Alle artikelen
Meer dan dertig jaar leidde de landmacht militairen op voor vredesoperaties. Zonder enthousiasme en met minimale inzet. Zo verzuchtte Dutchbat-commandant Thom Karremans voor zijn vertrek naar Srebrenica: ‘De opbouw en training van dit bataljon is echt een kwestie van kunst- en vliegwerk.’ Hij stuitte op problemen die al tientallen jaren speelden.
Bijna 2500 soldaten verruilden het rustige Nederland in 2004 voor een vredesoperatie in een conflictgebied: Irak, Bosnië of Afghanistan. Hoe bereid je militairen voor op een dergelijke gevoelige en gevaarlijke missie? In het geval van een oorlog is het duidelijk: een militair moet leren vechten. Maar tijdens een vredesoperatie worden andere eisen gesteld. Zo hadden de Nederlandse militairen in Irak dagelijks contact met de plaatselijke bevolking, onderhandelen ze met stamhoofden en leidden ze Irakese agenten op.
Dat vraagt om kennis van het land, diplomatiek inzicht en sociale vaardigheid. De opleiding van de militairen is daar tegenwoordig op afgestemd en bestaat lang niet meer alleen uit gevechtsoefeningen, marslopen en de stormbaan. Begin jaren negentig lag dat heel anders. Op het moment dat de ene vredesoperatie op de andere volgde en de landmacht er in feite een nieuwe hoofdtaak bij kreeg, moest deze een enorme inhaalslag maken. Het duurde nog jaren voordat men alles op de rit had staan. Vreemd, want op papier leidt de landmacht al sinds 1965 militairen op voor deelname aan vredesoperaties.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Bullepezen
Het was de toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns die in 1965 tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aanbood een aantal landmachteenheden stand-by te houden voor vredesoperaties. Aan zijn voorstel waren enkele jaren touwtrekken tussen de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie voorafgegaan. Defensie was nooit voorstander geweest van stand-by-eenheden omdat het zich volledig wilde concentreren op het Russische gevaar. Met het aanbod van Luns trok het ministerie uiteindelijk toch aan het kortste eind.
Maar toen de militaire leiding van de krijgsmacht niet meer onder de VN-taak uitkwam, bedacht deze een slimme tactiek in de strijd met Buitenlandse Zaken. Men ging slechts minimale invulling geven aan het aanbod van Luns. De opleiding van de stand-by-eenheden werd nauwelijks serieus genomen. Het 44ste Pantserinfanteriebataljon dat was aangewezen als stand-by-eenheid, kreeg een training die zich vrijwel volledig richtte op de militaire NAVO-taak. De landmacht was onbekend met de VN-taak, gericht op vredeshandhaving, en deed ook niet de moeite zich daarin te verdiepen. De VN stationeerde zijn blauwhelmen altijd tussen twee strijdende partijen. En dus dacht de landmacht dat men zich maar het best kon richten op het handhaven van de openbare orde.
De VN-opleiding leek zo nog het meest op die van de Mobiele Eenheid van de politie. Uit het Zakboek voor diensten in VN-verband leerden de militairen van het 44ste iemand te ontwapenen (‘Sla met de vlakke hand (rechter) het wapen van de tegenstander naar links’), te fouilleren (‘Bij het fouilleren moet de kleding van de arrestant van boven naar beneden worden afgetast en niet beklopt’) en arrestanten op te brengen (‘Grijp de linker-, c.q. rechterarm van de arrestant en strek deze met de duim naar buiten’). Daarnaast oefenden zij het ‘beteugelen van woelingen’ met behulp van houten knuppels of bullepezen, die een zeer nuttig effect hadden bij ‘het uiteendrijven van kleine samenscholingen en het ontruimen van kroegen e.d.’.
Het hoge ME-gehalte zorgde voor de nodige achterdocht in linkse kringen. De vrees bestond dat deze groep ‘onlustbestrijders’ in Nederland zou worden ingezet ‘wanneer het Amsterdamse gezag zou besluiten om op Damslapers in te hakken’. Ook de vredesbeweging Pax Christi was kritisch. In een open brief aan minister van Defensie Willem den Toom nam deze de opleiding van de stand-by-eenheden onder vuur. De vredestaken zouden onvoldoende aan de orde komen. Pax Christi vroeg om extra aandacht voor thema’s als mentaliteitsvorming en algemene politieke oriëntatie. De nadruk lag nu te veel op de gevechtsvaardigheid van de militairen, terwijl ze toch stand-by stonden om de vrede te handhaven.
Den Toom hield in zijn antwoord echter voet bij stuk. Aan de eisen die een VN-operatie stelde, kon alleen een eenheid voldoen ‘die volledig militair is opgeleid en geoefend en naar moderne maatstaven is uitgerust en bewapend’. Een tragisch voorval tijdens de VN-operatie UNOC in Kongo had indruk op hem gemaakt. Daar was een peloton Ierse blauwhelmen overvallen ‘door een slechts met speren bewapende bende’. Door een gebrek aan transport kon het zich niet terugtrekken en werd het vrijwel geheel uitgemoord.
De discussie verloor echter al snel aan actualiteitswaarde. Een daadwerkelijke uitzending van het 44ste bataljon bleef in de jaren na 1965 uit en al snel sprak niemand meer over de VN-taak.
Blauwe helm
Pas in 1979 kwam daar verandering in. In Libanon was een vredesmacht nodig om toe te zien op de terugtrekking van de Israëlische troepen. De VN riep er de United Nations Interim Force in Lebanon (Unifil) voor in het leven. Op 12 januari 1979 besloot de Nederlandse regering een bijdrage te leveren aan deze VN-vredesmacht. Na veertien jaar stand-by te hebben gestaan, ging het 44ste Pantserinfanteriebataljon nu eindelijk aan een vredesoperatie deelnemen. Maar van de VN-taak van dit bataljon was inmiddels niet veel meer over. Het enige waar de militairen van het 44ste zich mee bezig hadden gehouden was datgene waar het totale Nederlandse leger zich op richtte: de mogelijkheid van een Russische invasie. Dat was heel anders dan het VN-werk, waarbij je met een blauwe helm op je hoofd vanuit een witgeschilderde wachtpost zonder het gebruik van geweld de vrede moest handhaven in een vreemd werelddeel.
De inhaalslag in de eerste maanden van 1979 ging gepaard met een enorme tijdsdruk. De nieuwe lichting dienstplichtige militairen van het 44ste restten maar zes weken tot aan vertrek. In die periode werd een compleet nieuwe VN-opleiding opgezet. Want nu de landmacht zich daadwerkelijk ging verdiepen in het optreden van blauwhelmen, was het al snel duidelijk dat het ‘beteugelen van woelingen’ in Libanon niet nodig zou zijn. Aantreden met schild en wapenstok zou waarschijnlijk slechts op de lachspieren werken van de zwaarbewapende militairen in Libanon. De oude VN-opleiding uit 1965 verdween in de prullenbak.
De beperkte richtlijnen, de korte voorbereidingstijd en de traditionele aandacht voor de militaire taak van het bataljon resulteerden in een opleiding die hoofdzakelijk gericht was op de vaardigheden die iedere landmachtmilitair kreeg aangeleerd, zoals schieten, wachtlopen en vechten. Een apart ‘VN-blok’ dat zich uitsluitend richtte op typische VN-taken als observatie, patrouillelopen en de omgang met de strijdende partijen en de plaatselijke bevolking was er niet.
Wel werd binnen de verschillende basisonderdelen aandacht besteed aan het komende VN-optreden. Zo zagen de militairen van het 44ste zich tijdens de oefening ‘Pantserstorm’ geconfronteerd met het pikante moment ‘waarop een als vrouw verklede commando, inclusief lippenstift en forse boezem, zich per fiets bij een wegversperring aandiende’, aldus een verslaggever van de Defensiekrant. De adjudant las zijn soldaten de les: ‘Wij blijven van deze dame af. Vrouwen worden alleen door vrouwen gefouilleerd.
Voor de aflossende eenheden was er gelukkig meer voorbereidingstijd. De specifieke VN-vaardigheden werden nu geconcentreerd in een afzonderlijk blokje ‘VN-opleiding’, dat overigens maar vier dagen duurde. De lesstof bestond uit onderwerpen als objectbewaking, rapporteren en patrouille lopen. De theorie werd vervolgens in praktijk gebracht tijdens de oefening ‘Waak Saam’. Deze oefening moest de operationele omstandigheden in Libanon simuleren.
Zo werden aspirant-blauwhelmen door met lakens uitgedoste bewapende opstandelingen omsingeld. Toen de militairen de leider van deze opstandelingen, Ali Ben Yusuf (gespeeld door een Libanon-veteraan) zover hadden gekregen de omsingeling op te geven, dienden zij de gewapende elementen met de grootste voorzichtigheid te ontwapenen. ‘Want,’ zo noteerde een officier die de oefening in de zomer van 1981 bezocht, ‘het verlies van een wapen vormt voor een Arabier een grote vernedering, zodat enerzijds de kans op schietpartijen niet is uitgesloten, terwijl anderzijds een dergelijke Arabier geneigd is zich vrijwillig voor zogeheten zelfmoordcommando’s op te geven teneinde zijn eer te herwinnen.’
Karremans
Naast de Unifil-opleiding was er inmiddels een minuscule opleiding opgezet voor de uitzending van enkele Nederlandse waarnemers in de Egyptische Sinaï-woestijn. Deze Multinational Force and Observers-missie (MFO) was ongevaarlijk en de opleiding stelde niet al te veel voor. Wel verbleef je lange tijd met een kleine groep collega’s in een afgelegen gebied. De voorbereiding stond daarom grotendeels in het teken van kennismaking en kon nauwelijks voor een serieuze opleiding doorgaan. Toen de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie in 1985 de Nederlandse bijdrage aan Unifil stopzetten, bleef alleen de MFO-opleiding nog bestaan. De landmacht was allang blij dat die zich weer volledig kon richten op zijn hoofdtaak: de verdediging tegen de Russen. Over de VN-taak van het 44ste sprak niemand meer.
De tactiek van het minimaal invulling geven aan de VN-verplichtingen, in 1965 vol overtuiging ingezet, werd zo met succes volgehouden tot de val van de Berlijnse Muur in 1989. Begin jaren negentig – de periode van een groeiend aantal vredesoperaties – moest de landmacht daarom opnieuw het wiel uitvinden. Waar grote vredesoperaties naar Cambodja en het voormalige Joegoslavië zich aandienden, viel de landmacht terug op de nietige MFO-opleiding, die werd omgedoopt tot Opleidingsdetachement Vredesmachten. Dit was er echter totaal niet op berekend grote eenheden op te leiden en bezweek al snel. Uitgezonden eenheden waren weer op zichzelf aangewezen.
Pas eind jaren negentig richtte Defensie een speciale staf op die militaire eenheden zou bijstaan tijdens hun voorbereidingen. Daarnaast bundelde deze de opleidingservaring binnen de landmacht. Het betekende hulp die al veel eerder welkom was geweest. In 1994 was het de commandant van Dutchbat III Thom Karremans die met de uitzending naar Srebrenica voor de deur in de Legerkoerier verzuchtte: ‘De opbouw en training van dit bataljon is echt een kwestie van kunst- en vliegwerk.’ En hoewel Karremans niet twijfelde aan de inzetbaarheid van zijn manschappen, blijft het toch verbazen dat de opleiding van Dutchbat III hetzelfde beeld van permanente hectiek en verwarring gaf als de opleiding van de Libanon-gangers vijftien jaar eerder.
Martijn Brugman is historicus. Dit artikel is gebaseerd op onderzoek bij het Instituut voor Militaire Geschiedenis van de Landmacht.
De voorbereiding van vredesmissies tot 1989
Meer dan dertig jaar leidde de landmacht militairen op voor vredesoperaties. Zonder enthousiasme en met minimale inzet. Zo verzuchtte Dutchbat-commandant Thom Karremans voor zijn vertrek naar Srebrenica: ‘De opbouw en training van dit bataljon is echt een kwestie van kunst- en vliegwerk.’ Hij stuitte op problemen die al tientallen jaren speelden. Bijna 2500 soldaten verruilden...
25 jaar na de rellen in de Voerstreek
Op 21 oktober 1979, vijfentwintig jaar geleden, bereikten de spanningen in de Belgische Voerstreek een kookpunt. Aanhoudende botsingen tussen Vlaamse en Waalse activisten leidden tot de staat van beleg en een veldslag met de politie. De huidige burgemeester van Voeren, Huub Broers (52), was een van de Vlaamse activisten. ‘Ik heb eigenhandig zevenhonderd Vlamingen Voeren...
De koning van Siam bezoekt Java
Dit jaar herdenken Nederland en Thailand vierhonderd jaar diplomatieke betrekkingen. De band tussen de landen werd midden negentiende eeuw hersteld met het bezoek van de Thaise ‘Vader des vaderlands’ aan Nederlands-Indië. Als het gouvernement van Nederlands-Indië in 1870 van de consul in Bangkok hoort dat de koning van Siam plannen heeft om Java te bezoeken,...
Tijdschrift
Het ziet er wat knullig uit: klein formaat, slecht afgedrukte foto’s en geen kleur. En toch is het tijdschrift Onvoltooid verleden altijd een genoegen om te lezen. Het jongste nummer van dit ‘kwartaalblad voor de geschiedenis van sociale bewegingen’ (2004/19) bevat een aardige bijdrage van de verzekeringshistoricus Jacques van Gerwen. Van Gerwen constateerde na lezing...
Beeldgeheim
Een oude foto. Wat is het verhaal erachter? Ton de Wit, hoofdredacteur van weekblad Party, en Cor de Horde, hoofdredacteur van het maandblad Vorsten Royale, wagen een poging. ‘Hoe mooi toch is fotografie in zwart en wit. Dat is de bevestiging die ik weer eens krijg bij de eerste aanblik van deze prachtige foto. En...
Nationale hartstochten
De omslagfoto van ’14-’18: de Grote Oorlog opnieuw bezien toont een in een gasmasker gehulde verpleegster. Het beperkte zicht dat zij daarmee had, symboliseert het onvolledige en onduidelijke beeld van de Eerste Wereldoorlog dat zo lang heeft bestaan. De Franse historici Audoin-Rouzeau en Becker proberen in een lang essay dit beeld bij te stellen. Volgens...
Geen doorsnee familie
Willemien Elling is gefascineerd door de Tweede Wereldoorlog, die ze – geboren in 1934 – ‘net heeft gemist’. Als ze geschiedenis gaat studeren in Amsterdam, is dat dan ook om ’te weten wat er werkelijk gebeurd is’. Ze raakt betrokken bij de studentendemonstraties en wordt lid van de CPN, maar probeert de wereld vooral te...
Kleurloos, sluw en intimiderend
Soeharto stond meer dan dertig jaar aan het hoofd van het grootste land van Zuidoost-Azië en is daarmee een van de belangrijkste figuren uit de recente Aziatische geschiedenis. Onder zijn bewind ontsteeg Indonesië de wurggreep van politieke chaos en economische malaise. Soeharto was kleurloos en ondoorgrondelijk, maar ook sluw en intimiderend – eigenschappen die de...
Geen rioolfilosoof
Jean-Paul Sartre was met afstand de lelijkste filosoof uit de geschiedenis. Hij keek scheel, was klein, en zijn gebit leek op een kerkhof vol omgevallen grafzerken. Bernard-Henri Lévy is de mooiste filosoof: zwart achterovergekamd haar, vurige donkere ogen en gekleed als een popster. Tot zover de verschillen. De overeenkomsten zijn veel talrijker: zowel Sartre als...
Een oeverloos palet
Voor mij liggen de eerste vruchten van het grootschalige project ‘Cultuur en migratie in Nederland’. De twee kloeke bundels Kunsten in beweging vormen de aftrap van wat een reeks van vijf delen moet worden, waarin ‘vanuit diverse invalshoeken’ wordt bezien ‘hoe de Nederlandse cultuur de laatste honderd jaar is veranderd door de komst van migranten’....
Daar wérd wat groots verricht…
Het verhaal van Amsterdam is het verhaal van een dorp dat uitgroeide tot een wereldstad, die daarna nog verder groeide – en daarbij toch weer het dorp werd dat hij tegenwoordig is. Amsterdam begon als een Utrechts dorpje van niks. Driehonderd jaar later was het de grootste stad van Holland. Als je die drie eeuwen...
Maarten van Rossem over D-day
Aan de herdenking van de geallieerde landing in Normandië werd in 2004 veel aandacht besteed. Als historicus zou ik daar tevreden over zijn, ware het niet dat de retoriek waarmee de herdenking gepaard ging de ware geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog voortdurend geweld aandeed. Dat was bovendien niet de eerste keer. De veertigste en de...
