• Afrekenen
  • Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 1/2005

    Hans Blom over zestig jaar 4 en 5 mei

    ‘Op een bevrijdingspopfestival zul je mij niet vinden’

    Door: Frans Smits

    Zestig jaar geleden kwam er een einde aan de Tweede Wereldoorlog. Dat wordt dit jaar groots gevierd. Hoe hebben we de oorlog in Nederland sinds 1945 herdacht? Een gesprek met Hans Blom, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). ‘Ik voel er wel voor om de bevrijding van Auschwitz op 27 januari 1945 officieel te herdenken.’

     
     
    Jammer dat prins Bernhard er dit jaar niet meer bij is?

    ‘Vind ik wel. Hij had een bijzondere rol met het defilé dat hij elk jaar afnam in Wageningen. Het zou overigens dit jaar de laatste keer zijn geweest. Bernhard was een soort beschermheer van de veteranen. Typisch was dat hij zich er niets van aantrok of iemand communist was. Verzetsdaden stonden voorop, vond hij. Bernhard was voor velen hét symbool van het verzet, terwijl hij zelf niet in het verzet heeft gezeten.’ 

    Zestig jaar herdenken we nu de oorlogsslachtoffers en vieren we de bevrijding. Hoe lang gaan we hier nog mee door?

    ‘Heel erg lang. Tot er iets gebeurt wat even erg is. Voor de grap zeg ik wel eens: 4 en 5 mei lopen pas gevaar als Friese en Limburgse separatisten in opstand komen en een kernbom op de Randstad gooien. De Tweede Wereldoorlog heeft in Nederland de plaats ingenomen van de Opstand. Vóór de oorlog was die gebeurtenis de belangrijkste voor onze nationale identiteit. Tijdens de herdenking van 4 mei en de viering van 5 mei staan onze basiswaarden centraal, alles wat ons bindt. 
               
    Je kunt drie thema’s onderscheiden. Het nationale thema: het is kwalijk wanneer een volk door een ander volk wordt overvallen en overheerst. Dan is er het politiek-ideologische thema: de parlementaire democratie, welke gebreken die ook heeft, verdient de voorkeur boven elke andere staatsvorm. En ten slotte is er het thema van de mensenrechten: je mag mensen niet discrimineren, vervolgen of uitroeien.’ 

    Begon het herdenken al direct na de oorlog?

    ‘Ja, en je kunt vanaf die tijd een conjunctuur met pieken en dalen in de intensiteit van het herdenken vaststellen. In de eerste fase – de direct naoorlogse jaren – was er een piek. De herinnering aan het ondergane leed was nog vers. Nu pas drong door hoe groot de catastrofe was geweest: qua verlies aan mensenlevens en qua materiële schade. Er was een enorme behoefte aan verhalen over de oorlog, en overal werden monumenten opgericht. Het nationale thema overheerste. Wederopbouw, daar ging het om. Samen de schouders eronder om de bevochten vrijheid niet in pure armoede te laten ondergaan. Voor individueel psychisch leed was weinig belangstelling. En er was ook geen ruimte voor bijzondere aandacht, voor maatregelen of voorzieningen voor de joden op grond van het wel heel bijzondere lot dat hen had getroffen.

    Deze fase is wel “kil” genoemd. Dergelijke kwalificaties werden ook in die tijd zelf gehoord. Maar veel toenmalige klagers onderschreven ook de prioriteit van het herstel van de natie. Vanaf 1950 verflauwde de belangstelling voor de oorlog en begon een tweede fase. Het waren de hoogtijdagen van de Koude Oorlog. Behalve het nationale trad ook het politiek-ideologische thema op de voorgrond. De communisten hadden een grote rol in het verzet gespeeld. Maar nu rees de vraag of zij nog wel deel konden uitmaken van de nationale volksgemeenschap. Velen dachten van niet. Het gaf aanleiding tot hevige strijd, vooral bij de herdenking van de Februaristaking en van de communistische verzetsheldin Hannie Schaft.’ 

    Vanaf de jaren zestig veranderde natuurlijk alles?

    ‘Toen begon de derde fase, met opnieuw een piek in de belangstelling. Je had De bezetting van Loe de Jong op televisie, het Eichmann-proces in Jeruzalem en het boek Ondergang van Jacques Presser. De jodenvervolging ging een steeds belangrijkere rol spelen en werd in de jaren zeventig zelfs de kern van het verhaal over de oorlog. Daarmee kwam het thema van de mensenrechten centraal te staan. Het begrip “fout” kreeg een veel ruimere invulling. Hadden wij ons wel zo “goed” gedragen? Zo raakte het nationale thema op de achtergrond.

    Ook was er meer aandacht voor de lotgevallen van concrete individuen en het psychisch leed van oorlogsgetroffenen. Voor deze laatste groep kwamen er voorzieningen: de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers in 1972 en een speciale kliniek voor de behandeling van oorlogsslachtoffers, het Centrum 1945, in 1973.

    In de jaren tachtig, de vierde fase, verflauwde het debat over de oorlog. Maar tegelijkertijd kwam er aandacht voor een aantal tot dan toe op de achtergrond gebleven groepen . Eerst de Indische kampslachtoffers – de bevrijding van Indië op 15 augustus werd een nationale feestdag – en later de andere burgerslachtoffers.’ 

    Aan het eind van de jaren negentig zag je een enorme oorlogshype?

    ‘Het begon in het buitenland met de commotie rond de slapende Zwitserse banktegoeden. In hoog tempo waaierde de hype uit naar allerlei andere aspecten van de naoorlogse behandeling van oorlogsslachtoffers. Nieuw in deze vijfde fase was dat er financiële compensatie werd geëist. Er werd door de vertegenwoordigers van de slachtoffers keihard onderhandeld. Het leverde de joden, de Sinti en Roma en de Indische groepen honderden miljoenen guldens op. Inmiddels is er een einde aan deze hype gekomen.’ 

    Wat als er geen mensen meer zijn die de oorlog bewust hebben meegemaakt?

    ‘Nu zie je die mensen nog bij herdenkingen; zij kunnen uit eerste hand vertellen over wat er in de oorlog gebeurde. Als zij er niet meer zijn, gaan we natuurlijk anders herdenken. Je ziet nu ook al dat het 4 en 5 Mei Comité zich richt op groepen die weinig of niets van de oorlog af weten. Je moet dan enorm versimpelen en werken met slogans als “Vrijheid is kiezen en delen” en “Vrijheid delen is de kunst”. En sinds een aantal jaren zijn er de bevrijdingspopfestivals. Goed dat ze er zijn, maar mij zul je er niet vinden. Ik kan niet tegen die herrie.’ 

    Na de dodenherdenking van twee jaar geleden in Amsterdam voetbalden Marokkaanse jongeren met de gelegde kransen. Kun je deze groep bij de herdenkingen betrekken?

    ‘We zouden wel eens in een gevaarlijke situatie kunnen belanden als de terroristische dreiging aanhoudt. Zeker, geweld moeten we met alle middelen zien te voorkomen. Maar aan de andere kant dreigt het gevaar van vreemdelingenhaat en een confrontatie met allochtonen en islamieten. Krijgt dit de overhand, dan ontstaat er een breuk in ons vertoog over wat we als natie zijn en wat we op 4 en 5 mei herdenken en vieren. Je moet hier iets aan doen vind ik – groepen binden.

    Wat betreft de Marokkaanse jongeren ligt er een taak voor het onderwijs. Laat hun met concrete voorbeelden zien wat die Tweede Wereldoorlog was. Betrek de oorlog op hun eigen situatie, hun eigen geschiedenis. Bovendien moet je duidelijk maken dat je Israël niet kunt gelijkstellen met de joden.’

    In Frankrijk en Engeland wordt de bevrijding van Auschwitz op 27 januari 1945 herdacht. Moeten we dat in Nederland ook niet doen?

    ‘Ik voel er wel voor om van 27 januari een officiële herdenkingsdag te maken. De holocaust is steeds meer op de voorgrond komen te staan als we het over de Tweede Wereldoorlog hebben, en met goede redenen. Het Auschwitz Comité wordt overigens steeds belangrijker en organiseert dit jaar op 27 januari voor de tweede keer de Nooit meer Auschwitz-rede.’

    Wat doet het NIOD op 4 en 5 mei?‘We hebben de tentoonstelling Oorlogskind gemaakt, die door het hele land reist. Verder houden we een lezingenreeks in Utrecht over  de oorlog en de bezetting. Er zijn lezingen over Anne Frank, burgemeesters in oorlogstijd en oorlogstrauma’s. Zelf spreek over de geschiedschrijving van de oorlog in Nederland sinds Loe de Jong.’