Vorstelijke huwelijken konden tijdens het ancien régime zelden op persoonlijke genegenheid worden gebaseerd. Politieke factoren – de belangen van dynastieën en landen – gaven eigenlijk altijd de doorslag: beide partijen hoopten bij zo’n huwelijk voordeel te hebben. Dat was belangrijker dan de individuele psychische kwaliteit en fysieke attractiviteit van de beoogde huwelijkspartners, al was een plusje in dat opzicht nooit weg.
Eén van de belangrijkste politieke huwelijken die in de achttiende eeuw door de Oranjes werd gesloten, was dat van Willem Karel Hendrik Friso van Nassau-Dietz met Anna van Hannover in 1734. Een opvallende echtverbintenis, omdat de bruidegom op dat moment nog slechts stadhouder van Friesland, Groningen en Gelderland was, en geenszins te voorzien viel dat hij het veertien jaar later als Willem IV ook tot stadhouder van de hele Republiek zou brengen. Een bescheiden partij voor de Engelse prinses Anna, de oudste dochter van koning George II.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Toch hadden beide dynastieën bij een dergelijke kruising veel te winnen. De protestantse Hannovers waren weliswaar met vrij algemene instemming in 1714 vanuit hun Duitse keurvorstendom naar Engeland gehaald om de katholieke Stuarts de pas af te snijden, maar echt populair waren zij niet bepaald geworden. George I en George II bleven in Londen de facto buitenstaanders, hun leven lang. Bovendien was hun onderlinge verhouding notoir slecht, mede door hun moeilijke karakters.

Tegelijk stonden de oude Oranjes, dankzij de rol van de stadhouder-koning in de Glorious Revolution van 1688, als Europese voorvechters van de protestantse zaak in Engeland in hoog aanzien. Een verbintenis met hun Friese erfgenaam zou er mogelijk toe bijdragen dat ook de Hannovers door de Britten eindelijk eens wat meer zouden worden gewaardeerd.
Niet goed snik
Van hun kant betekende een dergelijk samengaan voor de Friese Nassau’s zéker een grote sprong vooruit. Tot dan toe hadden zij, in overeenstemming met hun kleine Friesland en hun kleine Nassau-Dietz, hun huwelijkspartners altijd in Duitse vorstengeslachten van de tweede garnituur gezocht: Willems vader Johan Willem Friso in Hessen-Kassel, diens vader in Anhalt-Dessau. Een echte Engelse prinses daarentegen – dat was van een andere klasse. Een klasse bovendien die sterke herinneringen aan de beide laatste Hollandse stadhouders opriep, die immers ook elk een Engelse koningsdochter hadden getrouwd. Met zo’n Engels huwelijk zou de Friese stadhouder een politieke factor van belang worden, waarmee men dan voortaan ook in de vier (nog) stadhouderloze gewesten terdege rekening zou moeten houden. Mogelijk zou hij dan ook dáár stadhouder kunnen worden – en dat was ook in het Britse belang, en specifiek in dat van de Georges.
Engeland was anno 1733 al sinds zes jaar aan die tweede George toe, en die had dus ook een inmiddels huwbare dochter: Anna. Een tijdlang had haar grootvader, die eerst – met terzijdeschuiven van haar eigen vader – als huwelijksmakelaar was opgetreden, voor haar nog de jonge Franse koning Lodewijk XV in gedachten gehad. Maar waar deze katholiek wenste te blijven en de Hannovers evenmin van hun geloof konden vallen, was deze optie snel van de baan. Daarna, in 1723, had George I de latere Frederik de Grote op het oog, destijds kroonprins van Pruisen, het buurvorstendom van zijn geliefde Hannover. Dat was in het kader van een dubbelhuwelijk, waarbij de oudste zoon van zijn eigen zoon, ook een Frederik, aan een zus van de Pruisische Frederik zou worden gekoppeld, ook al was die niet helemaal goed snik.

Omdat daarmee evenwel ook de sterkste vloot en de sterkste landmacht van Europa aan elkaar gekoppeld zouden worden, was men zowel in Londen als Berlijn over dit voornemen best enthousiast. Een datum voor de publieke afkondiging van beide huwelijken was zelfs al afgesproken, toen George I medio 1727 vrij plotseling overleed. George II greep direct de kans aan om zijn vaders project te frustreren en de geplande koppelverkoop af te blazen, onder verwijzing naar de geringe geestelijke gaven van het ene beoogde bruidspaar, verklarende ‘Ik denk niet dat het enten van mijn onnozele kwast op een halvegare vrouw het broedsel zal verbeteren’
Zo kwam voor Anna nu Willem Karel Hendrik Friso als beoogd echtgenoot in zicht. Alleen: zo sociaal onaantrekkelijk als de eeuwig ruziënde Hannovers als schoonfamilie waren, zo fysiek onaantrekkelijk was de Friese stadhouder die, na een val als kleuter uit een koets, kampte met een vergroeide rug. In de Britse boulevardpers werd hij zelfs als een mismaakte dwerg met een onwelriekende adem beschreven, dus het was hoog tijd om wat aan die beeldvorming te doen. Voor de Britse gezant Chesterfield was hier vanuit Den Haag een belangrijke rol weggelegd.
Anna wilde van haar familie af
Omdat de Oranjeprins geen martiale uitstraling had, prees Chesterfield hem Londen vooral om zijn intelligentie, humor en innemende karakter aan. Over de minder prinselijke contouren van de prins schreef hij decent: ‘Zijn postuur is niet zo goed als je zou willen, maar ook niet zo slecht als ik had gehoord’. Anna’s moeder, koningin Caroline, stuurde later haar vertrouweling John Hervey naar het logeeradres van de inmiddels in Londen aangekomen prins, om te zien wat voor vlees zij in de kuip had. In de woorden van haar spion: ‘ ‘Om haar zonder omhaal te laten weten op wat voor raar wezen zij zich straks voorbereiden moest’
Voor Anna was er weinig aanleiding daarvan een groot punt te maken, en dat deed zij dan ook niet. Zelf geplaagd door een aanleg tot vetlijvigheid en zeker sinds de pokken op haar gezicht hun sporen hadden nagelaten ook niet meer moeders mooiste, was haar er alles aan gelegen op korte termijn te trouwen. Ze was het leven aan het hof van de Hannovers, met hun patent op huiselijke twisten, meer dan beu. Omdat er voor een protestantse Engelse prinses in Europa sowieso geen uitgebreide keus bestond, nam zij met de Friese stadhouder genoegen.

Zij wist, zoals Hervey cynisch schreef, dat het voor haar niet de keuze was tussen Willem of een ander, maar tussen Willem als echtgenoot of géén echtgenoot – in Herveys als altijd wat plastische formulering: ‘Ofwel met dit misvormde wezen in Holland het bed in duiken, ofwel als oude vrijster sterven, opgesloten in haar koninklijke klooster in St. James’s [Palace]’. Nu zij al eerder Parijs en Berlijn was misgelopen, wilde zij hoe dan ook van huis weg, om niet na het mogelijk spoedige overlijden van haar met zijn gezondheid kwakkelende vader de meerdere te moeten erkennen in haar oudere broer kroonprins Frederik, aan wie zij een gruwelijke hekel had.
Een wederzijdse afkeer
De eerste twee Hannovers bleven Duitsers en hebben zich nooit echt in Engeland thuis gevoeld. George I vond het maar een raar en vreemd land, waarvan hij de instellingen niet snapte en de gewoonten niet kende. Hij koesterde zodoende een onverholen afkeer van zijn inwoners, en die afkeer was wederzijds.
Ook bij George II kwam de liefde voor het nieuwe vaderland niet echt tot ontwikkeling: de conversatie van Engelsen achtte hij slaapverwekkend: ‘de één die alleen maar over hun saaie politiek praat, en de anderen alleen maar over hun lelijke kleren’. Ze hadden geen manieren, konden niet koken, niet acteren en niet paardrijden, en evenmin fatsoenlijk een koets besturen – thuis in Hannover was gewoon alles besser.
Hoe koppig en eigengereid Anna zich de afgelopen jaren ook had betoond, zij zou zich daarom ditmaal niet verzetten, want zij wilde maar al te graag van familie, ruzies en kroonprins af. De politieke argumenten werden zodoende ook voor haar persoonlijk doorslaggevend, en dus ging de Friese stadhouder medio november 1733 per schip naar Engeland.
George II zelf was op particulier vlak alras wat minder enthousiast. Chesterfield mocht dan wel geschreven hebben dat de Friese stadhouder erg meeviel, de Engelse koning vond de hem als charmant aanbevolen jongeman vanwege zijn eigendunk maar een opgeblazen kikker. Zijn echtgenote, de koningin, viel bij Willems aanblik in nachthemd alsnog bijna flauw. Toen de bruidegom in de huwelijksnacht voor de traditionele paring in het bijzijn van de gehele hofhouding zonder verhullende pruik en mantel ten tonele verscheen, barstte zij in tranen uit toen ze zag dat haar dochter met een ‘monster’ het bed indook.
Koele ontvangst
De plechtigheid overdag had in een grafstemming plaatsgevonden. Tijdens de kerkdienst had Caroline, toen de bruid tussen twee slechtgehumeurde broers en met vier huilende zusters in haar gevolg naar het altaar schreed, een gezicht getrokken alsof ze haar oudste dochter net ter aarde had besteld. Ook haar man keek bij die gelegenheid strak voor zich uit, want het was de koning bij nader inzien toch aan het hart gegaan Anna op deze wijze te verliezen. Het meest resoluut van allen was nog Anna zelf. Toen George haar tijdens een avondwandeling in de paleistuin van Hampton Court op Willems fysieke verschijning had gewezen, had zij manmoedig gereageerd: ze zou hem trouwen, ook al zag hij eruit als een aap.
Hij viel niet alleen Anna mee, maar ook het Engelse volk – en dat viel George II weer enigszins tegen, want de Friese stadhouder was binnen de kortste keren in Engeland gevaarlijk populair. De Engelse koning had verboden vanaf de Tower saluutschoten te laten afvuren en had een koets met maar twee paarden gestuurd, in plaats van de voor een prins passende vier. Maar de koele ontvangst die St. James’s Palace hem had bereid werd door het enthousiasme van de gewone Londenaren voldoende gecompenseerd. Het uitbundige onthaal stak bij de geringe genegenheid die zij voor het Huis Hannover koesterden pijnlijk af.

De toch al beperkte vreugde van de kersverse schoonvader daalde zodoende tot een minimum. Willem werd er dan ook spoedig op attent gemaakt dat te Greenwich een schip op hem wachtte, nadat de koning verbolgen had geconstateerd dat sommige steden het huwelijk van zijn dochter aangrepen om allerhande impertinente dingen over zijn eigen persoon te zeggen. De Londense City had in haar felicitatiegedicht zelfs een nauwverholen oproep gedaan aan de Friese stadhouder tot een doublure van 1688, met George II in de persoon van Jacobus II. De koning was dan ook met reden verheugd toen de prins in mei 1734 eindelijk met zijn bruid weer de Noordzee overstak, ook al was zijn schoonzoon voor het plegen van staatsgrepen absoluut ongeschikt.
Minder verheugd waren de Staten van Holland. Een Willem van Oranje in bed bij Anna van Hannover – dat herinnerde hen maar al te zeer aan de familiebanden met de Stuarts uit de zeventiende eeuw. De hoop op een omwenteling, die men in Londen en Leeuwarden aan het huwelijk verbond, vormde precies de reden waarom de regenten er zo op tegen waren en niet hadden nagelaten openlijk hun ongenoegen te laten blijken. Dat huwelijk, zo hadden zij vóór Willems vertrek nog dreigend aan diens aanstaande schoonvader laten weten, zou de betrekkingen tussen Den Haag en Londen weleens drastisch kunnen doen bekoelen, omdat zij vastbesloten waren ‘de vrije staatsregeling te handhaven op den voet, waarop zij deze laatste dertig jaar geweest was’. George II had zich echter niets van deze dreigementen aangetrokken en geantwoord dat de Staten zich niet met zijn particuliere familiezaken hadden te bemoeien.
Toen zij geen mogelijkheid meer zagen om de voltrekking van het huwelijk te verhinderen, gooiden de Staten het over een andere boeg. Ze stuurden aan de koning een felicitatie, die qua staatkundige stellingname niets aan duidelijkheid te wensen overliet: ‘Nu Uwe Majesteit een vrije Republiek, zoals de onze is, verkozen heeft tot verblijfplaats voor zijn teder beminde Dochter, hopen wij dat zij daar al het genoegen zal vinden dat de voorzieningen van de residenties en het huidige bestel van onze regering, waarvan het behoud ons aan het hart gaat, haar zullen kunnen geven.’ Kortom: zijne majesteits dochter was welkom, mits ze haar plaats kende en zich aan de politieke regels hield.
In alle gewesten aan de macht
Willem IV begon zijn politieke loopbaan slechts als stadhouder van Friesland, Groningen en Gelderland. Elders was het stadhouderschap bij de dood van Willem III afgeschaft. Zijn grote doel was om stadhouder van alle zeven gewesten te worden. Zijn kans kwam in 1747, toen de Fransen tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog de Republiek binnenvielen. Hun razendsnelle opmars herinnerde aan het Rampjaar 1672 en bracht zo eenzelfde golf van paniek teweeg. En net zoals toentertijd de roep om een sterke man Willem III in het zadel bracht en het stadhouderloze regentenbewind wegvaagde, zo profiteerde nu Willem IV. Amper twee weken na de Franse inval was hij in alle gewesten aan de macht.

De Staten lieten ook aan het nieuwe huwelijkspaar na aankomst in Nederland hun ongenoegen blijken. De ontvangst was uitermate koel. Den Haag moest de prins links laten liggen, en in Amsterdam, waar hij zich met zijn vrouw naar Friesland liet inschepen, vertoonde het stadsbestuur zich demonstratief niet op de kade. Saluutschoten, decoraties en vuurwerk waren nadrukkelijk uit den boze.
Van Londen naar Leeuwarden
Zo vertrok Anna diep beledigd naar Friesland, om zich de komende jaren zelden meer in Holland te laten zien. Hoewel de ontvangst in Willems thuisgewest allerhartelijkst was, voelde zij zich in de kleinsteedse Friese residentie gedeporteerd naar een dode uithoek van de wereld. Ze was immers gewend aan het leven in een kosmopolitische metropool. Van Londen naar Leeuwarden – dat was in haar ogen niet echt een vooruitgang, gesteld als zij was op een florerende culturele omgeving en een rijk geschakeerd uitgaansleven. Ze verveelde zich dood, en de gedachte dat ze nu ook in Parijs had kunnen zitten als Lodewijk XV niet zo koppig katholiek was gebleven, maakte haar ziek.
En dan was er nog haar schoonmoeder Maria Louise van Hessen-Kassel, een eenvoudige vrome vrouw met wie de potentiële conversatiethema’s tot het kweken van kinderen of fruitbomen beperkt bleven. Met haar kon de eerzuchtige, wereldse Engelse prinses het niet goed vinden. Onder Maria Louise was aan het Friese hof wegens gebrek aan financiële armslag decennialang uiterste zuinigheid troef geweest; zo had volgens het hofreglement van 1712 alleen de regentes zelf recht op suiker in haar koffie en thee. In een nog scherper nieuw reglement waren zes jaar later ook nog eens dobbelen, kaartspelen, vloeken en het zingen van lichtvoetige gezangen in de ban gedaan. Eigenlijk kon en mocht er in Leeuwarden voortaan niets.

Los daarvan was er de zeer nauwe emotionele band tussen de stadhouder en zijn moeder. Er ontstonden zo voortdurend spanningen en competentietwisten tussen beide vrouwen, mede voortvloeiend uit het intieme contact dat ook na het huwelijk tussen de Friese stadhouder en Maaike Meu (Maria Louises Friese bijnaam) bleef bestaan. Anna wilde haar man niet met zijn moeder delen, en als zij zich tot zijn moeder moest richten, deed zij dat bij voorkeur via haar man, omdat die zijn moeder nog steeds twee tot drie keer per week schreef. De post maakte zo overuren. Zelfs toen Willem eens op militaire campagne een paar honderd kilometer ver weg aan de Rijn vertoefde, vroeg Anna hem om Maria Louise namens haar voor de toegestuurde groente te bedanken, hoewel haar schoonmoeder in Leeuwarden slechts honderd meter verderop woonde. Vergeefs poogde de stadhouder te bemiddelen, maar nog in 1748 zou de verhouding zo slecht zijn, dat Anna bij de geboorte van de latere Willem V de overkomst van diens grootmoeder voor de doopplechtigheid verhinderde.
Wel was er toen – eindelijk – in Anna’s ogen tenminste één ding ten goede veranderd: een jaar eerder had haar gemaal het in de algehele politieke paniek van de Franse inval tot stadhouder van alle Nederlandse gewesten gebracht. Zij had al die jaren Willems ambities tot de hare gemaakt en het feit dat die steeds maar geen promotie kon maken had ze als een affront voor haar koninklijke rang ervaren. ‘Ik mag morgen sterven om vandaag koningin te zijn,’

had ze zich ooit in haar jeugd laten ontvallen. Nu ze niet de koning van Frankrijk of Pruisen in bed had gekregen, poogde ze als compensatie van haar Friese gemaal zoveel mogelijk een koning te maken. Nu, met de omwenteling van 1747, leek dat tenslotte toch een heel klein beetje gelukt.
Meer weten
- Willem IV, stadhouder in roerige tijden 1711-1751 (2018) door F. Jagtenberg.
- A Life of Anne of Hanover, Princess Royal (1995) door V. P. M. Baker-Smith.
- Nassau, uit de schaduw van Oranje (2003) S. Groenveld, J.J. Huizinga en Y.B. Kuiper.
