Groen had een afkeer van de moderne, liberale staat, die stoelde op de idealen van de Franse Revolutie. Elke revolutie leidde volgens Groen onvermijdelijk tot ellende, zoals de terreur van Maximilien de Robespierre bewees. In zijn hoofdwerk Ongeloof en Revolutie (1847) schreef Groen dat de Franse Revolutie ten diepste voortkwam uit ongeloof, uit foute onchristelijke ideeën. Daarom noemde hij zichzelf antirevolutionair.
Tegenover de revolutie stelde hij het evangelie. Voor Groen waren ‘ongeloof’ en ‘evangelie’ geen puur religieuze termen, maar aanduidingen voor twee wereldbeelden. In het ene maakte de mens zichzelf tot maatstaf, in het andere stonden traditie en morele grenzen centraal. Groen geloofde bovendien in het ‘drievoudig snoer’ God, Nederland en Oranje. Daarmee bedoelde hij dat de Nederlandse geschiedenis door God was geleid, via het Huis van Oranje. Daarom wordt zijn denken ook wel christelijk-historisch genoemd.
Groens navolgers hebben zijn ideeën vaak gebruikt voor hun eigen conservatieve agenda. Groen zou niet alleen tegen de Russische Revolutie zijn geweest, maar ook tegen de seksuele revolutie van de jaren zestig. Het verst ging de SGP. Toen in 2001 Groens tweehonderdste geboortedag werd herdacht, gaf de partij aan alle leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen het boekje Vonken van heilig vuur. Het was een strijdschrift tegen de paarse kabinetten, democratie en kosmopolitisme. Niet alleen euthanasie en het homohuwelijk moesten het ontgelden, maar ook democratische vernieuwing en de Europese eenwording.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Groen accepteerde de grondwet
Maar klopt dit beeld van een haast reactionaire, anti-democratische Groen wel? Het ligt genuanceerder, vertelt zijn biograaf Gertjan Schutte, die later dit jaar hoopt te promoveren. ‘In 1830 was Groen nog zeer overtuigd monarchist, maar in de jaren daarna raakte hij teleurgesteld in het Nederlandse koningshuis, vanwege de nieuwe katholieke vrouw van koning Willem I en de buitenechtelijke escapades van diens opvolger Willem II.’ Bovendien maakte Groen na de invoering van de grondwet van 1848 een wending. ‘Hij wilde vanuit eigen organisaties verder werken aan een protestants-christelijk Nederland. Principieel had Groen moeite met de neutrale staat van Johan Rudolf Thorbecke, maar hij accepteerde die als voldongen feit, ook omdat de grondwet het mogelijk maakte om protestants-christelijke scholen op te richten. Het revolutiejaar 1848 was niet te vergelijken met de Franse Revolutie, zeker in Nederland niet.’
Als denker bleef Groen zich dus ontwikkelen en daarbij keek hij goed naar de politieke realiteit, zowel in Nederland als daarbuiten. Zo kwam hij in conflict met de machtigste protestantse staat op het Europese continent: Pruisen. Dit Duitse koninkrijk begon in de jaren 1860 aan een razendsnelle expansie onder leiding van kanselier Otto von Bismarck. In 1864 versloeg Pruisen samen met Oostenrijk Denemarken in de tweede oorlog om Sleeswijk-Holstein. Twee jaar later overwonnen de Pruisen de Oostenrijkers en annexeerden ze het koninkrijk Hannover, het keurvorstendom Hessen, het hertogdom Nassau en de vrije stad Frankfurt. Groen vreesde de Pruisische machtsuitbreiding, omdat hij die zag als een directe bedreiging voor de Nederlandse onafhankelijkheid. Maar ook had hij principiële bezwaren tegen de Realpolitik van Bismarck, die geen respect had voor het historisch gegroeide.
‘Napoleontische’ politiek van Bismarck
Daarom schreef Groen in maart 1867 de Franstalige brochure La Prusse et les Pays-Bas (‘Pruisen en de Nederlanden’). Hij reageerde op een artikel in de Neue Preussische Zeitung – vanwege een groot kruis in de titel stond de krant ook wel bekend als de Kreuzzeitung – waarin gepleit werd voor een Anschluss van Nederland bij Pruisen. Volgens de krant was Nederland allang geen grote mogendheid meer en waren de Nederlanders jaloers op het Pruisische succes.
Groen reageerde als door een wesp gestoken. De Kreuzzeitung was ooit opgericht door Groens geestverwant Friedrich Julius Stahl, een conservatieve Pruisische rechtsfilosoof. Maar volgens Groen verloochenden Stahls geestelijke kinderen diens erfenis, door als een blind paard achter de ‘napoleontische’ politiek van Bismarck aan te hobbelen. Veel protestanten waren gecharmeerd van Bismarck, omdat hij de katholieke Oostenrijkers een pak rammel had gegeven. Maar volgens Groen waren de vijanden van je vijanden niet automatisch je vrienden. De revolutie kon nooit je bondgenoot zijn. Hij herinnerde ‘mes amis de Berlin’ aan Stahl en riep hen op, afstand te nemen van Bismarck.
Nederland was nog niet verloren, zo besloot Groen. Hij herinnerde zijn Pruisische lezers aan de Tachtigjarige Oorlog, toen het kleine Nederland won van de Spaanse overmacht. Zijn brochure eindigde met de woorden: ‘Wij wensen niet te worden weggevaagd, niet te worden geannexeerd.’
Toen de Kreuzzeitung reageerde dat er van een annexatie van Nederland door Pruisen absoluut geen sprake was en dat Groen apocalyptische visioenen schilderde, schreef Groen een tweede brochure, L’Empire Prussien et l’Apocalypse (‘Het Pruisische Rijk en de Apocalyps’). Daarin deed hij een nog dringender beroep op zijn vrienden in Berlijn: ze zouden verblind zijn door Bismarcks politieke succes en van het nieuwe nationalisme een ideologie hebben gemaakt.
Groen verwees naar een gesprek tussen Bismarck en de gezant van de koning van Hannover. ‘Als het om de heiligste belangen en het bestaan van Pruisen gaat, dan erken ik niet langer rechten,’ zou Bismarck hebben gezegd. De gezant antwoordde dat die uitspraak rechtstreeks inging tegen de geest van Stahl. Bismarck zei daarop dat hij zelfs met de revolutie en ieder die hem wilde steunen een verbond wilde sluiten, als het om het voortbestaan van Pruisen ging.
Deal met de duivel
Volgens Groen was de nationalistische en imperialistische politiek van Bismarck ‘zelfvergoding’, wat een nieuwe ideologische gestalte van de revolutiegeest behelsde. In een voetnoot verwees Groen naar de legende van Faust en diens deal met de duivel. ‘Het lijkt erop dat staatslieden zich soms laten verleiden door het idee dat je een revolutie kunt ontketenen, haar kunt inzetten voor je eigen doelen en daarna weer kunt terugduwen. Maar ze zouden zich moeten realiseren wat de oude volkslegende duidelijk maakt: je kunt wel een pact sluiten met de duivel zodat hij je dient – en hij doet dat ook, want hij houdt zich aan de afspraak – maar uiteindelijk, op het beslissende moment, bedriegt hij je toch.’

Pruisen was volgens Groen niet het oude Heilige Roomse Rijk in een nieuwe gedaante, maar een echt imperium, zoals de keizerrijken van de Caesars en de Bonapartes. ‘Het ging Groen om de historische traditie,’ zegt Schutte. ‘Bismarck zei hier als conservatief ook in te staan, maar Groen wilde hem ontmaskeren. Bismarck respecteerde het historisch gegroeide immers niet.’
Volgens Groen-kenner Jan-Willem Kirpestein is zijn kritiek op Bismarck vandaag de dag weer actueel met het oog op Vladimir Poetin en Donald Trump, die aan het internationaal recht geen boodschap hebben. ‘Het ging Groen om diepere onvervreemdbare waarden, die je abstract wetenschappelijk misschien kunt wegredeneren, maar bronwaarden zijn voor mens-zijn en samenleven. De Franse Revolutie leidde volgens Groen tot geestelijke leegheid, die deze existentiële levensbeginselen op de tocht zette. Bismarck was een conservatief, maar zijn op macht gerichte nationalistische politiek was onheilspellend en existentieel leeg.’
