• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 6/2008

    Minister van verzoening

    Door: Paul Moeyes

    Onder zijn premierschap laveerde Nederland ongeschonden langs de klippen van de Eerste Wereldoorlog, en werd in 1917 het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd. Pieter Cort van der Linden wilde uitvoerder zijn van de volkswil. Liefst zonder bemoeienis van het parlement.

    Dat de spreekwoorden en zegswijzen in een taal een getrouwe afspiegeling van de landscultuur zijn, bleek eens te meer in 2002. Toen illustreerden volksvertegenwoordigers uit de Eerste en Tweede Kamer treffend de oer-Hollandse overtuiging dat ‘voorkomen beter is dan genezen’. Zij kozen Pieter Wilhelm Adrianus Cort van der Linden, leider van het naar hem genoemde extraparlementaire kabinet (september 1913 tot september 1918), tot de beste premier van Nederland in de twintigste eeuw, en verwezen Willem Drees naar de tweede plaats. De architect van de wederopbouw na de bezetting in de Tweede Wereldoorlog moest het afleggen tegen de man die Nederland buiten de Eerste Wereldoorlog had weten te houden.

    Cort van der Linden is echter meer dan de leider van een succesvol oorlogskabinet. De algemene consensus is dat hij zijn grote reputatie dankt aan een drietal prestaties: hij waakte over de Nederlandse neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog, hij regelde de schoolkwestie (de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs) en hij bewerkstelligde in 1917 de grondwetsherziening die een belangrijke stap betekende op de weg naar het algemeen kiesrecht.

    Enige relativering is hierbij wel op zijn plaats. Dat Nederland in augustus 1914 niet in de wereldoorlog werd meegesleurd was geen verdienste van Cort van der Linden. Die beslissing had gelegen bij de generale staven van de oorlogvoerende landen. Dat zij bij het opstellen van hun aanvalsplannen de Nederlandse neutraliteit als een gegeven konden beschouwen, was te danken aan de voorgangers van het kabinet-Cort van der Linden die, vooral sinds de Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871, een consequente en strikte neutraliteitspolitiek hadden gevoerd.

    Dat Nederland tijdens de oorlogsjaren buiten schot bleef, is grotendeels toe te schrijven aan het simpele feit dat de oorlogvoerende partijen van mening bleven dat hun eigen belang daar het best mee gediend was. De verdienste van Cort van der Linden is dat hij een balans wist te vinden tussen de vaak onredelijke eisen die de oorlogvoerenden aan Nederland stelden, zonder op enige wijze ‘aanstoot’ te geven. Zo ontstonden er voor de belligerenten geen strategische of diplomatieke redenen om hun eerdere standpunt te herzien. Bovendien suste hij de – sporadische – oorlogszuchtige oprispingen binnen zijn eigen kabinet, zodat de Nederlandse neutraliteit ook van die zijde niet in gevaar kwam.

    Zelf bleef hij bescheiden over zijn jaren als oorlogsleider: ‘Als ik enige verdiensten heb in het behoud van den vrede, dan is het denk ik dat ik steeds mijn hoofd koel heb gehouden en steeds aan niets anders gedacht heb dan aan het belang van het land,’ zo schreef Cort van der Linden in 1926 aan ‘zijn’ minister van Waterstaat, Cornelis Lely.

    Koehandel
    Bij de regeling van de schoolkwestie wordt de rol van Cort van der Linden nog weleens overschat, ten nadele van de Vrijzinnig-Democraat Dirk Bos (1862-1916), die inhoudelijk een veel grotere inbreng had – onder andere als voorzitter van de ‘bevredigingscommissie’ die het wetsvoorstel voorbereidde. Maar Cort van der Linden was degene die als regeringsleider besloot dat de zich al jarenlang voortslepende schoolkwestie geregeld diende te worden, en hij was ook degene die Bos verzocht de bevredigingscommissie te leiden. Aan politieke durf en het vermogen om voor het uitvoeren van een belangrijke taak de juiste personen te kiezen ontbrak het hem niet.

    In de grondwetsherziening van 1917 is de premier ongetwijfeld de stuwende kracht geweest, hoewel zijn strategie weleens is bekritiseerd. In zijn onderhandelingen met de confessionele rechtse partijen enerzijds en de liberale en socialistische linkse partijen anderzijds zou Cort van der Linden hebben aangestuurd op een uitruil: rechts ging akkoord met de kiesrechtherziening als links de gelijkschakeling van het bijzonder onderwijs accepteerde. De minister-president werd afgeschilderd als de man van ‘Inkoop en Verkoop’.

    Zijn biograaf Johan den Hertog ontkent dat er sprake is geweest van koehandel, en tijdens Kamerdebatten gaf Cort van der Linden inderdaad aan geen verband tussen de twee kwesties te willen leggen. Maar nog afgezien van hoe oprecht hij dat meende, het is op zich nog geen afdoend bewijs. Als er verscheidene partijen bij een kwestie betrokken zijn, bestaan er ook meer strategieën: het simpele feit dat de premier in het openbaar verklaarde geen verband te willen leggen, wil niet zeggen dat de betrokken partijen een dergelijke afweging niet hebben gemaakt – en dat de premier daar niet stilzwijgend op rekende.

    Daar komt nog bij dat de politicus Cort van der Linden de besprekingen over gevoelige kwesties graag vanachter de schermen regisseerde. Echte duidelijkheid over het verloop van de onderhandelingen bestaat er dan ook niet. Zelfs zijn biograaf moet toegeven dat de zich ook aan zijn gezichtsveld onttrekkende ‘stille politiek’ een belangrijke rol heeft gespeeld.

    Interessant is verder dat Cort van der Linden in een naoorlogs interview stelde dat het falen van Troelstra’s revolutiepoging in november 1918 te danken was aan zijn visionaire beleid. Hij had voorzien dat na de oorlogsperiode een revolutiedreiging zou volgen en daarom had hij preventief gehandeld: ‘Door deze Grondwetsherziening werd de aanleiding der revolutie al weggenomen in een tijdperk, dat nog geenerlei gevaar voor revolutie opleverde. De Grondwetsherziening heeft, naast een ideëel-politieken rechtvaardigingsgrond, ook een feitelijke noodzakelijkheid gehad.’

    Dat was een nogal boude bewering. Voor Troelstra was de directe aanleiding voor zijn revolutiepoging gelegen in een aantal verspreide soldatenrelletjes, onder meer in de Harskamp in oktober 1918, waaruit hij afleidde dat de revolutie vanuit Duitsland naar Nederland was overgeslagen. Maar Cort van der Lindens opmerking is interessant omdat die de aandacht vestigt op de twee pijlers van zijn politieke optreden: een sociaal idealisme dat in de praktijk werd beteugeld door een nuchter pragmatisme.

    Volkskathedraal
    Cort van der Lindens politieke denken was gevormd door het sociaal-darwinisme en de Duitse idealistische filosofie uit de negentiende eeuw. Hij deelde niet de traditionele liberale opvatting dat het marktmechanisme de enig nodige drijfveer voor maatschappelijke ontwikkelingen was. Zijn ideeën waren enerzijds veel socialer, maar anderzijds ook veel elitairder. De vrijheid voor het individu zoals het liberalisme bepleitte was een groot goed, maar een individu toonde zich die vrijheid alleen waardig als hij die aanwendde om de gemeenschap te dienen.

    Wat Cort van der Linden als ideaal voor ogen stond was de staat als gemenebest, waarin de normen en waarden het volkskarakter weerspiegelden. Het totstandbrengen van die ideale, harmonische volksstaat was als het bouwen van een kathedraal, met de wetten als steigers en de politici als steigerbouwers. Als het bouwwerk was voltooid, konden de steigers worden afgebroken, ofwel: als uiteindelijk een harmonieus, moreel volksbesef was ontstaan waren wetten niet langer nodig, het moreel besef was dan in het volk zelf geworteld.

    De ontwikkelingsgang naar dat gemenebest was lang en moeizaam, en in dat proces had de staat een wezenlijke functie te vervullen. Cort van der Linden verwoordde het als volgt: ‘[De staat] dringt de overmoedigen terug, beschermt de zwakken, verdeelt de risico’s, en stelt zich in het haastig gedrang aan allen tot gids.’

    De staat had dus niet alleen een verzorgende en controlerende taak, maar ook een gidsfunctie. En hier werd Cort van der Lindens denken elitair en bijna esoterisch. Wat hij van leidinggevende politici verwachtte, is dat zij beschikten over ‘intuïtie in het karakter der gemeenschap’ – met andere woorden, zij moesten aanvoelen wat het volk wenste en daar uitvoer aan geven. De goede bestuurder kende dus de noden van het volk, nog voor die noden duidelijk verwoord waren. Geen wonder dat hij dergelijke staatslieden als ‘hoogstaande individuen’ betitelde.

    Geen twijfel ook dat hij zichzelf als een van die hoogstaande individuen beschouwde; het verklaart in essentie alle aspecten van zijn politieke functioneren. Cort van der Linden was een uitgesproken tegenstander van de partijpolitiek, en het waarom is nu duidelijk: die beknotte de handelingsvrijheid van ‘hoogstaande individuen’. Daarbij kon een partijbelang zeer wel botsen met het algemeen belang – de volkswil – en daardoor eerder leiden tot nationale verdeeldheid dan tot eenheid.

    Bij het aantreden van zijn kabinet in 1913 verzette hij zich fel tegen aantijgingen dat zijn kabinet zwak was doordat het als extraparlementair kabinet geen steun in de Kamer had. Volgens Cort van der Linden werd door de partijverantwoordelijkheid op de spits te drijven de individuele verantwoordelijkheid ondermijnd. Terwijl juist het persoonlijke verantwoordelijkheidsgevoel van bewindslieden die zich niet naar de partijen, maar naar de uitgesproken wil der natie richtten, in de toekomst weleens van onschatbare waarde zou kunnen blijken. Hijzelf sprak daarom liever van een ‘zelfstandig’ kabinet. Dergelijke kabinetten konden voor het welzijn van het land een blessing in disguise zijn, mits zij hun steun zochten ‘in de eigen wil van het volk.’

    Saamhorigheid
    Enkele jaren na zijn aftreden gaf Cort van der Linden echter toe dat hij er niet in was geslaagd de volkswil tot onderdeel van het politieke systeem te maken: ‘Mijn hoofd-idee als Minister heb ik niet kunnen verwezenlijken: ik wilde een correctief scheppen op de eenzijdigheid van het Parlement, in de publieke opinie. Dat die zich zóó sterk zou uiten, dat een Minister daarmee moest rekening houden,’ zei hij in 1925 in een interview. Het is de vraag of de volksvertegenwoordigers die Cort van der Linden als de beste minister-president van Nederland verkozen wel beseften dat hij een groot voorstander was van het volksreferendum.

    Cort van der Linden is zelf nooit lid van een politieke partij of de Tweede Kamer geweest. Hij stelde zich wel twee keer verkiesbaar voor het parlement, maar in beide kiesdistricten wist hij de kiezers niet voor zich te winnen. In zijn contacten met het volk ging het intuïtief aanvoelen hem blijkbaar beter af dan het direct communiceren. Zijn stille hoop was geweest dat de afschaffing van het districtenstelsel en de invoering van de evenredige vertegenwoordiging de invloed van de partijpolitiek zouden doen afnemen. Dat bleek een misrekening, die hij in latere jaren diep betreurde.

    Zijn streven naar volkseenheid en saamhorigheid verklaart ook waarom Cort van der Linden zoveel belang hechtte aan de oplossing van de schoolkwestie. Bij het aantreden van zijn kabinet maakte hij duidelijk dat in zijn optiek verzoening een noodzakelijke voorwaarde was voor nationale vooruitgang: ‘De politieke schoolstrijd is als het ware een wig, die in ons volksleven is geslagen, die van ons volk twee volken maakt, en het is een overtuiging, die niet alleen bij rechts, maar ook bij links levendig is, dat, zolang die wig niet uit ons volksleven is uitgehaald, er van een krachtige ontwikkeling van ons volk, van een losmaken van de energie, waarover ons volk moet beschikken, geen kwestie kan zijn.’

    Maar ook de onderwijskwestie leidde tot een persoonlijke teleurstelling. Cort van der Linden had gehoopt dat de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs tot meer nationale eenheid en harmonie zou leiden, maar ook hier kwam hij bedrogen uit. De onderwijspacificatie leverde juist een grote bijdrage aan de verzuiling van Nederland. In plaats van mee te bouwen aan de volkskathedraal die Cort van der Linden voor ogen stond, konden de antirevolutionairen uitvoer geven aan Abraham Kuypers credo ‘soeverein in eigen kring’. En dus bouwden zij hun eigen kerk.

    Er zit nog een ander curieus aspect aan Cort van der Lindens denkwijze. Hij had bezwaar tegen de partijpolitiek omdat die de individuele handelingsvrijheid beknotte, maar door de politicus tot instrument van de volkswil te maken, beknotte hij diens handelingsvrijheid natuurlijk evenzeer. De politicus gaf immers geen uitvoering aan zijn eigen persoonlijke overtuigingen en idealen, maar aan wat hij ‘voelde’ dat het volk wenste. Een logisch gevolg van die zienswijze is dat een politicus zich gedwongen kon zien wetgeving te introduceren waarin hijzelf niet geloofde.

    In een naoorlogs interview erkende Cort van der Linden dat hij in die situatie had verkeerd: ‘Ik wilde zijn de Minister van verzoening. Ik zag: het algemeen kiesrecht is onvermijdelijk, hoewel ik de noodzaak niet voelde; ik dacht: laat ik het dan corrigeeren door intens onderwijs – élevons nos maîtres.’ De opmerking illustreert Cort van der Lindens tweeslachtige houding: het kiesrecht was de volkswil, maar de onderwijspacificatie presenteert hij als een persoonlijk correctief. Tegelijkertijd blijkt hieruit dat hijzelf wel degelijk een verband legde tussen de twee kwesties, iets wat hij in de Kamer herhaaldelijk had ontkend.

    Ouderwets regent
    Tegen de achtergrond van zijn eenheidsstreven blijft Cort van der Lindens grootste persoonlijke succes de neutraliteitshandhaving tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hier kwamen zijn eigen denkbeelden met die van het Nederlandse volk overeen. De neutraliteitswens was al jarenlang onderdeel van de Nederlandse volksaard geweest, en dus voelde de minister-president zich volkomen gerechtigd alle middelen aan te grijpen om die wens te verwezenlijken. Dat hij daarbij het parlement veelvuldig buitenspel zette, leidde bij hem niet tot gewetenswroeging. Hij gaf uitvoer aan de volkswil, en het landsbelang was gediend bij zijn stille diplomatie.

    Al bij de algemene beschouwingen in 1913 had Cort van der Linden laten weten dat hij van de Tweede Kamer geen bemoeienis met de uitvoer van zijn regeringsprogram zou dulden: ‘Don’t speak to the man at the wheel,’ gaf hij de Vrijzinnig-Democratische voorman Dirk Bos verstaan. Dat lijkt op het eerste gezicht een nogal verbijsterende uitspraak van een minister tegen een lid van de volksvertegenwoordiging en fractievoorzitter van de partij waar Cort van der Linden zich het meest mee verwant voelde. Maar zijn opvattingen waren strikt dualistisch: als regeringsleider zette híj de koers uit; de Tweede Kamer controleerde de koers, maar bepaalde die niet.

    De beste minister-president van Nederland in de twintigste eeuw blijft daarmee een curiosum. Een man die ondanks zijn sociale wetgeving nooit tot een ‘vadertje’ Drees is geworden. Een man met grote idealen die toch zeer pragmatisch te werk ging. Een man die de persoonlijke overtuiging had de volkswil te kennen, hoewel hij als ouderwets regent mijlenver van het volk af stond. Een man die geloofde in democratisering, maar daarom de invloed van het parlement juist wilde verkleinen. En een man die erin slaagde lang slepende politieke kwesties tot een oplossing te brengen die hemzelf uiteindelijk teleurstelde.

    De wijze waarop Nederland zich na 1918 ontwikkelde, heeft Cort van der Lindens ideaalbeeld van een moreel eensgezind volk niet naderbij gebracht. Na de verzuiling in de eerste driekwart eeuw volgde de verandering naar een multiculturele samenleving in het laatste kwart, en hoe valt daar nog een eenduidig volkskarakter uit te distilleren? Het aanvoelen en verwoorden van de volkswil is onder Nederlandse politici wel weer bijzonder actueel geworden, maar men kan zich afvragen of dat de ‘hoogstaande individuen’ heeft opgeleverd die Cort van der Linden die rol had toegedacht.

    Dat alles neemt niet weg dat Cort van der Linden tijdens zijn vijfjarige ambtstermijn klinkende resultaten behaalde. Alleen al om die reden is zijn uitverkiezing als Neerlands beste minister-president volledig gerechtvaardigd. Misschien stemt het echter tot nadenken dat de beste minister-president van Nederland in eigen ogen maar zeer ten dele in zijn opzet slaagde en dat de twee belangrijkste elementen in zijn wijze van politiek bedrijven vandaag de dag niet erg hoog aangeschreven staan. Wars van partijpolitiek stelde Cort van der Linden zich boven de partijen, en daarnaast excelleerde hij in de tegenwoordig zo verfoeide stille diplomatie en achterkamertjespolitiek.

    Biografie

    P.W.A. Cort van der Linden (1846-1935) was de zoon van een liberaal politicus die bevriend was met Thorbecke. Van hen nam hij het beeld over van de politicus als onafhankelijke geest die ijverde voor het welzijn van het land. Cort begon zijn carrière als advocaat, griffier in de Tweede Kamer en hoogleraar staatshuishoudkunde in Groningen en Amsterdam.
    In 1897 maakte hij de overstap naar de actieve politiek als minister van Justitie in het liberale kabinet-Pierson (1897-1901). Hij bracht in die periode belangrijke kinderwetgeving tot stand en werd een van de favorieten van koningin Wilhelmina. Zij raadpleegde hem sindsdien regelmatig over politieke kwesties, en toen de verkiezingsuitslag van 1913 geen duidelijke winnaar opleverde, vroeg zij hem een nieuw kabinet samen te stellen.
    Cort van der Linden vormde een extraparlementair kabinet (wat wil zeggen dat niet één van zijn ministers uit het parlement afkomstig was) van progressief-liberale signatuur en werd daarmee de laatste liberale minister-president van Nederland.

    Meer informatie

    Boeken
    De vorig jaar verschenen lijvige (politieke) biografie van Johan den Hertog, Cort van der Linden. Minister-president in oorlogstijd (2007) gaat vooral over Corts politieke carrière; over zijn privéleven blijkt weinig noemenswaard te vinden. Voor lezers die in het kort iets over Cort willen vernemen, is er een informatief essay van Gerrit Voerman: ‘P.W.A. Cort van der Linden’, in Van der List en Van Schie (redactie), Van Thorbecke tot Telders. Hoofdpersonen uit de geschiedenis van het Nederlandse liberalisme vóór 1940 (1993).

    Over het manoeuvreren van het kabinet-Cort van der Linden in oorlogstijd heb ik zelf geschreven in De sterke arm, de zachte hand. Het Nederlandse leger en de neutraliteitspolitiek 1839-1939 (2006). De parlementair verslaggever Doe Hans geeft een impressie van Cort van der Lindens optreden in het parlement in een kort opstel in zijn Parlements-film, een verzameling politieke beschouwingen uit het weekblad De Vrijheid (1924).

    Voor dit artikel heb ik veel gehad aan een interview uit de jaren twintig waarin Cort terugkeek op zijn loopbaan, in W. Itallie-Van Embden, Sprekende portretten (1924).