D66, CDA en VVD willen samen een minderheidskabinet vormen. Afwijkende kabinetsvormen hadden in het verleden wisselend succes.
De allereerste Nederlandse kabinetten waren volledige zakenkabinetten, omdat pas in 1888 de eerste politieke partijen werden gevormd. In 1883 trad het laatste pure zakenkabinet aan onder leiding van de advocaat Jan Heemskerk, die een waterstaatkundig ingenieur als minister van Waterstaat koos en een belastinginspecteur tot minister van Financiën benoemde. Op sommige ministeries bleven vakministers ook na de negentiende eeuw de norm: de minister van Buitenlandse Zaken was tot en met 1948 vrijwel altijd een diplomaat en de minister voor Oorlog een militair.
In 1926 deed formateur Joseph Limburg een uiterste poging om een zakenkabinet te vormen. De formatie verliep op dat moment moeizaam, omdat katholieke partijen niet met de sociaal-democraten wilden regeren. ‘In parlementaire kringen is men van mening dat de nieuwe formateur wel enige kans van slagen heeft,’ schreef het Leidsch Dagblad hoopvol. Limburg wilde de impasse doorbreken door een regering te vormen met mensen die ver van de politiek afstonden. Dat leek hij tot een goed einde te brengen, totdat de Christelijk Historische Unie (CHU) de stekker er op het laatste moment uittrok vanwege een conflict over het gezantschap bij de paus. Minister Dirk Jan de Geer (CHU) nam de formatie over en ging zelf aan het hoofd staan van een gedeeltelijk zakenkabinet, dat drie jaar standhield.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Regeren volgens de ‘volkswil’
Een andere vorm is een regering die buiten de politieke partijen wordt gevormd: een extraparlementair kabinet. Tweede Kamerfracties sluiten dan geen regeerakkoord over het beleid, maar schetsen alleen hoofdlijnen in een zogenoemd regeringsprogramma.
Een extraparlementair kabinet moet steeds op zoek naar meerderheden in de Tweede Kamer om beleidspunten te steunen. Het vroegste voorbeeld is het kabinet van Cort van der Linden (1913-1918). Als premier was Van der Linden niet aangesloten bij een politieke partij. Hij zag het als zijn belangrijkste taak om te regeren volgens de ‘volkswil’ en vond dat partijbelangen te vaak botsten met het nationaal belang. Daarom besloot hij met zijn ‘zelfstandige’ kabinet voortdurend op zoek te gaan naar steun in de Kamer. Dat deed zijn regering met succes: ze beschermde de Nederlandse neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog, maakte een eind aan de schoolstrijd en zette met een grondwetsherziening een belangrijke stap richting het algemeen kiesrecht.
Het bekendste voorbeeld van een extraparlementair kabinet is de regering van Joop den Uyl (1973-1977). Formateur Jaap Burger vond een aantal confessionele politici bereid om toe te treden tot het links-progressieve kabinet van PvdA en D’66, waarna de partijen besloten om alleen basisafspraken te maken die aansloten bij het regeringsmotto: ‘Spreiding van kennis, macht en inkomen’. De PvdA en D’66 beschouwden het als een ‘gewoon’ parlementair kabinet, maar in feite werden Den Uyls plannen gedoogd door een paar confessionele Kamerleden. Die extraparlementaire constructie zorgde dan ook voortdurend voor frictie: bewindslieden dreigden meermaals met aftreden als hun beleid niet werd uitgevoerd. Ondanks die onenigheid hield Den Uyls kabinet het vier jaar vol.
Tegen de zin van de partij
Extraparlementaire kabinetten kwamen daarna weinig voor, maar soms sloot een politicus zich tegen de zin van zijn partij zelfstandig bij een kabinet aan. In 1939 gebeurde dat voor het laatst, toen Pieter Gerbrandy de bezwaren van zijn Anti-Revolutionaire Partij (ARP) negeerde en minister van Justitie werd in het noodkabinet-De Geer II. Volgens Gerbrandy was zijn toetreding noodzakelijk vanwege de oorlogsdreiging, maar daar hadden de ARP-kopstukken geen boodschap aan. Gerbrandy werd zonder pardon uit het ledenbestand verwijderd.
Colijn gehoorzaamt de koningin
D66, CDA en VVD hopen nu op een minderheidskabinet. In 2010 trad het kabinet-Rutte I aan als minderheidskabinet met gedoogsteun van de PVV. Na anderhalf jaar bleek die werkwijze onhoudbaar en klapte het kabinet vanwege onenigheid over bezuinigingen.
Minderheidskabinetten hielden het zelden lang vol, maar meestal was dat ook de bedoeling. Na de val van het kabinet-Cals in 1966 vormden de Katholieke Volkspartij (KVP) en ARP een minderheidskabinet onder premier Jelle Zijlstra. De partijen sloten expres geen regeerakkoord; ze wilden alleen de begroting voor het komende jaar voorbereiden en vervroegde Tweede Kamerverkiezingen uitschrijven. In 1982 deed Dries van Agt hetzelfde na de val van zijn tweede kabinet. Koningin Beatrix vroeg hem om met spoed een ‘rompkabinet’ te formeren dat de nieuwe verkiezingen kon regelen.
ARP-premier Hendrikus Colijn hoopte in 1939 wél dat zijn minderheidsregering stand zou houden. Na de val van Colijns vierde kabinet gaf koningin Wilhelmina hem de opdracht opnieuw een landsbestuur te vormen. Het was een bevel dat hij naar eigen zeggen wel móést opvolgen, omdat hij behalve een staatsman vooral een ‘officier’ was die zijn staatshoofd ‘gehoorzaamde’.
Ondanks het koninklijk bevel was Colijn-V geen lang leven beschoren. Zijn ministergroep bestond voor een groot deel uit partijloze liberalen en had slechts 29 van de 100 zetels in de Tweede Kamer. Toen het kabinet voor het eerst bijeenkwam, werd het door de Tweede Kamer direct weggestuurd met een motie van wantrouwen. Colijn twijfelde even of hij de boodschap van zijn Haagse collega’s naast zich neer zou leggen, maar zag zich toch genoodzaakt om twee dagen na zijn beëdiging alweer zijn ontslag aan te bieden.
Beeld bovenaan: Het kabinet-Den Uyl op het bordes, 11 mei 1973.
