus Herman Tollius in 1814 het zojuist afgesloten tijdperk van patriotten en Bataven. Was Tollius, zoals de meesten van zijn tijdgenoten, nog ambivalent in zijn eindoordeel, in de negentiende en twintigste eeuw overheerste het negatieve sentiment: het tijdvak 1780-1815 zou een dieptepunt in de nationale geschiedenis zijn geweest. Terwijl elders in Europa visie, heldenmoed, daadkracht én helse bloedbaden de gemoederen verhitten, sukkelde Nederland, geleid door ‘oude vrouwengouvernementen’ met zwakke knieën, roemloos naar het einde van de revolutionaire periode.
In de jaren tachtig van de twintigste eeuw kwam een herwaardering op gang, onder invloed van de internationaal gerichte revolutiegeschiedschrijving. De Republiek der Verenigde Nederlanden zou bij de revolutiemuziek van de achttiende eeuw een mooi partijtje hebben meegeblazen – en liep misschien wel voorop. De hier besproken lijvige boeken passen in deze herwaarderingsgolf.
Bataven!, de dissertatie van Joost Rosendaal, is een zeer uitvoerige studie over de gedwongen ballingschap van de Nederlandse patriotten. Ze verlieten, opgejaagd door de orangistische reactie en hun eigen angsten, na de mislukte revolutie van 1787 het land om aan de zijde van de Franse legers in 1795 zegevierend terug te keren. Rosendaal heeft een uitputtende en voorbeeldige analyse geleverd. We komen meer te weten over de sociale achtergrond van de ballingen, over hun moeizame leven en over de Franse revolutionaire verwikkelingen waarin ze verzeild raakten. Roosendaal ontleedt ook hun denkbeelden en retoriek, al maakt hij daar niet altijd een even duidelijk onderscheid tussen.
Problematischer is Rosendaals interpretatie van hun ballingschap. Keurig in de traditie van de herwaardering verzet hij zich tegen de klassieke opvatting die de ballingen presenteert als marionetten van de Franse revolutionairen. Een eigen Nederlands gezicht komt echter niet goed uit de verf. De vluchtelingen radicaliseerden immers mee met de Franse revolutionairen. Ze konden ook moeilijk anders, aangezien ze afhankelijk waren van de revolutionaire machthebbers.
Om het eigen Nederlandse karakter niettemin overeind te houden, neemt Rosendaal zijn toevlucht tot een kunstgreep. De patriotse ballingen zouden een eigen ideologische kleur hebben gekregen, omdat hun Frans geïnspireerd radicalisme in toom werd gehouden door een typisch Nederlandse, christelijk-verlichte traditie. Een dergelijke constructie is om minstens twee redenen onbevredigend.
In de eerste plaats zijn er nog maar weinig historici die menen dat christelijke elementen in de Verlichting een typisch Nederlands verschijnsel waren. Overal in Europa was het Verlichtingsdenken doortrokken van het christelijke gedachtegoed. Wat verschilde, was de mate waarin het geseculariseerd was. Onduidelijk blijft ook waar het eigen democratische geluid van de radicale Bataven dan vandaan kwam. Uit die zogenaamd typisch Nederlandse, christelijk verlichte traditie? Of was het uiteindelijk toch een koekje van Frans deeg?
Bijziendheid
Pieter Wissing zet in zijn Stokebrand Janus 1787 de schijnwerper op de patriotse en Bataafse politieke mobilisering via de pers. Janus was een satirisch politiek tijdschrift dat de turbulente gebeurtenissen van 1787 gedurende een halfjaar van gekruid commentaar voorzag. Het blad kreeg in de Bataafse tijd diverse navolgers en kan daarom worden gezien als een interessante casus voor de politisering van de Nederlandse bevolking. Voor Wissing vormen Janus en zijn vele opvolgers (die overigens net zo’n kortstondig bestaan leidden) het bewijs dat de Nederlandse politiek in het revolutietijdvak definitief een modern karakter had gekregen.
Tegen een dergelijke visie zijn al eens steekhoudende bezwaren ingebracht. Niemand betwist dat de politieke pers een mooie graadmeter van de politieke temperatuur vormt. Een cruciale beperking blijft echter dat het politieke tijdschrift de periode van politieke turbulentie niet overleeft. Ook in de eerste helft van de negentiende eeuw blijft het een zeldzaam verschijnsel; minstens tot aan 1848 worden politieke meningsverschillen voornamelijk uitgevochten in brochures.
Ter verklaring van die – van de omringende landen afwijkende – ontwikkeling, is gewezen op de kleine schaal van Nederland. Het beperkte taalgebied en het geringe inwonertal heeft hier de levenskansen van het gespecialiseerde tijdschrift lange tijd drastisch ingeperkt. Om commerciële redenen stagneerde de algemene verbreiding van politieke periodieken en bleef hun levensduur beperkt.
Net als Rosendaal loopt Wissing stuk op wat ik maar de ‘bijziendheid’ van de postnationale geschiedschrijving noem. Beide auteurs passen zoals gezegd in de herwaarderingsgolf die in de jaren tachtig van de twintigste eeuw zijn beslag kreeg. Dat revisionisme was onlosmakelijk verbonden met het verdwijnen van de nationalistische geschiedschrijving. Het legde nieuwe interpretaties andere, maar in de praktijk even dwingende randvoorwaarden op.
Revisionistische historici dienen bijvoorbeeld aan te tonen dat de Bataven niet aan de leiband van de Franse revolutionairen liepen, maar een eigen Nederlands programma volgden. Alleen zo kunnen ze immers aannemelijk maken dat de Nederlandse geschiedenis van deze periode wel degelijk serieus genomen moet worden. Tegelijkertijd dienen ze aan te tonen dat Nederland op dezelfde wijze modern was als het buitenland. Het resultaat is een onmogelijke spagaat: aan de ene kant een beklemtonen van de nationale eigenheid, die vervolgens aan een internationale norm wordt getoetst.
De Echte Verlichting
Uniek Nederlands is deze paradox allerminst. Ook in de internationale geschiedschrijving over de Verlichting vinden we hem terug. Tot omstreeks 1975 was, volgens de standaardopvatting, Frankrijk het enige land waar een Verlichting van betekenis had plaatsgevonden. Sindsdien zijn er vele nationale verenigingen opgericht die alle wilden laten zien dat ook in hun land een echte Verlichting te vinden was. Tegelijkertijd klampen ze zich vast aan een zogenaamd internationale, maar in de praktijk Franse Verlichtingsnorm.
Deze ‘postnationale’ bijziendheid maakt goed zichtbaar dat de geschiedschrijving de nationale boeien nog lang niet volledig heeft afgeschud. De historische interpretaties die Engelse en Franse geschiedschrijvers in de negentiende eeuw hebben ontwikkeld – waarin de Verlichting, de Franse Revolutie en ook de Industriële Revolutie als centrale toetsmomenten voor het ontstaan van een moderne samenleving werden gedefinieerd – waren in eerste instantie bedoeld voor eigen gebruik. Al spoedig gingen die toetsmomenten als gevolg van de hegemoniale positie van Frankrijk en Engeland dienen als de kern van een Europese ontwikkelingsnorm. Achter dat ogenschijnlijk universele grand narrative gaat dus een op lokale ontwikkelingen geënt model schuil.
In de wetenschapsgeschiedenis is op dit moment een frontale aanval gaande op wat ‘het Angelsaksische interpretatiemodel’ genoemd wordt. Dat zou door zijn hegemoniale karakter alle alternatieve, meer Europese benaderingen van de wetenschapsontwikkeling in de kiem smoren. Wordt het dan geen tijd deze bijziendheid – het laatste overblijfsel van twee eeuwen nationale geschiedschrijving – ook voor de gewone geschiedenis te corrigeren?
Zou het niet mooi zijn een geschiedenis van het revolutietijdvak te kunnen schrijven waarin Bataven rustig aan de Franse leiband mogen lopen zonder dat daarmee direct de gehele Nederlandse geschiedenis van die periode wordt veroordeeld? Moet het niet mogelijk zijn een historische analyse te geven waarin de constatering dat het Nederlandse politieke tijdschrift veel later tot ontwikkeling komt dan elders niet meteen een oordeel inhoudt over de kwaliteit van de politieke modernisering van Nederland?
Laten we daarom ophouden de geschiedenis van de patriotten/Bataafse tijd te interpreteren als een illustratie van een ogenschijnlijk internationale, maar in werkelijkheid van dominante nationale geschiedenissen afgeleide ontwikkelingsnorm. Laten we het revolutietijdvak nu eindelijk eens bezien als een cruciale fase in het ingewikkelde transformatieproces dat Nederland in vergelijkend perspectief echt bijzonder en uniek maakt: de overgang van een samenleving waarin de stad de dienst uitmaakte naar een maatschappij waarin agrarische verhoudingen hun rechten herkregen.
Wijnand W. Mijnhardt is hoogleraar nieuwe geschiedenis te Utrecht en auteur van ‘1800. Blauwdrukken voor een samenleving’.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Aan de Franse leiband
Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795 door Joost Rosendaal. 735 p. Vantilt, euro 39,90 Stokebrand Janus 1787. Opkomst en ondergang van een achttiende-eeuws satirisch politiek-literair weekblad door Pieter van Wissing. 601 p. Vantilt, euro 34,90 ‘In den ganschen omvang der algemeene en bijzondere geschiedenissen van alle eeuwen en volken zoude het moeijelijk zijn een tijdvak...
De olifant en de walvis
Elke zondag na het eten vertelden mijn ouders over `de oorlog’. Net zo moet het in het antieke Griekenland zijn gegaan, met de verhalen over de Peloponnesische Oorlog. Dit conflict, dat de Griekse wereld van 431 tot 404 verscheurde, heeft zijn Loe de Jong gevonden in de Athener Thucydides. Met zijn recente vertaling (Eburon, 2002)...
Kijkgaatjes
In twaalf hoofdstukken en een epiloog beschrijft Theo Toebosch evenzoveel spraakmakende opgravingen in Nederland; als eerste die van Caspar Reuvens op het landgoed Arentsburg in 1827-1834, en als laatste die in het tracé van de Betuweroute bij Hardinxveld in 1997-1998. ‘De hoofdstukken zijn te vergelijken,’ zegt Toebosch, ‘met de proefsleuven die archeologen trekken. Het zijn...
Werkende vrouwen
Tot ver in de negentiende eeuw werden er nauwelijks afbeeldingen van werkende vrouwen gemaakt. Daar kwam verandering in met de opkomst van het realisme. De aanhangers van deze stroming in de beeldende kunst lieten zich inspireren door het gewone dagelijkse leven. Dat leven van alledag bleek ook door werkende vrouwen te worden bevolkt. In dezelfde...
Mijn verhaal
In ‘Mijn verhaal’ vertellen lezers over een historische gebeurtenis waarbij zij betrokken waren. Annie Grevelt (89) maakte in juli 1934 het Jordaanoproer mee. Met die opstand, waarbij zes doden en tientallen gewonden vielen, protesteerden de bewoners van de Amsterdamse Jordaan tegen een drastische verlaging van de uitkeringen door de regering-Colijn. ‘In de Jordaan hadden we...
De Vooruitgang
Proefschriften, lezingen en studies kunnen ons beeld van het verleden ingrijpend veranderen. Socioloog C.J. Lammers concludeert dat ons land sinds 1648 vrijwel continu een bezettende mogendheid is geweest. De gedachte dat Nederland als koloniale mogendheid ook als ‘bezetter’ kan worden beschouwd is niet nieuw. Maar hoeveel Nederlanders weten dat ons land ook jarenlang grote delen...
Desiderius Erasmus (ca. 1466-1536)
Nederland koos in 2004 de grootste Nederlander aller tijden. Historisch Nieuwsblad leverde een bijdrage aan de discussie met een serie portretten van historische Nederlanders, die een blijvende bijdrage hebben geleverd aan de Nederlandse samenleving en identiteit. Op 8: Erasmus, geleerde, humanist en intellectuele vader van tolerant en pacifistisch Nederland. Op 22 november 1996 stortte het...
Het Hoge Woord
De stichting Digitaal Monument Joodse Gemeenschap wil de namen en persoonlijke gegevens van alle 104.000 in de oorlog vermoorde joden op internet zetten. Dit is een verwerpelijke variant van het collectivisme waaruit de shoah zelf voortkwam, zegt cultuurhistoricus Hermann von der Dunk. Het wordt gênant om over de aantasting van normenbesef te schrijven bij al...
De problemen van immigranten zijn economisch, niet cultureel
De multiculturele romantiek uit de jaren zeventig heeft plaatsgemaakt voor een droombeeld van culturele eenvormigheid. Het is echter de vraag in hoeverre het begrip ‘cultuur’ bruikbaar is voor integratie. Problemen die onder de noemer ‘cultuur’ worden geschoven, zijn vaak een kwestie van inkomen, leefmilieu en opleiding. Op 19 januari presenteerde de Onderzoekscommissie Integratiebeleid het onderzoeksrapport...
Sensatie en sentiment in het levenslied
Van nieuwsvoorziening tot tranentrekker, van roddellied tot liefdesverklaring. De smartlap heeft nooit geleden onder gebrek aan belangstelling. Tijdens de opening van de tentoonstelling Ode aan de Zangeres Zonder Naam, in het Leidse museum De Lakenhal, vloeiden er tranen. Echte tranen. In een van de laatste kabinetjes draaide een film over het leven van de Zangeres....
Met de Roze Zaterdag had Roermond in 1979 de primeur in Nederland
Vandaag opent Nederland de Pride-maand met de kleurrijke botenparade door de Utrechtse grachten. De eerste Roze Zaterdag in 1979 markeerde het begin van de georganiseerde homobeweging in Nederland. Wat begon met een handjevol activisten in Roermond, groeide uit tot een landelijke traditie en bredere emancipatiestrijd.
De teruggevonden oprichtingsnotulen van de ARP
Onlangs kreeg de Vrije Universiteit de notulen aangeboden van de oprichtingsvergadering van de Anti Revolutionaire Partij, de eerste politieke partij van Nederland. Het verloren gewaande verslag is, waarschijnlijk in 1942, door een schoonzoon van ds. A. Kuyper jr. (inderdaad: de zoon ván) uit angst voor confiscatie door de Duitsers meegegeven aan dr. A. La Fleur....
