• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 5/2004

    Lifestyle & Trends

    ‘Wasschen is goed, zwemmen is ’t beste’

    Door: Marjolein van Rotterdam

    De hotspots van negentiende-eeuws Parijs. Lekker weg in de jaren dertig. Haute couture in de Middeleeuwen. Trends zijn van alle tijden. Culinaire avonturen, mode, wonen en uitgaan door de eeuwen heen.


    De zomer van 1887 was heet. De droogte bereikte records, heel Nederland zuchtte onder het juk van de zon. Men snakte naar vocht. ‘Gloeiend, brandend, staat de julizon aan de hemel, en mensch en dier smachten naar een dronk,’ pende een briefschrijver aan de Roosendaalse krant De Grondwet. De hitte had desastreuze gevolgen: stadgenoten van de Roosendaler stortten zich in elke poel die ze maar vinden konden. Dat was soms gevaarlijker dan verwacht. Op 7 juli meldde de krant zes verdrinkingsdoden, in de volgende uitgave opnieuw zes, onder wie de zoon van de meubelmaker.

    Dat zwemmen was dus een probleem. De meesten Roosendalers beheersten de kunst niet. ‘De menschen smachten naar het genot om in frisch, stroomend water dat brandend heete gevoel te ontkomen,’ eindigde de briefschrijver in De Grondwet met een pleidooi voor de oprichting van een zweminrichting. Kennelijk op het juiste moment, want twee weken later meldde De Grondwet dat de aanbesteding voor een zwembad had plaatsgevonden. 

    Zo snel als in Roosendaal ging het meestal niet. Toch was er in de negentiende eeuw wel iets wat leek op een zwembadkoorts. In een architectuurhandboek uit 1899 werd Holland vermeld als het land van de vele zwembaden. De zwembaden, meestal ‘zweminrichting’ geheten, werden vooral gebouwd waar veel water was. Er werd niet altijd een bassin gegraven; een afgegrensd deel van een rivier of meer voldeed. Meestal waren de baden drijvende houten bouwwerken, met kleedhokken en schuttingen op pontons, en roosters onder water voor het tegenhouden van het vuil.

    De eerste zweminrichting opende in 1844, in Amsterdam. Twee jaar later kreeg Amsterdam een tweede openbaar bad, aan de Westerdoksdijk. Nieuw was dat er in de zwembaden zwemlessen werden gegeven. Zwemmen was altijd dierlijk geweest en dus onchristelijk, behalve voor militairen. De enigen in de geschiedenis die zich in het zwemmen hadden geoefend waren de Romeinse soldaten, en – veel later – die van Napoleon. De meeste Nederlanders hadden geen flauw benul hoe het moest.

    De zwemlessen begonnen niet in het water, maar op het droge: op de bank, in de ringen of in speciaal daartoe ontworpen apparaten. En desnoods met behulp van de radio. In 1928 begon de AVRO met radio-uitzendingen zwemles. Pas als je de slag beheerste, mocht je te water, aan de hengel. Was die fase achter de rug, dan lonkte eindelijk het vrijzwemmen.

    Om te voorkomen dat het uit de hand liep, waren er strenge regels. Voor de badkleding, en vooral voor wie met wie mocht zwemmen. In de Hengelose Zweminrichting Tuindorp – motto: Wasschen is goed, baden is beter, zwemmen is ’t beste – besloegen ze een hele lijst. De ‘dienstregeling’ maakte gewag van dames en meisjesuren, jongens en heerenuren, kinderuren (voor niet geabonneerde schoolkinderen), ouderuren (voor ouders met kinderen), en gemengde uren – niet toegankelijk voor kinderen beneden de 16 jaar, ‘tenzij onder geleide hunner ouders!’

    In andere baden hadden mannen en vrouwen aparte ingangen en soms zelfs aparte baden. In Zweminrichting de Houtvaart in Haarlem konden mannen en vrouwen tot aan het midden van de jaren zestig alleen in het ondiepe bij elkaar in de buurt komen. In het Amsterdamse Sportfondsenbad Oost kon er in 1932 gemengd worden gezwommen op dinsdag, donderdag en zaterdagmorgen, tussen 7 en 10 uur. Velen vonden zwemmen met de andere sekse een aantasting van de goede zeden.

    Ook bevreesdheid voor menging van de verschillende standen kwam voor. Haarlem had jarenlang een aparte zweminrichting voor ‘den minder gegoede man en het militair garnizoen’. Vlak voor de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam werd het omgebouwd tot een vijftig-meterbad. Dat bleek ook aantrekkelijk voor de beter gesitueerden: kampioen en later dé Tarzan aller Tarzans Johnny Weismüller kwam er trainen voor de Olympische Spelen.