Reizend langs de limes, de grenzen van het Romeinse Rijk, onderzocht hoogleraar Koen Ottenheym de hernieuwde belangstelling voor de antieke geschiedenis vanaf de vijftiende eeuw. Die ging gepaard met misvattingen en manipulatie, zo beschrijft hij in De limes als legende. ‘In elke regio, in elke tijd werd werd de Oudheid voor een andere agenda gebruikt.’
Als de Middeleeuwen wegglijden en de Vroegmoderne tijd zich aandient, wordt de antieke Oudheid onderdeel van een politieke agenda. Vorsten, hoge en lage adel, stadsbestuurders, anderen, ze doen hun best om afkomst en verleden direct te relateren aan Romeinse keizers, senatoren of families van naam en faam. Zelfs Julius Caesar wordt als voorvader in stelling gebracht. In deze tijd van Renaissance en humanisme staat anciënniteit voor macht. En het grote Romeinse Rijk met zijn militaire, technische en bouwkundige superioriteit heet hét kunststuk in de geschiedenis van de mensheid te zijn. Tot dan. Daar wil, nee daar móet je mee geassocieerd worden.
De geschiedenis krijgt er tal van fabels en misverstanden bij. Want in de drang om hogerop te komen, wil de waarheid wel eens sneuvelen. Mede dankzij de geleerden van hun tijd, humanisten die in opdracht van hun vorst de waarheid oprekken. Maar soms ook is er sprake van gebrek aan kennis in plaats van boze opzet. Bijvoorbeeld als massieve Romaanse gebouwen, een paar honderd jaar oud, verward worden met Romeinse.
In zijn nieuwe boek De limes als legende beschrijft hoogleraar architectuurgeschiedenis Koen Ottenheym de periode van 1450 tot 1720. In die tijd zijn de voormalige grenzen van het Romeinse Rijk, de limes, uit te spreken als ‘liemes’, verschoven naar het hart van een nieuwe wereld. Dat gold bijvoorbeeld voor de Rijn en Donau, die ooit de noordgrens van het rijk markeerden. Ottenheym bladert als het ware door de politieke agenda van de Vroegmoderne tijd, die ook aan gebouwen is af te lezen. Zo versierde de Habsburgse keizer Frederik III de gevel van zijn hofkapel in Wiener Neustadt met een stamboom die terugging tot maar liefst vijftien eeuwen voor de komst van de Romeinen.

Een beetje gniffelen mag, zegt Ottenheym. Schamper schateren niet. Hij respecteert zijn collega’s van weleer. ‘Ik heb de badinerende toon proberen te vermijden. De wetenschappers van vijf eeuwen geleden waren echt niet dommer dan wij.’ En trouwens, manipulatie van de geschiedenis voor het eigen gewin bestaat tot op de dag van vandaag.
Ottenheyms boek is onderdeel van het project Constructing the limes, dat een plek kreeg in de Nationale Wetenschapsagenda 2021-2026. Het moet bedoelingen, impact en actuele betekenis van grenzen, met name die van het Romeinse Rijk, duiden.
Terwijl het grote project zich op Nederland concentreert, verkent Ottenheym de grensregio’s van een groot deel van het Romeinse Rijk, waar de ene beschaving de andere ontmoette of ermee botste. Hij belicht de geschiedenis aan beide kanten van de grens. Zijn expeditie bracht hem van Istanboel naar Boedapest en Oostenrijk, verder langs Donau en Rijn. Hij verbleef in Beieren, de Elzas, Engeland en Schotland, in Zuid-Spanje en Marokko, deed naspeuringen in Nederland. Zo kon Ottenheym de regionale verschillen in de heropleving van het Romeinse Rijk accentueren. ‘Het boek is meer dan architectuurgeschiedenis,’ vindt de hoogleraar. ‘Het is intellectuele geschiedenis.’
En gniffelen om die geschiedenis mag?
‘Het is de verbazing van nu die ik probeer te vertalen. De wetenschappers indertijd begonnen met een valse start, namelijk met het beeld dat de aarde pas 5000 jaar oud was. De Bijbel heette een geschiedenisboek te zijn. Ze moesten de oorsprong van een heel volk vanaf de Zondvloed beschrijven. Als je de kennis en axioma’s beschouwt waarmee ze toen moesten werken, kún je op hun uitkomsten uitkomen. Het is mijn taak als historicus om uit te leggen waar het misging. Dus ja, gniffelen om de resultaten mag, om de mensen niet.’
Uitgezonderd Annio da Viterbo?
‘Dat was een stoorzender. Een geleerde en een boef met een agenda, namelijk die van de Borgia-paus in Rome. Hij was eind vijftiende eeuw de spindoctor van Alexander VI.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees
Zijn ontstaansgeschiedenis is toch door anderen overgenomen?
‘De truc van Annio was de volgende: je hebt de beschreven geschiedenis uit de Oudheid, bijvoorbeeld die van Tacitus, en je hebt de Bijbel. Maar tussen die twee geschiedschrijvingen zit een gat. Dat vulde hij met verzinsels op sluwe wijze in. Die werden later inderdaad overgenomen. Als het in de eigen theorie paste, stelde niet iedereen de juiste vragen.
Annio beweerde dat een monnik uit Constantinopel hem documenten had getoond. Hij mocht ze overschrijven, maar niet houden. Die monnik verdween vervolgens met de noorderzon en toen bestond alleen Annio’s waarheid nog. De goden die in de Oudheid werden aanbeden, zo schreef hij, waren in werkelijkheid nazaten van Noach, die na de Zondvloed uitzwierven en als stamvaders aan de basis stonden van de herbevolking van de aarde. Rond 1600 werd het duidelijk dat er van Annio’s versie niet veel klopte. Vervolgens zou die wel voortleven in volksverhalen. En dan kom je er soms nog moeilijker van af dan van geschiedvervalsing.’
Waarom koos u in uw boek voor de periode van 1450 tot 1720?
‘Als je het begin van een domino-effect zoekt, dan kom je uit bij de verovering van Constantinopel in 1453. De Ottomaanse sultan Mehmet II werd de nieuwe heerser over het Byzantijnse Rijk, de restanten van het oude Oost-Romeinse Rijk. Maar het westen accepteerde een islamitische vorst niet als nieuwe keizer. Het succes van Mehmet II zorgde voor een schok in het Heilige Roomse Rijk. Tegenwicht was geboden. Het maakte het Romeinse verleden, dat hoogtepunt van de menselijke beschaving, weer actueel. Daar moest je van leren om in de eigen tijd vooruit te komen. De geschiedenis gaat vanaf dat moment deel uitmaken van de politieke agenda. Ook al omdat er animo bestaat om de christelijke keizerskroon in het oosten te herstellen.
In het begin van de achttiende eeuw kantelt de perceptie weer. Dan worden verhalen over het grote voorbeeld Rome ontkracht, geldt de Bijbel niet langer als een geschiedenisboek. Het nieuwe voorbeeld van beschaving wordt het oude Griekenland.’
Kunt u een voorbeeld geven van zo’n politieke agenda?
‘Je zag het als eerste in Hongarije. Matthias I, van 1458 tot zijn dood in 1490 koning, deed aan upgrading van zijn afkomst. Hij had een vader van lagere adel. Dat was genoeg om koning te worden, maar voor een eventueel keizerschap diende er nog wel wat te gebeuren. De geleerden aan zijn hof, Italiaanse humanisten die alle trucs kenden, moesten zijn familiegeschiedenis pimpen.
Welnu, Matthias Hunyadi bleek zomaar ineens af te stammen van het edele Romeinse geslacht Valerius-Corvinus. Daar dienden natuurlijk bewijzen bij te worden verzonnen. Het familiewapen van de Hunyadi’s was een raaf met een ring. Dat zou al op Romeinse munten hebben gestaan. Die munten werden gevonden. In werkelijkheid stond daar een adelaar met een lauwerkrans op.

Matthias liet in Boeda (nog zonder Pest, red.) een nieuw paleis bouwen in renaissancestijl, waarin grafstenen van Romeinse soldaten met de naam Corvinus werden verwerkt. Het ging om legionairs die aan de Donau waren gesneuveld, zogenaamd afstammingsbewijs uit de regio. Die stenen zullen niet zo moeilijk te vinden zijn geweest. De naam Corvinus was toen net zo wijdverbreid als Jansen nu. En alleen de Valerius-variant behoorde tot de aristocratie.’
Matthias Hunyadi, zo u wilt Corvinus, zou ondanks zijn opgeleukte cv nooit keizer worden.
Hoe lieten de stadsbestuurders zich gelden?
‘Die speelden een rol in Duitsland, Spanje en Nederland. In Engeland hadden ze geen enkele macht. Wat Duitsland betreft, ging het om de vrije Rijkssteden, die direct onder de Habsburgse keizer vielen. Frederik III was in 1452 van koning tot keizer geworden, een zwakke broeder. Regionale heersers zagen hun kans schoon om de steden in te pikken, want deze keizer zou toch niet ingrijpen. Maar de Rijkssteden, zeker die aan de voormalige limes, accepteerden dat niet. Zij wapenden zich met de Oudheid als autoriteitsargument.
In Spanje lag dat weer anders. Andalusische steden vonden bijvoorbeeld dat ze van oudsher al integraal onderdeel van het Romeinse rijk vormden. Ze hadden niks te bewijzen. Twee grote keizers, Trajanus en Hadrianus, waren nota bene in Italica, net boven Sevilla, geboren.
De christelijke Romeinse geschiedenis en die van de christelijke Visigoten direct daarna waren bovendien belangrijk, omdat het de Moorse tijd (711-1492, red.) kon uitwissen. Daar wilden de Spanjaarden niets meer van weten. Een voorbeeld? De stadsmuren van Sevilla werden aan de Romeinen toegeschreven. Maar ze werden toch echt in de Moorse tijd gebouwd.’
En in Nederland?
‘In de zeventiende eeuw, in de Republiek, zijn de steden hier eigen baas, het gaat bottum-up. Voor echte Romeinse steden als Nijmegen en Utrecht speelde het minder, maar in Holland was het dringen in de pikorde. Bij Voorburg had weliswaar een Romeinse handelsplaats gelegen, de machtige Hollandse steden waren van middeleeuwse oorsprong, al ging hun oorsprong als nederzetting verder terug.
De pikorde was van belang. In de Staten van Holland hadden achttien steden spreekrecht, waarbij ouderdom de volgorde bepaalde. Dordrecht had de oudste stadsrechten, in 1220 gekregen. Dus zijn bestuurders hoefden de competitie niet aan te gaan. Zij kregen in de Staten toch al als eerste het woord, gevolgd door Haarlem en Leiden, met Amsterdam pas als zesde in de rij. Omdat andere steden deze volgorde ter discussie stelden, werd Dordrecht meegesleept. Het werd bieden en overbieden wat het fictieve Romeinse verleden betrof.’
Behalve bewuste vervalsing was er onkunde. Hoe manifesteerde die zich?
‘Je had dus die valse start, met de Bijbel als geschiedenisboek. Dat zorgde voor verkeerde interpretaties. Daarnaast zag men vaak het verschil niet tussen Romeins en Romaans. Wat in 1100 of 1200 was gebouwd, massief, robuust, werd duizend jaar ouder geschat.
Verder bestond het misverstand dat Romeinse tempels altijd rond waren, zoals het Pantheon. Het zorgde ervoor dat ronde Romaanse gebouwen al gauw als Romeins werden afgeschilderd. De Sint-Nicolaaskapel bij het Valkhof in Nijmegen gold als best bewaarde Romeinse tempel van de noordelijke Nederlanden. Die kapel stamde in werkelijkheid uit 1030. Het duurde tot de eerste helft van de negentiende eeuw voor dat werd erkend.

Overigens, als archeologen nu iets opgraven, gaan ze in de literatuur op zoek naar meer informatie. Vroeger werkte dat andersom. De wetenschappers bestudeerden eerst de literatuur en gingen daarna naar buiten. En dan ging het van: we hebben gelezen dat daar ongeveer een Romeins fort heeft gestaan, ah kijk die ruïne moet het zijn.’
Verzinnen en ontregelen we nog net zo veel als eeuwen geleden?
‘Ik wil vooral laten zien hoe kneedbaar de geschiedenis is. En hoe iedereen die kneedde naar tijd en plaats. Mijn vragen waren steeds dezelfde. Wie had vanaf de vijftiende eeuw belangstelling voor de Oudheid? Waarom? En wat deed hij ermee? De antwoorden waren steeds anders. In elke regio, in elke tijd speelden er weer andere politieke kwesties. De Oudheid werd daarvoor ingezet en gemodelleerd.
We kneden nog altijd. Bijvoorbeeld als Donald Trump het over Groenland heeft of Vladimir Poetin over de Krim en Kiev. Er worden mythen gecreëerd om te kunnen zeggen: “Wij waren er eerst, dit was al van ons.” De geschiedenis dient als echoput. Roep daar iets in en er komt altijd wel een vaag geluid terug waarvan je denkt: dat kan ik gebruiken voor mijn manipulatie.
Verder heb je natuurlijk de sociale media met hun ongeremde fantasieën. Indertijd werd fake news ingezet om iemand belangrijk te maken, nu wordt het vooral gebruikt om anderen slechter voor te stellen. Toen moesten er bewijzen worden aangesleept voor de Romeinse oorsprong, tegenwoordig creëer je vanachter de tafel een gemanipuleerd beeld.
Anderzijds wordt het wetenschappelijk werk steeds preciezer. We beschikken nu over natuurkundige technieken, zoals genetisch onderzoek, die onomstotelijk bewijs kunnen leveren. De interpretatie kan vast nog worden verfijnd, maar onze wetenschappelijke kennis kan niet meer overruled worden door totaal verzonnen verhalen. Al blijft het wel zaak dat de juiste bronnen het sterkst voortleven.’
Zijn alle oude fabels inmiddels de wereld uit?
‘Nee, zeker niet. De bedoeling van veel oer-mythes is om aan te tonen dat mensen ergens zijn neergestreken waar nog niemand woonde. En dat alleen zij als eerst aangekomenen recht op het land hebben, niemand anders. Daarom is het verhaal van die nazaten van Noach zo belangrijk: toen de aarde leeg was, zijn wij hier komen wonen, niemand anders kan het claimen. Hetzelfde geldt voor de Bataven, die de Rijn afzakten en in de eerste eeuw voor Christus zogenaamd leeg land gingen bewonen. Dit is van ons, zeiden ze. Ook dat verhaal klopt natuurlijk niet.

Migratie is van alle tijden en volkeren veranderen voortdurend. Volksstammen die door de eeuwen monolithisch blijven bestaan? Dat idee leeft nog bij velen. Vergeet het maar.’
Waarom waarschuwt u in de slotalinea’s voor de echo van het verleden?
‘Vanaf de vijftiende eeuw werd het grote Romeinse Rijk gebruikt om status en macht aan te ontlenen, om erbij te horen. Later, vanaf de negentiende eeuw, juist om zich te onderscheiden van anderen, nationale gevoelens te creëren, de eigen volksaard te polijsten. Dan kan de echo van het verleden een verontrustende lokroep worden. Ik doel natuurlijk op noordelijke suprematie, het boreale en alles wat daarbij hoort, op heroplevend fascisme.
Mijn boek is geen politiek pamflet. Maar het laat wel zien, dat volkeren door migratie voortdurend veranderen, ook in samenstelling. Toen de Romeinen wegtrokken, zo rond 400 na Christus, werd hun plek heel geleidelijk overgenomen. Het was niet zo dat er als in een Tolkien-verhaal wilde barbaren met gloeiende ogen stonden te wachten. Het ging om een nomadische, agrarische beweging. De Vandalen en Rooms-Goten trokken verder en verder naar het zuiden, tot in Zuid-Spanje, die Vandalen vervolgens ook nog naar Noord-Afrika. Het oude Germanië, nu het grootste deel van Duitsland, bleef een paar eeuwen zo goed als leeg en werd pas rond 600 weer bevolkt, vooral door Slavische volkeren. Het huidige Duitse volk is meer Slavisch dan Germaans. Dat had Hitler eens moeten weten.’
Ten slotte, die limes, heeft u nog toeristische tips?
‘Als het over de Romeinse grenzen gaat, denkt iedereen meteen aan de Muur van Hadrianus. Die staat er nog, tussen Engeland en Schotland. Anders dan in andere Romeinse regio’s, waar de oude grenzen middelpunt van landen zijn geworden, is dat een politieke en culturele barrière gebleven. We hebben het in dit geval over een muur, maar je moet de limes eigenlijk zien als een grensregio, versterkt met een reeks forten en kampementen, ook bedoeld om de handelsroutes te beschermen. Geen ijzeren gordijn, maar een brede zone met ‘verkeer’ over en weer.
Een andere tip? Het Castellum Fectio bij Fort Vechten in Bunnik geeft een goed beeld. Je kunt ook over de dijk van de Lek wandelen. En de best bewaarde civiele Romeinse grensstad ligt in Marokko, Volubilis. Bij een grote aardbeving in 1755 is het een ruïne geworden, maar wat op de grond lag, hebben ze weer opgestapeld. Het geeft een goede indruk van hoe het eens moet zijn geweest.’
Koen Ottenheym
(1960) is hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij studeerde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden, waar hij in 1989 promoveerde op een monografie van architect Philip Vingboons (1607-1678). Ottenheym was gasthoogleraar in Europa en de Verenigde Staten. Tot zijn eerdere publicaties behoren Oudheid als ambitie (2017, met Karl Enenkel) en Bouwen in Nederland 600-2000 (2007, met meerdere co-auteurs). De limes als legende. De herontdekking van de Romeinse rijksgrens en de architectuur in Europa (1450-1720) verschijnt bij Boom (352 p, € 39,90).

