Alle artikelen
Pas vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw werd Nederland een echte markteconomie.Overigens zie je ook in Nederland dat politieke participatie en snelle welvaartsgroei vooraf gaan aan de komst van een echte markteconomie. Want wanneer ontstond er hier echte politieke participatie, en wanneer groeide de welvaart heel snel? Grofweg in de periode 1920-1970. Dus ruim voor de invoering van ‘marktwerking’ op allerlei terreinen. Maar daarna was er toch ook sprake van economische groei? Dat klopt, maar dat economische groei zich automatisch vertaalt in stijging van de welvaart, laat staan van het welzijn, is niet meer dan een aanname. Dat moet je niet zien als een feit, maar als iets waarnaar je onderzoek moet doen. We zijn inmiddels bezig met het ontwikkelen van nieuwe methodes om de werkelijke ontwikkeling van welvaart in een brede zin te meten. En daarbij wordt er niet alleen gekeken naar het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking – waar beleidsmakers zich lang op hebben blindgestaard – maar ook naar zaken als gezondheid, onderwijs, wonen, milieu en veiligheid. De eerste resultaten, bijvoorbeeld van onze collega’s in Eindhoven, doen vermoeden dat deze zaken vooral in de periode 1920-1970 spectaculair zijn verbeterd en dat er daarna een afvlakking van groei plaats vond, terwijl de economische groei fors doorging. In uw boek beschrijft u de opkomst en teloorgang van drie markteconomieën uit het verleden: Irak tussen 500 en 1100 n.Chr.; Noord- en Midden-Italië tussen 1000 en 1500; en de Nederlanden tussen 1100 en 1800. Kunt u iets zeggen over de relatie tussen vrijheid en de dominantie van markten? Bij vrijheid kijk ik naar twee aspecten: persoonlijke vrijheid en politieke participatie. Die zijn niet identiek, maar wel met elkaar verbonden. In de middeleeuwen, en in delen van Europa nog lang daarna, was een groot deel van de boeren die het land bewerkten niet vrij om te gaan en te staan waar ze wilden, ze waren gebonden aan de grond en dus onderhorig aan heren die ook gezagsrechten uitoefenden. De allocatie van de factor arbeid wordt dan dus niet via een markt geregeld. Als gevolg hiervan was er niet alleen grote economische ongelijkheid, maar ook politieke ongelijkheid. Op den duur komen mensen hiertegen in verzet, ook door zich te organiseren in dorpsgemeenschappen, gildes enzovoort, en wordt de elite gedwongen meer vrijheid toe te staan. De voormalige horigen kunnen dan op de arbeidsmarkt hun arbeidskracht verhuren. Ook de landerijen die tot dan toe middels het domaniale stelsel werden beheerd, komen dan op de markt. De vrijheid voor een groot deel van de bevolking komt er niet zelf, die moet bevochten worden op de elite. En in dat proces verwerft de bevolking meer slagkracht, doordat ze economisch sterker wordt en zich van onderop organiseert. Zo ontstaat er via de invoering van gilden, dorpsraden en stadsbesturen een hoge mate van politieke participatie, terwijl er tegelijkertijd dus markten voor arbeid, grond en kapitaal ontstaan. Gaat het dan meteen al mis? Nee, aanvankelijk hebben die factormarkten een gunstig effect omdat ze de welvaart opstuwen. Maar tegelijkertijd leiden die markten, die na een tijdje dominant worden ten opzichte van de andere allocatiemechanismen, tot accumulatie van vermogen bij een nieuwe economische elite, die het grootste deel van de grond en het kapitaal in handen krijgt. Economische macht leidt tot politieke macht, en hierdoor kan de elite binnen een dominante markteconomie de spelregels veranderen. Zo werd in Italië vanaf de veertiende eeuw het mezzadria-systeem ingevoerd. Daar betaalden boeren niet een vaste pachtsom aan de landeigenaar, die vaak in de stad woonde, maar moesten ze de helft van de opbrengst afdragen. Maar bovendien werd de boerenbevolking door allerlei extra regels steeds afhankelijker gemaakt van de grondbezitter.
De enorme economische groei van Nederland in de zeventiende eeuw ging gepaard met een steeds ongelijkere verdeling van de welvaart.Wat je ziet, is dat in zo’n dominante markteconomie de vrijheid wordt uitgehold door de elite. In de Republiek zag je hetzelfde, toen succesvolle kooplieden in toenemende mate het bestuur domineerden en een machtige regentklasse gingen vormen. Zo nam ook hier binnen de dominante markteconomie zowel de economische als politieke ongelijkheid toe. De drie markteconomieën die u analyseert kenden allemaal een periode van grote culturele bloei: Irak ten tijde van Abbasiden, de Italiaanse Renaissance en de Nederlandse Gouden Eeuw. Had dat iets te maken met de economische ontwikkeling? Die economische bloeiperiodes waren inderdaad het gevolg van het dominant worden van markten en de daarmee gepaard gaande economische groei. Maar die economische groei werd steeds ongelijker verdeeld, zodat de elites almaar rijker werden en er een grotere vraag naar kunst en cultuur ontstond. Dit gebeurde al helemaal toen deze economische elites hun rijkdom gingen vertalen naar politieke invloed en zulke uitgaven hielpen om aan prestige en maatschappelijke status te winnen. In hoeverre is het terecht om in het geval van Nederland van de Gouden Eeuw te spreken? De term doet er niet zoveel toe, waar het om gaat is dat je bij het Nederland van de zeventiende eeuw twee aspecten duidelijk in de gaten houdt: er was sprake van een enorme economische groei, maar die ging gepaard met een steeds ongelijkere verdeling van de welvaart. Historici zijn zich er al veel langer bewust van geweest dat er een zonzijde en schaduwzijde aan die periode zat. Van Deursen schreef in de jaren zeventig niet voor niets een serie boekjes met als titel Het kopergeld van de Gouden Eeuw. Daarin kwamen ook de minder fraaie aspecten aan de orde. Dat er nu debat is over die term zou je ook positief kunnen duiden: er bestaat blijkbaar een grote belangstelling voor deze historische periode. U schrijft dat aan de achteruitgang van markteconomieën doorgaans weinig aandacht wordt besteed. Hoe staat de zaak er volgens u momenteel in de VS en de EU ervoor? Dat die achteruitgang meestal weinig aandacht krijgt, komt door die lineaire kijk op de economische ontwikkeling. Dat markteconomieën een cyclus doormaken ontsnapt zo aan de aandacht. Als we naar de Verenigde Staten en de EU kijken, dan zien we dat beide economieën zich in een heel andere fase van hun ontwikkeling bevinden. De VS, althans het noordelijke deel ervan, werd al in het tweede kwart van de negentiende eeuw een typische markteconomie. Daar ontstond al in de loop van de negentiende eeuw een enorme economische ongelijkheid, die in de vorige eeuw werd afgeremd door twee wereldoorlogen. Doordat de gewone mannen toen nodig waren om oorlog te voeren, was het noodzakelijk om de arbeidersklasse meer te laten delen in de welvaart. Niet voor niets wordt oorlog soms ‘de grote gelijkmaker’ genoemd, zoals door Walter Scheidel in zijn recente boek.
Tegelijk met de groeiende macht van de economische elite, stagneert de welvaartsontwikkeling in de VS al sinds de jaren zestig.Maar na 1945 werd die welvaartskloof weer groter en nam de invloed van de grote bedrijven op de politiek sterk toe. Daarom waarschuwde president Eisenhower in zijn afscheidsspeech, in januari 1961, al voor het ‘militair-industrieel complex’. En nu onder Trump heeft deze dominantie helemaal ongekende vormen aangenomen. Maar tegelijk met deze groeiende macht van de economische elite, stagneert de welvaartsontwikkeling in de VS al sinds de jaren zestig. Als in de Europese Unie de markt pas sinds het einde van de vorige eeuw dominant is, is er dan hier nog een mogelijkheid om het tij te keren? Dat zou mogelijk moeten zijn. In ieder geval heeft mijn verdere onderzoek hiermee te maken. Ik ben nu bezig met een breed opgezet historisch onderzoek naar de rol van de twee andere belangrijke allocatiesystemen. Naast de markt wil ik me nu vooral op de staat en de associaties gaan richten. Welke interactie vond er in het verleden plaats tussen die drie mechanismen, en welke gevolgen had dat voor de welvaartsontwikkeling? Ik wil dus tal van samenlevingen onderzoeken en dan kijken welk allocatiemechanisme daar dominant was, en wat dat betekende voor de ontwikkeling van de economie en voor de welvaart. Dat is ook relevant voor het heden en de toekomst, want hopelijk krijgen we zo beter inzicht in de werking van deze allocatiesystemen. Mijn hypothese is voorlopig dat wanneer één mechanisme dominant is, dit altijd door de eigen, endogene ontwikkeling van het systeem tot grotere ongelijkheid zal leiden. En mijn vraag zou zijn: hoe kunnen deze drie allocatiemechanismen zo worden gecombineerd dat die toenemende ongelijkheid wordt voorkomen? De onzichtbare hand: Hoe markteconomieën opkomen en neergaan Bas van Bavel, Prometheus 400p. € 29,99 Bestel in onze webshop.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
De rol van de vrijemarkteconomie
Het is al jarenlang een dogma dat zo vaak herhaald is dat heel veel mensen het inmiddels zonder meer geloven: het ontstaan van een vrijemarkteconomie heeft geleid tot modernisering, grote welvaart, politieke vrijheid en een democratische samenleving. In het Westen hebben we hier al enorm van geprofiteerd, zodat het een uistekend model is voor de...
Superlobbyist Jean Monnet
Door aan de juiste touwtjes te trekken kreeg de Fransman Jean Monnet het Europese integratieproces van de grond.
Dante droomde in de Middeleeuwen al van een Europese unie
Sinds de Middeleeuwen pleiten intellectuelen en politici voor een Europese unie. Hun motieven en voorstellen zijn vaak verrassend actueel, zoals blijkt uit de idealen van zes vroege eurofielen. Dante Alighieri Grote en kleine conflicten verscheurden het Europa van de Florentijnse dichter en politicus Dante Alighieri (1265-1321). Baronnen, hertogen en koningen bevochten elkaar, evenals stadstaten. De...
Het mediasucces van morfine
Waarom is morfine een medicijn, en zijn cocaïne en heroïne verboden drugs? Cocaïne, heroïne en morfine leken in de negentiende eeuw alle drie veelbelovende medicijnen: ze werden vooral ingezet als pijnstillers en hoestonderdrukkers. Maar inmiddels hebben cocaïne en heroïne afgedaan als geneesmiddelen, terwijl morfine nog altijd medisch wordt gebruikt. Dit verschil heeft volgens farmaceutisch historicus...
Een beetje vrij van slavernij
Als een slaaf in de negentiende eeuw zijn Amerikaanse eigenaar ontvluchtte, bleef hij doorgaans in Zuidelijke staten waar slavernij was toegestaan. Hoewel er meer is geschreven over ontsnappingen naar het slaafvrije Noorden, woonden de meeste vluchtelingen in steden die slavernij kenden, zoals Baltimore (Maryland) en New Orleans (Louisiana). Hier bestonden grote zwarte gemeenschappen,...
Krantenuitgever verdedigt Stasi-verleden
De nieuwe eigenaar en uitgever van de Berliner Zeitung werkte in de jaren tachtig voor de Stasi. De onthulling van zijn verleden zorgt voor ophef. Holger en Silke Friedrich kochten vorig jaar september de uitgeverij van de Berliner Zeitung. Niet veel later onthuld concurrent Welt am Sonntag dat Friedrich van 1987 tot...
Schotten trivialiseren hun geschiedenis
Schotten moeten trotser zijn op hun verleden, vinden historici. Zeker in tijden dat de verhouding met de Engelsen op scherp staat. Veertien Schotse historici willen dat er meer waardering komt voor de eigen geschiedenis. Dit schrijven ze in The Sunday Times van 22 december jongstleden. De historici – onder meer verbonden aan de...
Wagengraf
Onbekenden hebben in de buurt van Nijmegen een graf van ongeveer 2700 jaar oud gevonden en tevergeefs geprobeerd de inhoud te slijten. De onbekenden waren in de Hatertse en Overasseltse Vennen illegaal met een metaaldetector op zoek naar overblijfselen uit de Tweede Wereldoorlog. In plaats daarvan vonden ze een prehistorisch ‘wagengraf’: de...
Had Seyss-Inquart een maîtresse?
Had Arthur Seyss-Inquart, de Duitse rijkscommissaris in bezet Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, een verhouding met de echtgenote van een hoge Nederlandse ambtenaar? Dat suggereert een bericht dat het Nationaal Archief begin januari naar buiten bracht. Het NA baseert zich op documenten van de inlichtingendienst van de Nederlandse regering in Londen, waarin informanten beweren dat...
Het klompenfront
In de winter van 1944-1945 lagen aan de grote rivieren nationaal-socialisten en geallieerden tegenover elkaar. Aan beide kanten vochten Nederlandse soldaten mee. Werkelijk effect hadden hun inspanningen niet. Wel sneuvelde een deel van hen – kinderen vaak nog. ‘De Rijn wringt zich door het nachtelijk landschap. De golven hebben haast. Het water is koud....
Voorpublicatie Stedevaart – Jan Brokken
In Berlijn is het verleden onontkoombaar. Tegelijkertijd verandert de stad in een adembenemend tempo, zo constateert Jan Brokken, die er vaak op bezoek was. Berlijn is een van de 22 steden die Brokken beschrijft in zijn nieuwste boek, Stedevaart. Berlijn zag ik voor het eerst toen ik bij Günter Grass op bezoek ging. Ik zou...
Mariëtte Hamer over haar historische held
SER-voorzitter Mariëtte Hamer won onlangs de Joke Smit-prijs, onder meer voor haar succesvolle inspanningen voor een quotum voor topvrouwen. Ze werd geïnspireerd door dichteres en socialiste Henriëtte Roland Holst (1869-1952), die ze bewondert om haar passie, talenten en doorzettingsvermogen. Wanneer maakte u kennis met Henriëtte Roland Holst? ‘Haar literaire werk ken ik...
