Home Dossiers De Opstand 1572: Keerpunt in de Opstand

1572: Keerpunt in de Opstand

  • Gepubliceerd op: 29 maart 2022
  • Laatste update 07 feb 2023
  • Auteur:
    Luc Panhuysen
  • 12 minuten leestijd
1572: Keerpunt in de Opstand
Cover van
Dossier De Opstand Bekijk dossier

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Historischnieuwsblad.nl? U bent al lid vanaf €1,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

In het voorjaar van 1572 leek de heerschappij van de Spanjaarden in de Lage Landen nog onbetwist. Maar na een reeks van nederlagen en overwinningen sloten steeds meer Nederlanders, van hoog tot laag, zich aan bij de Opstand. En dat gaf de doorslag.

Willem van Oranje was 38 jaar oud toen hij de zwaarste klap van zijn leven incasseerde. De opstand tegen Spanje duurde al een poosje, maar pas nu drong tot hem door dat de kans heel groot was dat hij ten onder zou gaan. Hij had net gehoord dat op 14 april 1574 zijn leger op de Mokerheide in de pan was gehakt. Maanden van diplomatie en ronselen waren aan de vorming van dat leger voorafgegaan. En toen het de omvang van 10.000 man had bereikt, was het onder het bevel van zijn favoriete broer, Lodewijk van Nassau, de Spaanse domeinen binnengevallen om Maastricht te belegeren.

Maar het liep anders. Lodewijks leger bleek een onhandelbare bende, waardoor de Spanjaarden de strijd van meet af dicteerden. Behendig wisten ze Lodewijks leger, waarin zich ook Oranjes jongste broer Hendrik bevond, in het nauw te drijven. Diens soldaten hadden zich opgemaakt voor een gevecht met kogels, maar de Spanjaarden renden dwars door de slagregen van lood heen, waardoor er geen tijd was om te herladen. Het werd een slachtpartij. Een derde van Oranjes leger kwam om, tegenover 200 Spanjaarden. Wat de klap verwoestend maakte, was dat Lodewijk en de jonge Hendrik waren gesneuveld. Hun lichamen zijn nooit teruggevonden.

Alkmaarse opstandelingen opgehangen in 1572.
Alkmaarse opstandelingen worden door de Spanjaarden opgehangen in Enkhuizen, 1572.

Meer lezen over de Opstand? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Oranje zette zich aan de somberste brief uit zijn correspondentie, aan zijn enige nog overgebleven broer, Jan van Nassau. Twee jaar nu – sinds 1572 – hadden de Nederlanders en de familie Nassau zonder noemenswaardige buitenlandse hulp gestreden; deze veldslag toonde aan hoe uitzichtloos het allemaal was. De verliezen, zowel persoonlijk, militair als financieel, waren te groot. Hij was murw.

Zo kwam het dat de prins, die toen al ‘de Zwijger’ werd genoemd omdat hij nooit zijn innerlijk toonde, zich deze regel liet ontvallen: ‘Ik wil u wel openlijk bekennen, dat mijn hoofd zo omloopt van onnoemlijk veel zaken, en ook van rouw en zwaarmoedigheid […] dat ik nauwelijks nog weet wat ik doe.’ De regisseur van de opstand die het niet meer wist – nogal een bekentenis. Zijn broer heeft die brief nooit gelezen, want hij werd door de Spanjaarden onderschept. De toenmalige landvoogd en bevelhebber der Spaanse strijdkrachten in Brussel, Luis de Requesens, las de ontboezemingen van zijn vijand en sprong een gat in de lucht. Als de Oranjevlag er zo bij hing, kon de oorlog weleens vlug voorbij zijn.

Een derde van Oranjes leger kwam om, tegenover 200 Spanjaarden

Wie midden in de geschiedenis zit, ziet niet waar die heen gaat. Zowel Oranje als Requesens peilde hun kansen en zat ernaast. Requesens zou weinig voor de Spaanse zaak betekenen, en vrij spoedig na zijn aankomst sterven. Oranje ging weliswaar niet zijn vrolijkste levensfase in, maar leek in zijn brief helemaal over het hoofd te zien dat er al iets groots tot stand was gebracht. Zoals een parel zich vormt rond een zandkorrel, zo hadden in 1572 gebeurtenissen de kiem gelegd voor een opstand die het tachtig jaar zou uitzingen, en waaruit de latere Republiek ontstond.

Staatkundig kan de Republiek misschien moeilijk een parel worden genoemd, en de glans van succes zou nog een poos op zich laten wachten. Toch werd de basis voor dat succes gelegd in 1572. Alle reden om dat jaar nader te bekijken.

Stormachtige bijval in 1572

In het voorjaar leek de Spaanse heerschappij in de Lage Landen onbetwist. De voorganger van Requesens, de hertog van Alva, regeerde met straffe hand. Hoge belastingen, waarvan de Tiende Penning het meest gehaat was, drukten op de stedelingen en de opstandige adel was met de Bloedraad de voet op de nek gezet. Gevolg was onder andere dat de strijd zich naar de zee had verplaatst. Grote groepen lagere adel waren scheep gegaan, bekwaamden zich in de piraterij, en noemden zichzelf ‘watergeuzen’.

Verschillende veldtochten van Willem en zijn broers waren voor 1572 gestrand of afgeslagen, en hoewel de Nassaus hun complete kapitaal spendeerden aan legers, had de prins van Oranje nog weinig op het strijdtoneel gepresteerd. Op 1 april zeilde de net benoemde admiraal van de watergeuzen, de heer van Lumey, voor Den Briel langs toen hij vernam dat het stadje geen Spaanse bezetting van betekenis had. Diezelfde dag riep Lumey Den Briel uit tot stad van Oranje. Het had allemaal weinig om het lijf gehad als dit niet was gevolgd door een stormachtige bijval. Binnen de kortste keren spraken Vlissingen, Veere, Dordrecht, Delft, meer dan twintig steden en stadjes, zich uit voor de opstand.

De vier broers van Willem van Oranje: Jan (zittend), Hendrik, Adolf en Lodewijk. Door het atelier van Wybrand de Geest, circa 1630.

Hoewel Oranje duidelijk niet op zo’n opsteker had durven rekenen, zette het hem wel aan het denken. De steun voor de opstand was een signaal dat velen het juk van de Spanjaarden moe waren. Hij zon op een manier om de opstand een georganiseerde basis te verschaffen. Die kwam tot stand tijdens de ‘eerste vrije statenvergadering’, een gebeurtenis die een duurzame betekenis zou hebben. Oranje had de twaalf vrije steden bijeengeroepen vanwege zijn dringende behoefte aan een betrouwbare cashflow. Legers waren niet te hanteren als elke manoeuvre werd voorafgegaan door onderhandelingen over achterstallige betaling.

De rebellen hadden geluk

opstandelingen in de kaart speelde, was wat wel imperial overstretch wordt genoemd: de neiging van supermachten om te veel hooi op hun vork te nemen. Spanje vocht tegen de Turken, tegen Frankrijk, vocht in Italië en overzee. En de Nederlanden werden als kostenpost steeds zwaarder. Op 1 september 1575 vond het eerste bankroet plaats van de Spaanse kroon: Filips II kon de rente op zijn leningen niet meer betalen. De geleidelijke verzwakking van Spanje is dus de andere kant van de medaille van het verhaal van 1572.

Er vallen wel meer kanttekeningen te maken. Neem bijvoorbeeld de enorme terreinwinst die de nieuwe landvoogd Alexander Farnese, hertog van Parma, voor de Spanjaarden bewerkstelligde. Hij heroverde België voor Spanje. Parma had de Opstand verder in het nauw kunnen brengen, maar hij leefde te kort. Zijn dood viel vrijwel samen met de opkomst van een militair talent in Nederland: Maurits. Het verlies van de Zuidelijke Nederlanden had voor de Republiek grote voordelen, ook al kon Oranje dat niet zo zien. De Noordelijke Nederlanden werden overspoeld door migranten, die geld, intellect en vers bloed brachten.

De afgevaardigden in het Dordtse Prinsenhof zegden hem 100.000 kronen toe, in de komende drie maanden uit te breiden met nog eens 500.000. Zeker zo belangrijk was dat Oranje werd hersteld in zijn functie van ‘stadhouder’, ofwel: plaatsvervanger van de koning. In afwezigheid van de koning had de plaatsvervanger het dus voor het zeggen. Wellicht het belangrijkste besluit was dat Oranje werd bevestigd als kapitein-generaal, bevelhebber van het leger. Zo waren in een paar dagen tijd de financiën en het leiderschap beklonken. De opstand had een institutioneel kader gekregen waarmee het gezag, het draagvlak en de middelen waren geregeld.

Onblusbare papenhaat

Wat betreft het gezag liepen de vergaderaars in Dordrecht wel een beetje vooruit op de werkelijkheid. Het succes van Den Briel had in 1572 duidelijk laten zien dat de opstand niet enkel door de elite werd gedragen, maar ook door het gewone volk. Van de opstand van onderaf moest worden geprofiteerd, maar het stelde de prins voor een dilemma. De man die hij zelf tot admiraal had benoemd, Lumey, was bezig te ontsporen. Lumey, zelf in vroeg stadium calvinist geworden, leek voornamelijk gedreven door een onblusbare haat jegens alles wat ‘paaps’ was. In elk stadje dat hij met zijn watergeuzen in naam van de Opstand innam, liet hij pastoors uit hun woningen en monniken uit hun kloosters slepen. Niet zelden werden die, onder luide bijval, nog diezelfde dag opgeknoopt. En dat terwijl in veel steden het aandeel protestanten niet groter was dan van de katholieken.

Papenhater Willem II van der Marck Lumey bedreigt met zijn drieste optreden tegen katholieken de eenheid van de opstandelingen.

De opstand van bovenaf en die van onderaf dreigden de strijders te verscheuren. Oranje zag dat Lumey oorlog voerde tegen de eigen burgers, mensen wier steun de Opstand broodnodig had. De prins moest behoedzaam opereren, want Lumey was invloedrijk. De vrije vergadering in Dordrecht liet diens positie ongemoeid, maar Oranje wachtte zijn moment af. Pas aan het eind van dat jaar, nadat Lumey had gefaald bij een belangrijke militaire actie voor Haarlem, vond Oranje voldoende steun om hem in de cel te gooien. Bijna stiekem was de luidruchtige papenjager van het toneel gerukt; pas een geruisloos jaar later wist Oranje hem definitief achter de coulissen te stoppen. Het was een belangrijke stap, want nu kreeg de fatsoenlijke versie van de Opstand de overhand. Belangrijke middelpuntvliedende krachten waren aan banden gelegd.

Spaanse intimidatie in 1572

Dat was ook wel nodig, want de hertog van Alva zon op rigoureuze methoden om het verloren terrein terug te winnen. Stel voorbeelden ter afschrikking, was zijn adagium, wees meedogenloos. Het eerst was de stad Mechelen aan de beurt. Een orgie van vuur, metaal en bloed raasde door de straten. De dag erna verspreide Alva een pamflet waarin hij uitlegde waarom Mechelen dit lot had verdiend. De intimidatie sloeg aan, het zuiden boog voor het Spaanse gezag.

Omdat Alva’s gezondheid slecht was en de winter naderde, droeg hij het commando over aan zijn zoon, Don Fadrique. Daarna trok het leger op richting de Noordelijke Nederlanden. Werd het Dordrecht? Nee, het werd Zutphen. Op 12 november viel het ten prooi aan de Spanjaarden. Daarna kwam Naarden in zicht. De stadsbestuurders wilden een bloedbad als Zutphen voorkomen en boden een vrijwillige capitulatie aan op gunstige voorwaarden. De stadsbestuurders proostten tevergeefs met de Spanjaarden: dezelfde dag begon een moordpartij die weinig van het stadje overliet.

Alkmaar onthaalt de Spanjaarden op alles wat maar kookt, brandt of puntig is

Op naar Haarlem. Het was december, het sneeuwde. De in bloed gedrenkte drieslag Mechelen-Zutphen-Naarden beheerste op dat moment de gedachten van de Hollanders. De gruwelen veroorzaakten een stemming die, in de woorden van Oranje-biograaf René van Stipriaan, ‘heen en weer slingerde tussen paniek en onvermoede vormen van vastberadenheid’. De prins van Oranje hielp Haarlem een handje door snel het stadsbestuur te vervangen en de stad van 20.000 zielen vol te stoppen met proviand. Dit was nuttig, net als de rotsvaste overtuiging dat met Alva noch Fadrique te praten viel.

Vanaf half december begonnen de kanonnades. Honderden kogels per dag ramden zich in de wallen, boorden door daken, braken door muren. Een bres in de stadsmuur werd direct gedicht; met grote opofferingsgezindheid werkten de Haarlemmers zij aan zij in het schootsveld. Toen de Spanjaarden zich opmaakten voor een stormloop, kregen de garnizoenssoldaten op de wallen gezelschap van Haarlemmers. De verdediging was furieus. De complete bevolking vocht, inclusief de vrouwen. Volgens de overlevering zou Kenau Simonsdochter Hasselaer zelfs een vendel van 300 vrouwelijke soldaten onder haar bevel hebben gehad. Telkens opnieuw wierpen de Spanjaarden zich op hun stormladders, om vervolgens getrakteerd te worden op kogels, stenen, gesmolten lood, zelfs op kokende urine. Na honderden doden droop de vijand af.

Haarlem geeft zich over

Oranje probeert te helpen vanuit Delft. Intussen zitten we in het jaar 1573; het Beleg van Haarlem sleept zich voort. De Spanjaarden kampen met bevroren tenen en vingers, de Haarlemmers met honger. Voor de prins is het een testcase. Na de vrije vergadering in Dordt is het aan hem om te laten zien wat hij waard is. Postduiven brengen de stad boodschappen over spoedig ontzet. Een poging de vijand in de rug aan te vallen met een burgerlegertje loopt vast in een hinderlaag, met gruwelijke gevolgen. Op 13 juli geeft Haarlem zich over. Dagenlang gaat het moorden door; uiteindelijk vinden 1700 mannen de dood. De burgerij blijft grotendeels gespaard, maar moet wel een enorme schadeloosstelling betalen. Oranje is gevloerd door het nieuws, gevloerd ook door de verliezen. Aan Lodewijk, die dan nog leeft, schrijft hij dat ‘van enig inzetbaar leger’ nauwelijks meer sprake is.

Hasselaer, 1572.
Kenau Simonsdochter Hasselaer verdedigt Haarlem met hand en tand tegen de Spanjaarden.

Terwijl in Haarlem de laatste moorden worden uitgevoerd, marcheert het leger van Fadrique alvast naar Alkmaar. Daar is het leerproces intussen weer een stapje verder. Met vooruitziende blik zijn de stadswallen versterkt. Net al in Haarlem is de hele stadsbevolking op de muren te vinden om de Spanjaarden te onthalen op alles wat maar kookt, brandt of puntig is. Wat helpt is dat Alkmaar in een moerassige omgeving ligt. Wanneer de sluizen bij de Zijpe worden opengezet lopen de Spaanse stellingen onder.

Fadrique aanvaardt de aftocht, het Spaanse offensief is stukgelopen. De hertog van Alva is ontgoocheld. Wanneer ook nog eens zijn vloot op de Zuiderzee wordt verslagen, zegt hij: ‘Haal me hier weg, en als dat niet kan door iemand anders te sturen, schiet me dan dood.’ Alva vertrekt, Requesens komt.

Willem van Oranje zou nog hoge pieken beleven en door diepe dalen gaan. Maar de Opstand, zijn opstand, had zich na de hete winter van 1572-1573 in de koppen van de Hollanders genesteld.

In 1574, hetzelfde jaar dat Oranje gaat zitten voor een brief aan broer Jan, maakt prior Wouter Jacobsz. een reisje in de trekschuit. Hij is uit Gouda naar Amsterdam gevlucht omdat die stad nog standvastig ‘Spaans’ is. Hij hoopt dat de Spanjaarden winnen en dat de chaos snel is afgelopen. In de trekschuit komen de knekelvelden van Naarden en Haarlem ter sprake; verheugd hoort de monnik vertellen over de grote verliezen onder de opstandelingen. Maar wanneer iedereen vervolgens opgetogen het Wilhelmus aanheft, slaat zijn stemming om. Met een schok realiseert hij zich: deze opstand lééft.

Meer weten:

  • De zwijger (2021) door René van Stipriaan is een veelgeprezen biografie over Willem van Oranje.
  • De Opstand in de Nederlanden 1568-1648 (2014) door Anton van der Lem behandelt de Tachtigjarige Oorlog in woord en beeld.
  • Ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog (2018) door Luc Panhuysen en René van Stipriaan laat honderd tijdgenoten aan het woord.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 4 - 2022