Home Dossiers Populisme De populistische People’s Party

De populistische People’s Party

  • Gepubliceerd op: 22 oktober 2020
  • Laatste update 18 jan 2024
  • Auteur:
    Koen Vossen
  • 7 minuten leestijd
People's Party cartoon.
Populisme: Benito Mussolini houdt een toespraak
Dossier Populisme Bekijk dossier

Donald Trump krijgt vaak het predicaat ‘populist’. Maar met de Amerikaanse grondlegger van het populisme, de People’s Party, heeft hij weinig gemeen. Deze partij streed juist in naam van de gewone man tegen de invloed van rijke zakenlieden in de politiek.

‘Populisme’ is in de twintigste eeuw synoniem geworden voor demagogie, simplisme, onverdraagzaamheid en xenofobie. Maar de ideeën van de grondleggers van het populisme hadden daar niets mee te maken. De eisen van de People’s Party, die in 1891 was opgericht, waren eerder links dan rechts en kwamen soms zelfs dicht in de buurt van het in Europa populaire socialisme. Zo bepleitte de partij onder meer de invoering van een inkomstenbelasting, de nationalisatie van de spoorwegen en telefonie, een kortere werkweek en een directe verkiezing van senatoren.

Meer lezen over het populisme? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Als pakkende bijnaam voor haar aanhangers bedacht de partij de naam ‘populisten’. Het was een op dat moment nog niet bestaande term, die moest benadrukken dat de partij niet socialistisch was, maar wel opkwam voor de gewone mensen.

De People’s Party strijdt tegen het racisme van de zuidelijke Democraten

Dat de partij fel ageerde tegen het toenmalige establishment was goed te begrijpen in dit tijdperk van corrupte Congresleden en een groeiende sociale ongelijkheid. Tegenover een kleine groep steeds rijkere en machtigere miljonairs, zoals John D. Rockefeller, Cornelius Vanderbilt en Andrew Carnegie, stond een grote massa van boeren en arbeiders die het hoofd nauwelijks boven water konden houden. Veel trotse kleine boeren zaten door de almaar dalende landbouwprijzen met een enorme schuldenlast opgezadeld, terwijl de lonen van de arbeiders door de aanhoudende immigratie laag bleven. Vooral speculanten en bankiers leken te profiteren van de economische modernisering en schaalvergroting. In de zuidelijke staten voerden racistische Democraten de boventoon, onder meer door de zwarte kiezers weg te houden van de stembus, terwijl de Republikeinen aan de oostkust de oren lieten hangen naar het grootkapitaal. Vanuit Washington was weinig heil te verwachten met zwakke, inmiddels vrijwel vergeten presidenten als Rutherford B. Hayes, Chester A. Arthur, Grover Cleveland en Benjamin Harrison.

Derde kandidaat

Onverdraagzaam en xenofoob waren de populisten allerminst. De People’s Party was ontstaan vanuit verschillende boerenbonden, waaronder ook enkele zwarte boerenbonden, en streed juist tegen het racisme van de zuidelijke Democraten. Onder leiding van de journalist-boer Leonidas Polk en de Democratische afgevaardigde Thomas E. Watson zochten de boerenbonden contact met vakbonden in de industriesteden. Ook de suffragette Mary E. Lease sloot zich aan bij de People’s Party en werd een van de populairste sprekers van de partij.

Rally van de People's Party.
Rally van de People’s Party, 15 juli 1890, Columbus, Nebraska.

Op 4 juli 1892 hield de People’s Party haar conventie in Omaha in de landbouwstaat Nebraska. Met een vlammend betoog van de schrijver Ignatius Donnely presenteerde de partij zich aan de wereld. De natie stond aan de rand van een morele, politieke en materiële afgrond, zo heette het in het partijprogramma. Het was corruptie wat de klok sloeg, in de advocatuur en het rechtswezen, in de handel en in de financiële sector, in het Congres en in de media. De Democratische en Republikeinse partijen waren verworden tot bendes die de schatkist plunderden. De regering moest weer in handen komen van de gewone Amerikanen, die met hun goede inborst en praktische ervaring het land er weer bovenop konden helpen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Wie zijn de opvolgers van de populisten?

Na de Tweede Wereldoorlog raakte het imago van de People’s Party verder beschadigd dankzij een invloedrijk essay dat de historicus Richard Hofstadter in 1964 publiceerde, getiteld The Paranoid Style in American Politics. Volgens Hofstadter paste de People’s Party in een Amerikaanse traditie van anti-intellectualisme, racisme en complotdenken die doorliep tot aan McCarthy’s heksenjacht in de jaren vijftig en extreem-rechtse groeperingen als de in 1959 opgerichte John Birch Society. Populisme was in zijn ogen, kortom, een soort Amerikaans fascisme.

Een heel andere visie komt naar voren in het gloednieuwe boek van historicus en journalist Thomas Frank: The People, No. Volgens Frank stond de People’s Party voor een Amerikaanse variant van het Europese socialisme. Frank, die eerder al in invloedrijke boeken als What’s the Matter with Kansas? (2004) en Listen Liberal (2006) ageerde tegen de in zijn ogen wereldvreemde en elitaire koers van de Democraten, stelt dat zij Trump alleen kunnen verslaan als ze een meer populistische koers volgen naar het voorbeeld van de People’s Party. In Franks ogen was zowel de New Deal-politiek van Franklin Delano Roosevelt uit de jaren dertig als de multiraciale sociaal-democratie die Martin Luther King in de jaren zestig voorstond geïnspireerd door de People’s Party. Dat is wel heel veel eer voor een politieke muis die uiteindelijk maar kort brulde.

Het boek van Frank maakt wel duidelijk dat de exacte plaatsbepaling van de People’s Party meer dan honderd jaar na dato nog steeds politiek geladen is. Wie Hofstadters analyse volgt, zal de partij immers vooral zien als een voorloper van Donald Trump en diens America First-politiek. Wie Thomas Frank volgt, zal eerder geneigd zijn om een politicus als Bernie Sanders als de ware populist te zien.

Omdat beoogd presidentskandidaat Leonidas Polk kort voor de conventie onverwachts was overleden, kozen de populisten voormalig Democratisch Congreslid en generaal James Weaver als presidentskandidaat voor de verkiezingen van 1892. Met de slogan Equal rights for all, special privileges for none plaatste de partij zich in de traditie van de legendarische Andrew Jackson, die tussen 1829 en 1837 als president opkwam voor de ‘gewone Amerikaan’. Maar de verkiezingen van 1892 kwamen voor de People’s Party duidelijk nog wat te vroeg. Hoewel Weaver als ‘derde kandidaat’ behoorlijk wat aanhang kreeg onder zowel zwarte en witte boeren, slaagde hij er niet in om de tweestrijd tussen Democraten en Republikeinen te verstoren.

Messias uit Nebraska

Toen er in 1893 een fikse economische crisis uitbrak, kreeg de People’s Party de wind in de zeilen. Binnen een jaar verdwenen er meer dan 4 miljoen banen en was een kwart van alle arbeiders werkloos. Terwijl de herkozen Democratische president Grover Cleveland met de handen in het haar zat, kwamen de populisten met een duidelijke oplossing voor de economische nood: de Verenigde Staten moesten af van de goudstandaard, die Cleveland had ingevoerd. Door de slinkende goudvoorraad overtrof de vraag naar goud het aanbod, waardoor geld duur werd en daarmee alle leningen en schulden vrijwel onbetaalbaar waren geworden. Dit probleem zou in één klap verholpen zijn door de dollar te koppelen aan de zilverstandaard. Er zou een betere, meer sociale samenleving ontstaan, zo meenden de populisten.

Met de slogan Free Silver mobiliseerde de People’s Party steeds meer aanhangers, zoals duidelijk bleek bij de Congresverkiezingen van 1894, waar de populisten veel stemmen afsnoepten van zowel Democratische als Republikeinse kandidaten. Vooral in de zwaar aangeslagen Democratische Partij sloeg de paniek toe. Er ontstond een heuse richtingenstrijd tussen aanhangers van de goudstandaard, – Goldbugs – en degenen die in zilver de oplossing zagen, de Silverites. Deze laatsten zochten toenadering tot de populisten om een gezamenlijke kandidaat op het schild te hijsen.

Eugen Debs 5 keer presidentskandidaat

Ondanks de aanwezigheid van een grote arbeidersklasse en een sterke vakbondstraditie heeft het socialisme nooit echt voet aan de grond gekregen in de Verenigde Staten. Als verklaring wordt vaak gewezen op de etnische verscheidenheid van de arbeidersklasse, een gebrek aan klassenbewustzijn, het voor nieuwe partijen ongunstige kiesstelsel en een sterk geloof in individueel ondernemerschap en de American Dream.

De succesvolste socialistische partij was de Socialist Party of America, die in 1901 werd opgericht. Leider van de partij was Eugen Debs (1855-1926), een vakbondsman uit Indiana die naam had gemaakt als stakingsleider en als propagandist voor de People’s Party. Nadat hij als leider van een wilde staking in de gevangenis was beland, raakte hij in de ban van de geschriften van Karl Marx en Karl Kautsky en bekeerde hij zich tot het socialisme. De charismatische en oratorisch begaafde Debs zou vijf keer meedoen aan de presidentsverkiezingen. Het beste resultaat haalde hij in 1912, toen hij 6 procent van alle stemmen verwierf. In 1918 belandde Debs opnieuw in de gevangenis vanwege zijn felle protest tegen de Amerikaanse inmenging in de Eerste Wereldoorlog. Als gedetineerde stond hij kandidaat bij de presidentsverkiezingen van 1920 en haalde daarbij toch nog ruim 3 procent van de stemmen.

Door de jaren in gevangenschap was zijn gezondheid sterk achteruitgegaan. Enkele jaren na zijn vrijlating overleed Eugen Debs, de populairste Amerikaanse socialist van de twintigste eeuw. Sinds enkele jaren is er met Bernie Sanders een politicus ten tonele verschenen die zichzelf als socialist bestempelt. Zijn voornaamste inspiratiebron, zo heeft Sanders herhaaldelijk verklaard, heet Eugen Debs.

Die kandidaat werd een jonge, welbespraakte senator uit Nebraska, William Jennings Bryan. Op de Democratische conventie van 1896 hield deze gewezen predikant een legendarische toespraak vol bijbelse verwijzingen, die eindigde met de befaamde oproep: ‘U zult op deze kruin der arbeid geen doornenkroon planten, u zult de mensheid niet slaan aan een kruis van goud.’ Veel toehoorders waren door de speech zo van slag dat ze extatisch hun hoeden in de lucht gooiden, hun jassen uittrokken en naar voren drongen om Bryan te mogen aanraken. Met een duidelijke meerderheid werd de messias uit Nebraska tot presidentskandidaat gekozen.

De Republikeinen schilderen de populistische kandidaat af als een zeloot

Anarchistische marionet

Zo enthousiast als veel Democraten waren, zo bevreesd waren de rijke bankiers en zakenlieden aan de oostkust, die juist profiteerden van de goudstandaard. Zij schaarden zich met al hun kapitaal achter de kandidatuur van de Republikeinse zakenman William McKinley. Daardoor kon McKinley een peperdure campagne voeren waarin Bryan werd afgeschilderd als een wereldvreemde zeloot, die net als de populisten die hem steunden van economie geen kaas had gegeten. Erger nog: door zijn alliantie met de People’s Party was Bryan een marionet van opstandige anarchisten, demagogische socialisten en kortzichtige, xenofobe boerenleiders. De campagne had succes: de steenrijke McKinley versloeg de armlastige Bryan met een nipte meerderheid. Dankzij de massale campagne van de Republikeinen was de term ‘populisme’ voor velen voortaan synoniem voor demagogie, simplisme, xenofobie en onverantwoordelijke politiek. Ook de snelle ondergang van de People’s Party na 1896 en de soms merkwaardige capriolen van een aantal van haar leiders droegen niet bepaald bij aan het imago van het populisme. Zo maakte Ignatius Donnelly, schrijver van het partijprogramma, naam als de zelfbenoemde ontdekker van het land Atlantis, dat in het midden van de Atlantische Oceaan zou liggen. Thomas Watson ontpopte zich na 1900 tot een bekende racistisch en antisemitisch publicist, die pleitte voor een ‘nieuwe Ku-Klux-Klan’ om ‘binnenlands orde op zaken te stellen’. Net als suffragette Mary Elizabeth Lease was hij geobsedeerd door de macht van Joodse bankiers.

Onafhankelijke kandidaat beïnvloedt verkiezingen

Third candidates worden ze in de Verenigde Staten genoemd: kandidaten die onafhankelijk van de Republikeinse en Democratische Partij deelnemen aan de presidentsverkiezingen. Meestal behalen ze maar enkele procenten, zoals de socialist Eugen Debs, de populist James Weaver of meer recent de groene kandidaat Ralph Nader. Meer succes had Henry Ross Perot (1930-2019), die in 1992 meer dan 18 procent van de stemmen kreeg en daarmee de uitslag van de verkiezingen sterk beïnvloedde. Deze Texaanse zakenman had een fortuin verdiend in de informatica toen hij in 1992 besloot zich te mengen in de strijd tussen de zittende president George H.W. Bush en zijn uitdager, de jonge Democraat Bill Clinton.

Ross Perot maakte zich grote zorgen over het toenemend overheidstekort, de verplaatsing van veel banen naar derdewereldlanden en de staat van de democratie. Met zijn flaporen, geringe lengte en Texaanse accent leek Ross Perot aanvankelijk geen partij voor Bush en Clinton, maar zijn common-sense-oplossingen en zelfspot (‘I’m all ears,’ zei hij eens) sloegen aan bij een deel van het electoraat. Minder succesvol was zijn keuze voor admiraal James Stockdale als running mate. De gedecoreerde Vietnam-veteraan maakte in het debat met de overige running mates een verpletterend zwakke indruk, omdat hij volgens eigen zeggen zijn gehoorapparaat was vergeten.

Veel Republikeinen gaven Ross Perot na de verkiezingen de schuld van de nederlaag van hun president Bush. Of dit terecht was is volgens verkiezingsanalisten moeilijk vast te stellen: Perot had vooral succes onder de ‘zwevende kiezer’. In 1996 nam Ross Perot nogmaals deel aan de presidentsverkiezingen, maar met beduidend minder succes.

William Jennings Bryan ten slotte zou na nog twee mislukte Democratische kandidaturen furore maken als advocaat tijdens het zogeheten Apenproces (Monkey Trial) in 1925. In dit geruchtmakende proces werd een onderwijzer in Tennessee, onder meer dankzij Bryans vlammende betogen tegen ongeloof en moderne wetenschap, veroordeeld omdat hij de evolutieleer had onderwezen. Voor veel Amerikanen bevestigden Bryan, Donnelly, Watson en Lease zo alle vooroordelen die in 1896 dankzij de Republikeinse campagne tegenover het populisme waren ontstaan.

Meer weten:

  • The People, No. A Brief History of Anti-Populism (2020) door Thomas Frank.
  • Kleine anti-geschiedenis van het populisme (2018) door Anton Jäger.
  • Geschiedenis van de Verenigde Staten (2017) door Frans Verhagen.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 11 - 2020