De Canonafdeling van het Nederlands Openluchtmuseum sluit in 2027. Hierna zal er nergens meer een museale plek zijn waar de Nederlandse geschiedenis als geheel wordt gepresenteerd. Zo ontstaat dezelfde situatie als 25 jaar geleden, toen het Rijksmuseum zijn afdeling Nederlandse geschiedenis offerde aan de kunst. Ter compensatie deed de politiek een mislukte poging om een Nationaal Historisch Museum te scheppen. Cultuurhistoricus Thomas von der Dunk reconstrueert het debacle.
In den beginne was Karel V. Dat was de boodschap van het Rijksmuseum in mei 2000, nadat het de afdeling Vaderlandse Geschiedenis (geopend in 1948) drastisch had ingekort. Ik weet nog dat ik kort daarop met de toenmalige hoofdredacteur van Historisch Nieuwsblad Frans Smits verbijsterd door de nieuwe opstelling rondliep: de hele Middeleeuwen waren verdwenen.
Jozef Alberdingk Thijm en Pierre Cuypers, de katholieke aartsvaders van de in 1885 geopende nieuwbouw aan de Stadhouderskade in Amsterdam, zouden zich in hun graf hebben omgedraaid. Geen Romeinen of Franken, geen Karel de Grote, geen bisschoppen van Utrecht, graven van Holland of hertogen van Bourgondië, geen Bonifatius meer die bij Dokkum werd vermoord. Zij zouden een protestantse samenzwering hebben vermoed, waarmee opnieuw het katholieke aandeel aan de glorie van het vaderland doelbewust werd verdonkeremaand.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Het begin van de Nederlandse mensheid viel voor de Rijkmuseumdirectie voortaan nagenoeg samen met de komst van Willem van Oranje. Nu ja, om dat te snappen waren natuurlijk wel nog even Filips II en Karel V nodig, zo’n beetje als paapse antihelden. Zonder Duisternis immers geen Licht. Maar waar die twee zo plotseling vandaan kwamen, dat was niet echt van belang. Die waren er gewoon in den beginne, toen de uit Duitsland overgekomen Vader des Vaderlands in een uithoek van het Habsburgse wereldrijk het nieuwe Nederland schiep.
Deze inkorting van het Nederlandse geschiedverhaal vormde in feite een voorproefje van de complete opheffing van de afdeling, die met de aanstaande grote verbouwing (2003-2013) op het programma stond. Nadien zou de geschiedenis met de kunstgeschiedenis tot één geheel worden geïntegreerd. Op weg naar de Nachtwacht zou de bezoeker struikelen over het stokske van Oldebarnevelt en een van de vele kisten van Hugo de Groot.
Canoncommissie
Het voornemen veroorzaakte de nodige onrust, omdat zo de geschiedenis ondergeschikt werd gemaakt aan de kunst, om slechts als een toelichting bij die laatste te fungeren. Essentieel: een historisch verhaal vergt andere hoofdaccenten dan een kunsthistorisch. Het vraagt om andere objecten, zodat bij vermenging selectie op basis van esthetische kwaliteit in plaats van historische relevantie dreigde.
Speciaal de Raad voor Cultuur toonde zich dan ook zeer kritisch, en sprak zelfs van een grote verdwijntruc: ‘De keuze die het Rijksmuseum lijkt te maken is die voor een kunsthistorische opstelling, waaraan weliswaar een historische dimensie blijft toegevoegd, maar waaruit de geschiedenis als basisverhaal wegvalt.’ En dat in een tijdsgewricht waarin men zich juist zorgen maakte over de afnemende historische kennis van scholieren, zo niet van de Nederlandse bevolking als geheel. Het paradoxale was immers dat de groeiende belangstelling voor het verleden, zoals die uit bezoekersaantallen bij historische tentoonstellingen bleek, gepaard ging met het afnemen van de feitelijke kennis ervan.
Een historisch verhaal vergt andere hoofdaccenten dan een kunsthistorisch
Er was in 1996 door de redactie van Historisch Nieuwsblad onder Kamerleden een proefwerk Nederlandse geschiedenis uitgedeeld, met dodelijke reputatieschade voor de volksvertegenwoordiging tot gevolg. Niet Bonifatius, maar Willem van Oranje bleek volgens de nieuwste Haagse inzichten bij Dokkum vermoord.
Een eerste commissie onder leiding van Piet van Rooij kwam in juni 2001 daarom met een indeling in tien hoofdtijdvakken die als leidraad voor scholen zou moeten dienen, een tweede commissie onder leiding van Frits van Oostrom presenteerde in oktober 2006 vijftig Canonvensters met hetzelfde doel. Beide instrumenten moesten helpen om de chronologische samenhang in het geschiedenisonderwijs terug te brengen, in plaats van de gegroeide willekeur van onsamenhangende weetjes, van modieuze ditjes en datjes.
Nationaal Historisch Museum
Het aanstaande verdwijnen van de historische afdeling in het Rijksmuseum riep tegelijk een nieuwe discussie in het leven: of het niet tijd werd voor een apart Nationaal Historisch Museum (NHM), zoals ook andere landen dat bezaten? Dit ook tegen de achtergrond van een groeiend onbehagen over culturele globalisering en een daaruit resulterend verlangen naar behoud van nationale identiteit. Zo’n NHM diende mede aan autochtone en allochtone Nederlanders duidelijk te maken wat dan wel precies dat Nederland was, waarop we zo trots moesten zijn.
Het tijdschrift De Gids bracht in dit kader in mei 2002 een speciaal themanummer uit: Een Huis voor ons verleden. Een dozijn auteurs was verzocht om virtueel een afdeling van zo’n NHM in te richten, waarbij de thematiek uiteenliep van de geschiedenis van de nationale koloniën tot die van de nationale dieren en de nationale seks. Mij werd bij die gelegenheid de afdeling politieke geschiedenis toegeschoven – dus diegene die het dichtst bij de gecancelde opstelling van het Rijksmuseum stond.
Mijn speelse voorstel heb ik later uitgewerkt tot een aparte publicatie: Het Nederlands Museum. Een tweeduizendjarige wandeling door de vaderlandse geschiedenis. Op 11 maart 2005 werd het in het Haus der Geschichte in Bonn gepresenteerd. Het bevat het enige concrete voorstel dat een kwart eeuw discussie over het NHM heeft opgeleverd, inclusief een plattegrond met zaalindeling plus een opsomming van de tentoon te stellen objecten. Voor het nieuwe gebouw had ik als locatie de oostzijde van het Museumplein op het oog, en een bij het Rijksmuseum passende historiserende bouwstijl.
Inmiddels waren er al diverse initiatieven ontplooid om (tenminste de recente) Nederlandse geschiedenis onder het oog van een groter publiek te brengen. Die werden veelal gekoppeld aan de politieke actualiteit, en bezaten daarmee een sterke focus op Den Haag. Daaruit was de Stichting ANNO voortgevloeid, als multimediaal beleveniscentrum voor het organiseren van evenementen zonder eigen collectie en gebouw. ANNO ging echter dermate sterk de populariserende kant op, dat een deel van de eerst betrokken historici weer afhaakte en ook het aanvankelijk daarbij betrokken Rijksmuseum zich ervan distantieerde. In 2005 deed minister voor Bestuurlijke Vernieuwing Thom de Graaf tenslotte een poging de diverse initiatieven samen te voegen met een kabinetsvoorstel voor een Centrum voor Geschiedenis en Democratie.
In Bonn had op 11 maart 2005 ook toenmalig SP-fractievoorzitter Jan Marijnissen zijn boekje Waar historie huis houdt gepresenteerd, waarin hij zijn persoonlijke fascinatie voor geschiedenis liet uitmonden in een pleidooi voor een NHM. Al die manifestaties en tentoonstellinkjes van ANNO konden geen substituut zijn voor een vast gebouw op een vaste plek met een vaste presentatie. In 2006 concretiseerde hij dit door samen met CDA-fractieleider Maxime Verhagen – zelf historicus – een motie in te dienen waarin de oprichting van een NHM werd bepleit, dat in de plaats van De Graafs centrum moest komen.
Naar Arnhem
De motie werd met overgrote meerderheid aangenomen, met alleen de acht stemmen van GroenLinks tegen. Die verwoordden de angst van de tegenstanders voor een nationalistisch ‘negentiende-eeuws’ project. Daarbij speelde echter ook zorg van enkele museumdirecteuren om de eigen collectie een zichtbare rol. De vrij fel in de media verkondigde boodschap van zowel directeur Jan Vaessen van het Nederlands Openluchtmuseum (NOM) in Arnhem als directeur Wim Pijbes van het Rijksmuseum in Amsterdam luidde: het is gevaarlijk, het is onwenselijk, het is overbodig – en zo’n nationaal geschiedenismuseum is er bovendien al, namelijk het mijne. Toen dat uiteindelijk niets uithaalde, werd het standpunt al snel aangepast en bemoeiden beiden zich alsnog met de plannenmakerij. If you can’t beat them, join them.
Zo versterkten zij wat vanaf de aanvang een praktische hypotheek op alle plannen legde: het gebrek aan een eigen collectie. De belangrijkste historische objecten stukken bevonden zich allang in andere musea. Over gemeenschappelijke tentoonstellingen viel te praten, maar iets van belang (in bruikleen) afstaan, dat wilde niemand.
Dit voort zeurende probleem werd echter al snel overschaduwd door de discussie over de locatie, en de ongelukkige hand van de nieuwe minister van Onderwijs Ronald Plasterk daarin. In elk normaal land staat het eigen NHM vanzelfsprekend in de hoofdstad. Voor een Nederlands NHM komen zo logischerwijs maar twee steden in aanmerking, afhankelijk van waarop men het accent wil leggen en welk publiek men wil bedienen: Den Haag en Amsterdam. Ligt de nadruk op de culturele bloei en de Gouden Eeuw, en wil je vooral buitenlandse toeristen trekken, dan kies je voor Amsterdam. Ligt de nadruk op staatkundige geschiedenis, uitmondend in de hedendaagse politiek en democratie, vooral leerzaam voor Nederlandse gezinnen en schoolklassen, dan kies je voor Den Haag. Van de twee initiatiefnemers had dienovereenkomstig Marijnissen het Paleis op de Dam op het oog, Verhagen de vrijkomende Amerikaanse ambassade aan het Lange Voorhout.
ANNO-directeur Wim van der Weiden kreeg de opdracht een plan uit te werken, waarbij de gloednieuwe Canon voor de inhoudelijke opzet leidend moest zijn. Zijn voorstel werd op 8 september 2006 door het kabinet overgenomen. Hoewel daarbij een duidelijke voorkeur werd uitgesproken voor Den Haag, besloot Plasterk zonder inhoudelijke argumentatie op 26 april 2007 tot een concurrentieslag tussen drie steden: Amsterdam, Den Haag plus – verrassenderwijs – Arnhem. Die drie moesten nu met een uitgewerkt voorstel komen. De hele trits andere steden dat zich op eigen initiatief prompt óók kandidaat gesteld had, stuitte zonder nadere opgave van reden op een ministerieel njet.
Amsterdam opperde – net als ik twee jaar eerder had gedaan – nieuwbouw aan de oostzijde van het Museumplein. Den Haag wilde die nabij het Binnenhof, in directe relatie tot de Tweede Kamer en een debatcentrum. Arnhem kwam meteen al met een uitgewerkt bouwplan van Francine Houben voor een heuse Canontoren van 50 miljoen euro op het voorterrein van Vaessens NOM, waarbij Vaessen zelf intussen een actieve rol was toebedacht.
Nog verbazingwekkender: Arnhem won. Vermoedelijk omdat in de nieuwe coalitie het CDA voor Den Haag geporteerd was en de PvdA voor Amsterdam, en beide niet de ander de overwinning gunden. Dat maakte uiteraard geen deel uit van de officiële verklaring van Plasterk, toen die op 29 juni 2007 de toewijzing aan Arnhem bekendmaakte. Voor Arnhem heette te pleiten dat de locatie goed bereikbaar was voor touringcars, geschikt voor schoolreisjes, en families toch al massaal op het Openluchtmuseum en Burger’s Zoo afkwamen. Die konden dan gemakkelijk van de molens via de moord op Willem van Oranje door naar de olifanten, want het nieuwe NHM kwam er precies tussenin.
Omstreden directeuren
Alleen: het NHM kwam er niet. Marijnissen achtte de keuze voor Arnhem idioot, en zal zich daarin bevestigd hebben gevoeld door wat er vervolgens gebeurde. Elke nieuwe concrete stap van Plasterk deed de wenkbrauwen fronsen, en zorgde voor wrevel en vervreemding bij de voorstanders van het NHM en voor nieuwe munitie voor de tegenstanders. De meest omstreden stap: met ingang van 1 oktober 2008 werden Erik Schilp, directeur van het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen, en Valentijn Byvanck, directeur van het Zeeuws Museum in Middelburg, samen tot directeur benoemt. Daarmee begon het gedonder namelijk pas echt.
Net als Vaessen was Schilp eerst fel tegenstander van het NHM. Nu wilde hij directeur worden om te voorkomen dat het te nationalistisch werd. Precies zoals Vaessen het op zijn voorterrein wenste om het onder controle te krijgen.
De manier waarop beide nieuwe directeurs in hun ‘eigen’ musea te werk waren gegaan, had een waarschuwing kunnen zijn. Zij bleken al spoedig weinig op te hebben met de basisingrediënten van het Haagse NHM-concept – geschiedenis, een museum en een collectie – en met de beoogde bouwlocatie. De Canon moest wijken voor vijf vage thema’s: ‘ik en wij’, ‘land en water’, ‘rijk en arm’, ‘oorlog en vrede’, ‘lichaam en geest’. Een postmoderne hutspot, aldus Marijnissen verbolgen. Ook vakhistorici hekelden het gebrek aan een chronologisch raamwerk en de keuze voor opgeleukte onderwerpjes. Het NHM dreigde meer een experimenteerhuis dan een museum te worden, waarbij de directie vooral in interactieve games en gadgets geïnteresseerd bleek, en amper in concrete objecten die voor de beoogde ‘historische sensatie’ moesten zorgen.
Tot enige daadwerkelijke uitwerking van de plannen zou het bovendien nooit komen. Het enige wat de directie met een jaarlijks budget van 5 miljoen en een stevige staf aan blijvends wist te produceren, bestond uit een dun boekje zonder enig concreet voorstel, met vage schetsjes en nietszeggende tekstjes in groot-letter-formaat.
Bovenal wilden de beide directeuren weg van de afgesproken locatie. De beoogde samenwerking tussen NHM en NOM kwam niet van de grond, het onderling wantrouwen overheerste. Schilp en Byvanck vreesden een aanhangsel te worden van het NOM, dat hen letterlijk op de vingers kijken kon. Voor Schilp was volledige autonomie essentieel. In mei 2009 kwamen de directeuren derhalve plots met een andere plek op de proppen, bij de John Frostbrug aan de Rijn. Twee dagen nadat Vaessen met pensioen was gegaan, maakten ze de verhuizing bekend. Het belangrijkste argument: te verwachten parkeerproblemen op de oude plek.
Maar vervolgens greep de Tweede Kamer in: op 3 juli 2009 ging een streep door elke verhuizing. Vanaf dat moment ging het nauwelijks meer over de inhoud, maar voornamelijk over de prijs. Alleen al de nu naast het NOM benodigde parkeergarage bleek in juli 2010 60 miljoen te kosten. Daarmee liep de zaak vast.
Executie
Terwijl daardoor tevens de keus voor Arnhem als zodanig op het spel kwam te staan, loste Pijbes vanuit het Rijksmuseum een cruciaal schot voor de boeg. In september kondigde hij aan om het pistool waarmee Pim Fortuyn op 6 mei 2002 was vermoord in zijn eigen museum tentoon te zullen stellen. Het was niet de eerste potentiële aankoop die het Rijksmuseum onder de neus van het NHM had weggekaapt. Voor Pijbes lag het simpel: zijn museum was in feite gewoon al het nationale geschiedenismuseum. Een apart nieuw NHM was volstrekt overbodig.
Op 30 oktober 2010 trok tenslotte Halbe Zijlstra, de nieuwe staatssecretaris voor cultuur, de subsidie voor het museumgebouw in Arnhem in. Omdat hij 200 miljoen moest bezuinigen, achtte hij een uitgave van 50 miljoen voor iets nieuws onverkoopbaar. Wel mocht het NHM als organisatie nog even blijven, om met reizende tentoonstellingen de verspreiding van historische kennis te bevorderen. De laconieke houding waarmee Schilp deze executie onderging, voedde het in Arnhem toch al bestaande wantrouwen jegens hem verder. Drie dagen later werd bekend dat het NHM voor vijf jaar de Amsterdamse Zuiderkerk had afgehuurd. Spoedig bleek dat de verhuizing al ettelijke weken eerder was geregeld, terwijl ooit was afgesproken dat ook een eventuele tijdelijke locatie in Arnhem gezocht zou worden.
In feite was hiermee het doek voor het NHM gevallen – definitief. Door de wensen van de Tweede Kamer – de chronologische opzet, de Canon, de locatie bij het NOM – steeds opzichtig te negeren, had de directie inmiddels te veel goodwill verspild. Na Zijlstra’s fatale besluit heeft het NHM nog een jaar in de Zuiderkerk voort gevegeteerd. In mei 2011 zou de directie daar alleen nog de minitentoonstelling 100m2NL openen. In een doos van 100 vierkante meter, één procent van de ooit gewenste ruimte, werd 250.000 jaar Nederlandse geschiedenis samengevat. Het bleek de zwanenzang. Op 31 december 2011 werd ook de tijdelijke locatie in Amsterdam opgedoekt.
Door de wensen van de Tweede Kamer steeds opzichtig te negeren, had de directie te veel goodwill verspild
Toch zou de tragikomedie nog een klein satanisch staartje hebben. In 2017 sloegen de twee feitelijke doodgravers van het NHM – het Rijksmuseum en het NOM – de handen ineen. Er gebeurde precies wat Schilp had willen voorkomen: het NHM werd een soort ondergeschikte opmaat tot het NOM. In Arnhem werd in het entreepaviljoen voor 15 miljoen een tentoonstelling over de vijftig Canonvensters ingericht.
Afgelopen november werd bekend dat ook deze expositie in 2027 zal worden opgedoekt. Wat ons dan nog rest, is de geïntegreerde opstelling die in het Rijkmuseum sinds 2013 te bezoeken is. Daar is inderdaad, geheel conform de vrees van de Raad voor Cultuur, de vaderlandse geschiedenis volledig opgelost in de vaderlandse kunst.
