‘In het museale landschap zien we standaard geallieerde voertuigen terug,’ weerlegt Erik van den Dungen, directeur van het Oorlogsmuseum Overloon. ‘Als museum stelden we onszelf de vraag wat we hieraan konden toevoegen. Daarmee kwam in 2010 het initiatief Militracks tot stand, waar we juist de Duitse voertuigtechniek zien; een stukje bewust vergeten geschiedenis. Deze voertuigen zijn technisch veel geavanceerder, maar krijgen de kans niet om getoond te worden.’
Dat is zonde, vindt Van den Dungen. Maar volgens Rob van der Laarse, hoogleraar erfgoed van de oorlog aan de UvA, is deze insteek niet onschuldig. ‘Het exclusief tentoonstellen van Duitse tanks straalt een mate van superioriteit uit. Dat deze voertuigen uit de taboesfeer worden gehaald is één ding, maar dat ze vervolgens, door middel van proefritjes, tot sensationele beleving gemaakt worden, is van een heel ander niveau.’
Sensatiebijeenkomst
De rol die de voertuigen hebben gespeeld in het nationaal-socialistische verleden van de Jodenvervolging en de nazi-terreur wordt op Militracks nauwelijks uitgelicht. Dat gebrek aan informatie vinden experts problematisch. ‘Dat er bij dit evenement uitsluiteind Duitse militaire voertuigen aanwezig zijn is een feit waar wat kanttekeningen bij geplaatst mogen worden,’ stelt Kees Ribbens, onderzoeker aan het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust-, en Genocidestudies. Hij vindt het een bijzonder aanzicht: een militair event op het terrein van een museum dat de verantwoordelijkheid draagt om de samenleving te onderwijzen. ‘Het zijn twee extreem uiteenlopende weergaven van de oorlog,’ concludeert Ribbens.
Volgens Rob van der Laarse draagt Museum Overloon ook tijdens het evenement de verantwoordelijkheid om haar publiek te informeren over het nazi-verleden. ‘Je bent een museum of je bent het niet,’ constateert hij. ‘Uiteraard zijn er mensen met een fascinatie voor het Derde Rijk, en als museum mag je daar gerust aandacht aan besteden. Maar dat moet dan wel heel kritisch zijn. Vele bezoekers van Militracks zien het event los van het bijbehorende museum, terwijl dat er juist een essentieel deel van hoort te zijn. De vorm van re-enactment die het evenement biedt, voelt als een sensatiebijeenkomst en is in geen enkele mate historisch of informatief.’
Ribbens veronderstelt niet dat dezelfde bezoekers die ‘genieten’ van de voertuigen, ook de bezoekers zijn die de geschiedenis van het nationaal-socialisme als prioriteit hebben. Volgens hem is hier een zeker risico aan verbonden. ‘Zonder de juiste kritische kanttekeningen, kan het bewonderen van nazi-erfgoed leiden tot romantisering van het nazi-verleden, ook als dit niet de intentie van het evenement is. Als er publiek aanwezig is zonder enige weet van de geschiedenis, dan schiet er zeker iets tekort.’
Borstbeelden van Hitler te koop
Ook de bijbehorende markt, waar allerlei Duitse oorlogsmilitaria worden verhandeld, zorgt bij beide experts voor fronsende wenkbrauwen. Zo waren er bij eerdere edities van het evenement nazi-vlaggen, hakenkruizen en beelden van Hitler te koop. Als gevolg werd Oorlogsmuseum Overloon beschuldigd van het commercialiseren van nazi-propaganda.
‘De markt is geen educatief evenement,’ licht Ribbens toe. ‘Het is puur handel en commercie. Daarom is het belangrijk om te begrijpen wat de motieven zijn van de kopers die op de markt afkomen. De toegankelijkheid van de markt impliceert dat deze objecten losstaan van de achterliggende politieke ideologie, wat ik erg onbevredigend vind. Mensen houden zich met extreem beladen objecten bezig zonder te laten meewegen wat het nazi-regime op haar kerfstok heeft staan.’
Van der Laarse voegt hieraan toe: ‘Deze “beleving” gaat echt extreem ver. Het gaat hier om de commercialisering van een heel pijnlijk verleden. De materie die daar verkocht wordt, is niet los te zien van antisemitisme, racisme en genocide. Naar mijn mening valt dit in het straatje van nazi-verheerlijking. Het normaliseert iets dat niet genormaliseerd moet worden. Dat een commerciële markt verbonden is met een oorlogsmuseum, dat een beladen maatschappelijke verantwoordelijkheid draagt, is buitengewoon opmerkelijk.’

Directeur Van den Dungen beaamt dat Overloon deze plicht draagt. ‘Wij zijn het oudste oorlogsmuseum van Nederland, als er iemand is die die verantwoordelijkheid heeft dan zijn wij het.’ Hij legt uit dat er genoeg informatie beschikbaar is voor de bezoekers van Militracks in het museum zelf, wat direct naast het evenement gelegen is. Dat misschien niet iedereen die interesse heeft vindt hij buiten zijn maatschappelijke last vallen: ‘Ik kan niet garanderen dat 17.000 bezoekers de gehele Nederlandse oorlogsgeschiedenis in zich opnemen.’
Van den Dungen licht toe dat een groot deel van de kopers en verkopers daar met een semiprofessionele insteek zijn. Het zijn vaak particulieren met een kleine verzameling die naar het evenement komen om wat geld te verdienen. De meeste handelaren op de markt keren ieder jaar terug. ‘Als iemand voor een negatieve ervaring zorgt, komt diegene ons terrein niet meer op,’ garandeert de directeur. ‘Daar waar dat kan, willen we een markt aanbieden die binnen de grenzen van normaal en integer valt.’ De meeste kopers zijn verzamelaars van oorlogsmateriaal of restaureren militaire voertuigen. ‘Dit soort mensen komen uit heel Europa en proberen op onze markt onderdelen te vergaren,’ verklaart Van den Dungen.
Stickertjes op hakenkruizen
‘Wat er op de markt verkocht wordt, kan variëren van militaria tot historische boeken of voertuigonderdelen,’ somt Van den Dungen op. ‘Nazi-speelgoed of -merchandise proberen we uiteraard te voorkomen, al zijn spullen waarop nazi-symbolen zijn afgebeeld wel toegestaan. Zo zal er bijvoorbeeld op een Duits bajonet ongetwijfeld een Wehrmacht-adelaar of een ander nazi-gerelateerd symbool staan. Zoiets kunnen wij er niet afhalen. Dat moeten we overigens ook niet willen; het is een blijft een historisch object.’
Volgens Ribbens is het weergeven hiervan eigenlijk alleen acceptabel in een educatieve context, om op die manier oorlogsgeschiedenis tastbaarder te maken. ‘Dat het hier op een markt gebeurt met een commercieel oogpunt, zorgt ervoor dat de educatieve doeleinden vervagen.’ De nazi-symbolen die Van der Dungen ‘onvermijdbaar’ noemt, moeten wel afgedekt worden. Ribbens zet hier vraagtekens bij. ‘Wat er wel en niet getolereerd wordt, biedt ruimte voor misverstanden. Ook zijn op dergelijke markten lang niet alle objecten authentiek. Het kopen en verkopen van replica’s neigt naar nazi-verheerlijking en ideologische normalisering.’
‘Ondanks dat we het bedekken van symbolen zo goed en zo kwaad mogelijk proberen te handhaven, dragen de bezoekers zelf de verantwoordelijkheid voor het bijwonen van ons evenement,’ vindt Van den Dungen. Mensen die zoiets niet willen zien, hoeven niet op ons terrein te komen. Het gebeurt niet op een braderie of in een dorp; mensen komen willens en wetens naar het evenement toe, en daar hoort Duits historisch erfgoed bij.’ Volgens Ribbens is dit te simplistisch. ‘Om zo een markt te combineren met een voertuigenevenement, dat ook kinderen als bezoekers trekt, is riskant. Zij zouden hier onder andere omstandigheden nooit te vinden zijn.’
De aankondiging op de officiële website van Museum Overloon dat Militracks bovenal een ‘gezellig evenement’ is, ‘waar mensen met technische interesse elkaar kunnen ontmoeten, ervaringen uitwisselen of hun inkopen kunnen doen op de grote militariamarkt’, draagt bij aan mogelijke verwarring over de aard van het evenement. Net zoals de toevoeging dat ‘de ligging in de bossen’ een dagje Militracks ‘absoluut tot een belevenis voor jong en oud maakt’.
Nazi-verheerlijking
Ondanks deze vrolijke aankondiging houdt het museum wel rekening met bezoekers die nazi-verheerlijkend gedachtegoed met zich meedragen. ‘We zijn bedacht op dit soort volk,’ aldus Van den Dungen. ‘We leven nu eenmaal in een vrij land, al heb ik ze er natuurlijk liever niet bij. Bezoekers mogen daarom ook geen Duitse uniformen dragen: wij trekken een hele duidelijke grens tussen gedachtegoed en gedachte-uiting.’ Dit vindt Van der Laarse opmerkelijk: ‘het is nogal hypocriet om wel uniformen te verkopen maar vervolgens de bezoekers te verbieden ze aan te trekken, al zou dat helemaal absurd zijn. Het is in ieder geval geen onnodige waarschuwing; het meerderdeel van de bezoekers is daar voor sensatie, en niet om te verzamelen zoals Van den Dungen claimt. Er komen wel tienduizenden mensen op af, zoveel verzamelaars zijn er simpelweg niet.’
De directeur van Overloon vertelt dat er ieder jaar wel een aantal uitglijders zijn, maar ontkent grote incidenten. ‘We hebben de boel hier aardig onder controle; misschien niet voor 100, maar wel voor 90 procent.’
Ontbrekende context
Ribbens beaamt dat het lastig is om bezoekers met extreem-rechts gedachtegoed buiten de deur te houden. Ook vindt hij het te kort door de bocht om te stellen dat de mogelijke aanwezigheid van dit soort bezoekers op zichzelf betekent dat de aard van het evenement problematisch is. ‘De fout van Overloon is het onkritisch loskoppelen van de voorwerpen en hun verwante ideologie. Het regime dat deze objecten en voertuigen mogelijk heeft gemaakt, mag niet buiten beeld vallen; die nuance moet er altijd zijn. Bij Militracks staan deze pijnlijke geschiedenissen helaas niet bepaald voorop. De nationaal-socialistische voertuigen worden met pracht en praal gepresenteerd.’
Van der Laarse sluit zich hierbij aan: ‘Ik vind de oorlogsrepresentatie die domineert bij Oorlogsmuseum Overloon te simplistisch. Het museum is gesticht rondom de verloren Slag bij Overloon, waar de Duitsers de Engelsen en de Amerikanen versloegen. In mijn optiek geeft Overloon deze tegenslag weer als het onvermijdelijke gevolg van de sterke machinerie en wapens van de Duitsers. Deze interpretatie wordt door de voertuigritjes en militariahandel op Militracks aanzienlijk versterkt. Een evenement als dit draagt in ieder geval een heel groot risico met zich mee,’ vat Van der Laarse samen. ‘Het heeft uiteindelijk alles te maken met morele kaders. Militracks doet afbreuk aan het oorlogsmuseum en de principes waarvoor het hoort te staan.’
