• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 2/2016

    Robespierre en de Terreur van de Franse Revolutie

    Ideoloog van de Terreur

    Door: Maurice Blessing

    In 1793 ontspoort de Franse Revolutie: duizenden vermeende contrarevolutionairen worden vermoord. Drijvende kracht achter de executies is Maximilien de Robespierre. Hoe kon deze fletse jurist uitgroeien tot de morele leider van de Terreur?

    Tegen het einde van de middag van 5 april 1794 bereiken de wagens met veroordeelden de Rue Saint-Honoré. Het samengestroomde publiek houdt de adem in. De Parijzenaars komen maar voor één man: Georges Jacques Danton. Van alle politici van de Eerste Franse Republiek is de charismatische Danton, met zijn imposante voorkomen en stem als een brulboei, altijd het meest zichtbaar geweest. Nu wordt ook hij geslachtofferd door het wrede regime waarvan hij zelf deel uit maakte.

    Schijnbaar onbewogen kijkt Danton voor zich uit, op weg naar zijn eindbestemming: de guillotine op de Place de la Révolution. Slechts heel even laat hij zich gaan: als hij de verblijfplaats van zijn oude vriend en politiek strijdmakker Maximilien de Robespierre op nummer 366 van de Rue Saint-Honoré in het vizier krijgt. De man die Danton ooit schreef dat hij één met hem was in al zijn smart, heeft hem overgeleverd aan de dodelijke willekeur van het Revolutionair Tribunaal. Robespierre laat zich echter niet zien; Frankrijks machtigste en meest gevreesde politicus blijft verborgen in het schemerdonker van zijn woonkamer.

    Tegen de tijd dat Robespierre zijn onderkomen verlaat, is het bloed op de Place de la Révolution al opgedroogd en is de zon ondergegaan. Hij spoedt zich door het halfduister naar de nabijgelegen Jakobijnenclub. Daar houdt hij die avond een lange redevoering over de vele contrarevolutionaire samenzweringen die de Republiek onverminderd bedreigden. Hij staat die dagen op het toppunt van zijn macht – en is amper drie maanden verwijderd van zijn eigen executie.

    Dat de Revolutie die het Franse volk in 1789 ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ had moet brengen, zou uitmonden in honger, chaos en geweld was te voorzien. Velen hadden daarvoor gewaarschuwd. De Franse koning voorop – voordat hij zijn hoofd verloor. Maar dat van alle republikeinse politici het juist de bleke, ziekelijke en weinig charismatische jurist Robespierre was die uit de wanorde zou komen bovendrijven, dát had geen tijdgenoot durven voorspellen.

    De jonge Robespierre

    Om iets van hem en zijn opmerkelijke politieke opmars te begrijpen, moeten we terugkeren naar zijn jeugd in het Noord-Franse provincieplaatsje Arras, waar hij op 6 mei 1758 wordt geboren. Robespierre is zes jaar oud als zijn moeder overlijdt en zijn lichtzinnige vader hem en zijn twee jongere zussen en broer zonder enige middelen van bestaan achterlaat. Vanaf dat moment is hij volledig aangewezen op de goedertierenheid van familie, vreemden en de kerk. Zo leert hij het belang van het opbouwen en onderhouden van relaties in te zien. Maar ook dat hij, in laatste instantie, alleen op zichzelf kan vertrouwen.

    Vijf jaar later weet Robespierre dankzij zijn vlijt en serieuze karakter een beurs in de wacht te slepen voor het prestigieuze Parijse Collège Louis-le-Grand. Bij dit voormalige jezuïeteninstituut ontvingen eerder grootheden als Molière en Voltaire hun onderricht. Hij wordt er opgeleid tot jurist, krijgt een strenge zedelijke moraal ingepeperd en raakt bekend met het werk van de grootste denkers van de westerse beschaving.

    Het zijn met name de ideeën van de romantische verlichtingsfilosoof Rousseau die grote invloed uitoefenen op de jonge, sentimenteel aangelegde Robespierre. Volgens Rousseau is ieder mens van nature goed en zuiver. Het slechte in de mens is volgens hem dan ook niet het gevolg van de Zondeval – zoals de kerk vanouds beweert –, maar van de maatschappij, die zo is ingericht dat zij enkel de belangen van de corrupte elite dient. De mens kan dan ook alleen terugkeren naar zijn oertoestand van morele zuiverheid wanneer het volk de macht grijpt ten koste van de immorele elite, stelt Rousseau. Deze visie zal de leidraad vormen voor Robespierres latere politieke carrière.
     

    Politieke crisis

    Na zijn studie keert hij terug naar Arras, waar hij een advocatenpraktijk begint. Waarschijnlijk zou hij zijn leven hebben gesleten als een nogal eenzame, relatief succesvolle jurist met gefnuikte dichterlijke ambities, als Frankrijk in 1788 niet op een dreigend bankroet was afgestevend. De Franse koning Lodewijk XVI tracht de financiële crisis te bezweren door meer regeringsmacht naar zich toe te trekken, ten koste van de adel en geestelijkheid. Die adel verkrijgt in de strijd met de koning de steun van het volk – ‘de derde stand’ –, waarop een politieke patstelling ontstaat.

    Ten einde raad – of in een slinkse poging de drie opstandige standen tegen elkaar uit te spelen – roept Lodewijk XVI de Staten-Generaal bijeen. Deze nationale vergadering van de drie standen, die in 1614 voor het laatst is bijeengekomen, krijgt de haast onmogelijke opdracht een oplossing te vinden voor de nationale crisis. Robespierre besluit zijn geluk in de nieuwe politiek te gaan beproeven. Hij stelt zich kandidaat als een van de acht afgevaardigden van de derde stand voor de provincie Artois, op basis van een programma dat het lot van de vele armen en de corruptie van aristocratie en geestelijkheid aan de kaak stelt. Wonder boven wonder wordt hij verkozen.

    Op 20 juni 1789 neemt hij als bleue politicus deel aan de beroemde ‘Eed op de Kaatsbaan’. Die dag trekken de afgevaardigden van de derde stand het initiatief naar zich toe om een nieuwe, democratische grondwet op te stellen.

    Robespierre ontpopt zich als Revolutionair

    Op 14 juli 1789 breekt de Revolutie uit: een Parijse volksmeute bestormt uit onvrede over de slechte economische situatie de gevangenis in de Bastille en draagt de afgehakte hoofden van gevangengenomen gezagsdragers op pieken door de stad. Robespierre weigert het geweld te veroordelen. Als de natie moet worden verdedigd, zo zal hij korte tijd later uitleggen, kan ook een misdaad prijzenswaardig zijn.

    Tijdens de eerste, chaotische jaren na de Revolutie vindt Robespierre langzaam maar zeker zijn eigen, unieke politieke stem. Hij werpt zich steeds vaker op als de compromisloze vertolker van ‘de wil van het volk’. Dat hij in werkelijkheid nauwelijks of geen contact heeft met de doorsnee burgers met wie hij zich identificeert, lijkt niemand op te vallen. Door zijn ascetische levenswijze en zijn rechtlijnige toewijding aan de abstracte idealen van de Revolutie, verwerft hij de bijnaam ‘de onomkoopbare’. Zijn reputatie van morele zuiverheid maakt het hem gemakkelijker zijn politiek tegenstanders succesvol van corruptie en machtsmisbruik te beschuldigen. Het is een tactiek waarvan hij zich in toenemende mate zal bedienen.
     
    Intussen is het zonneklaar dat de Revolutie en de val van de monarchie op 10 augustus 1792 de honger en armoede onder de Franse bevolking niet hebben kunnen wegnemen. Integendeel, de ellende is alleen maar toegenomen nu het land wordt geteisterd door opstanden in de provincie en oorlogen met Oostenrijk en Pruisen en, later, met Engeland, de Nederlanden en Spanje. Robespierre en zijn medestanders binnen de radicale politieke factie van de jakobijnen wijten de humanitaire crisis echter niet aan de Revolutie of het falen van de Republiek. Zij wijzen liever naar hun vele binnenlandse, ‘contrarevolutionaire’ vijanden, zoals de gematigde factie van de ‘girondijnen’.
     

    Aanstichter van de Terreur

    Aan wie het maar horen wil, verkondigt Robespierre dat de Revolutie slechts kan worden gered wanneer het Franse volk eens en voor altijd wordt bevrijd van de Franse vijfde colonne van ‘sluwe schurken en politiek charlatans, bedreven in diefstal en het verraad van vertrouwen’. Hij stelt daarom voor de verworvenheden van de Revolutie – zoals de vrijheid van de pers en het geweten – vanwege de politieke noodtoestand op te schorten. Om ‘een deugdzame samenleving van gelijke, onbedorven en serieuze patriotten’ te kunnen vestigen is het gebruik van terreur noodzakelijk, betoogt Robespierre nu. ‘De terreur is niets anders dan snelle, strenge en onwrikbare justitie.’

    Hij pleit dan ook, met zijn vriend Danton, voor de instelling van een Revolutionair Tribunaal, dat als een seculiere Inquisitie over het ‘patriottische’ karakter van de Franse burgers moet gaan waken. Robespierre en Danton krijgen uiteindelijk hun zin, mede als gevolg van de zogenoemde Septembermoorden van 1792. De hongerende bevolking van Parijs neemt in die maand het heft in eigen hand en slacht, in een orgie van wraak en bloeddorst, meer dan duizend medeburgers af.

    Niet veel later veroordeelt het Revolutionair Tribunaal ‘contrarevolutionaire’ Franse burgers tot de guillotine. De leden van het Tribunaal dragen zwarte kleding en een zwarte pluim op de hoed, en worden gekozen door het radicale volksbestuur van Parijs, de Commune. Veel juryleden zijn analfabeet en onbekend met de meest basale rechtsprincipes. Bovendien verschijnen ze niet zelden dronken op hun werk.

    Er is ook nog een sterke hand nodig om het instrument van het Tribunaal te kunnen bedienen, menen de jakobijnen. Op 17 juli 1793 treedt Robespierre toe tot de twaalf man tellende Franse noodregering, het zogenoemde Comité van Algemeen Welzijn, dat Frankrijk sinds twee maanden bestuurt. Zo levert hij een belangrijk aandeel aan de beruchte Wet op de Verdachten van 17 september. Hiermee kan iedereen worden gearresteerd die de indruk wekt ‘een vijand van de vrijheid’ te zijn.

    De invoering van deze draconische noodwet wordt algemeen beschouwd als het startpunt van ‘de Terreur’ die de Franse bevolking tot de zomer van 1794 in zijn greep houdt. Niet alleen de leidende girondijnen, maar ook zo’n 16.000 andere, vaak volstrekt onschuldige Franse burgers worden in deze periode door het regime ter dood veroordeeld.

    Het totale aantal slachtoffers van de Terreur ligt echter veel hoger. De volksopstanden die in de provincie zijn uitgebroken, worden met buitengewone wreedheid neergeslagen. ‘Lyon bestaat niet meer,’ constateert Robespierre triomfantelijk wanneer Frankrijks tweede stad is verwoest door de republikeinse troepen en zo’n tweeduizend inwoners uit wraak zijn terechtgesteld.
     

    De Terreur zaait dood en verderf

    Ook elders vinden massa-executies plaats, waarbij kanonnen worden ingezet. In de opstandige Vendée nemen de revolutionaire troepen hun toevlucht tot massale groepsverdrinkingen, waarbij mensen ruggelings aan elkaar gebonden in het water worden geworpen. Meestal man en vrouw samen; dit wordt spottend het ‘republikeinse huwelijk’ genoemd. In totaal vinden enkele tienduizenden Franse burgers in deze inktzwarte periode de dood.

    Het optreden van de jakobijnen mag dan spotten met alle republikeinse principes, vanuit het oogpunt van de machthebbers is de Terreur een groot succes. Eind 1793 zijn de binnenlandse opstanden grotendeels onderdrukt, en krijgt het gemilitariseerde Frankrijk in de strijd tegen de buitenlandse vijanden weer de overhand.
    Maar dat betekent niet dat de leden van het regime zelf veilig zijn. De Terreur richt zich namelijk in toenemende mate tegen zijn initiators. Wie kun je nog vertrouwen als elke tegenwerping, elke aarzeling door je collega’s als een tekort aan revolutionaire toewijding en daarmee als landverraad kan worden uitgelegd? Met name Robespierre, die altijd al overal samenzweringen zag, gaat zich te buiten aan paranoïde zuiveringen in zijn directe omgeving.

    Op 24 juli 1794 betreedt de ‘onomkoopbare’ zelf het schavot. Robespierre heeft zijn eigen machtsbasis zo sterk uitgedund dat zijn vijanden hun kans schoon zien hem en zijn resterende politiek vertrouwelingen weg te werken voordat zij zelf zouden worden geëxecuteerd. Op weg naar de guillotine wordt Robespierre, pas 36 jaar oud, maar fysiek en geestelijk een oude man, door woedende burgers uitgescholden voor ‘moordenaar’ en ‘monster uit de hel’. Robespierres ontspoorde ideologische strijd, gevoerd in naam van datzelfde razende en tierende volk, heeft zijn eindstation bereikt.
     
    Maurice Blessing is journalist. 
     
    Meer weten
    Fatale zuiverheid. Robespierre en de Franse Revolutie (2006) Ruth Scurr weet Robespierre overtuigend tot leven te wekken.
    Robespierre. A Revolutionary Life (2012) Peter McPhee schetst een sympathiserend portret van de Franse radicaal.
    The Coming of the Terror in the French Revolution (2015) Timothy Tackett over de revolutionaire Franse politici.