Home Dossiers Tachtigjarige Oorlog De ondergang van geuzenleider Lumey

De ondergang van geuzenleider Lumey

  • Gepubliceerd op: 28 maart 2023
  • Laatste update 31 jan 2024
  • Auteur:
    René van Stipriaan
  • 13 minuten leestijd
Willem van der Marck, de heer van Lumey.
Cover van
Dossier Tachtigjarige Oorlog Bekijk dossier

Jarenlang streden Willem van Oranje en geuzenleider Lumey zij aan zij. Maar terwijl Oranje het eerste succes van de opstandelingen probeerde te bestendigen, gaf Lumey zich over aan een orgie van papenhaat, vernielzucht en roverij. Dat kon zo niet langer, vond Oranje.

Hoelang heeft Willem van Oranje geaarzeld voor hij besloot zijn medestrijder Willem van der Marck, beter bekend als Lumey, uit te schakelen? Waarschijnlijk vele maanden. Lumey was de grote man achter de succesvolle inname van Den Briel op 1 april 1572. Een keerpunt in de strijd van de Nederlandse opstandelingen tegen het bewind van de landsheer Filips II.

Meer lezen over Willem van Oranje en de Opstand? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Oranje kon Lumey goed gebruiken, maar Lumey liet zich niet gebruiken. Oranje probeerde zo veel mogelijk partijen in een anti-Spaanse coalitie bij elkaar te brengen, terwijl Lumey niets anders deed dan katholieken, maar ook vele gematigde protestanten schrik aanjagen. De Nederlandse Opstand dreigde, net op het moment dat de eerste echte successen zich aandienden, zijn eigen kinderen te gaan opeten. Dit moest ophouden. Lumey moest weg.

Portret van Lumey.
Willem van der Marck, heer van Lumey, verbeeld door een onbekende maker.

Maar nadat Oranje tegen het einde van 1572 het besluit had genomen, moest het nog uitgevoerd worden. Hoe maak je een gevaarlijke man, die zich heeft omringd door een soepel opererende terreurmachine, definitief onschadelijk? Uit de weg ruimen leek de enige manier. Maar dat zou niet goed op Oranje afstralen. Er kwam een Nederlandse oplossing. Een onderzoek, een rapport, en een aanhouding. Toch duurde het daarna nog bijna zes jaar voor Oranje zich definitief van Lumey wist te ontdoen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Smeekschrift

Willem van Oranje (1533-1584) zal omstreeks 1565 de bijna tien jaar jongere Willem van der Marck hebben leren kennen. Oranje voerde in die dagen met een aantal bevriende edelen actie om in de Nederlanden de geloofsvervolgingen te laten ophouden. Dit mondde uit in een petitie die op 5 april 1566 werd aangeboden aan landvoogdes Margaretha van Parma, en die als het Smeekschrift der Edelen de geschiedenis in zou gaan. Ongeveer vierhonderd Nederlandse edelen hadden de petitie ondertekend; Oranje tekende niet, maar voerde op de achtergrond wel de regie over deze actie.

Bij de ondertekenaren was ook Lumey, terwijl hij formeel niet tot de Nederlandse adel behoorde, omdat hij afkomstig was uit het soevereine prinsbisdom Luik. Maar hij stond via nauwe bloedbanden in contact met belangrijke Nederlandse adellijke huizen als de Egmonts en Brederodes; zijn moeder stamde uit het Hollandse geslacht Wassenaar.

Zwijn van de Ardennen

Willem van der Marck, heer van Lumey, werd in oktober 1542 geboren in Lummen, tegenwoordig gelegen in Belgisch-Limburg, destijds in het soevereine prinsbisdom Luik. Hij was de achterkleinzoon van Willem van der Marck (ca. 1446-1485), die met name op Brabants grondgebied hevig oorlog had gevoerd tegen de Habsburgers, en bovendien de Habsburggezinde bisschop van Luik had laten ombrengen. Het leverde deze eerste Willem de bijnaam ‘het Zwijn van de Ardennen’ op. Landvoogd Maximiliaan van Oostenrijk kreeg hem te pakken en liet hem in 1485 in Maastricht onthoofden. De jonge Lumey wordt, om begrijpelijke redenen, nogal eens verward met zijn overgrootvader en voor ‘het Zwijn van de Ardennen’ aangezien.

Lumey onderhield intensieve banden met zijn neef Hendrik van Brederode, die zich in de aanloop naar het Smeekschrift tot de creatieve leider van de Nederlandse oppositie ontpopte. Brederode was ruim tien jaar ouder dan Lumey en zal wellicht enige tijd zijn opgetreden als mentor van de op zijn veertiende wees geworden Luikenaar. Brederode hield van een grap, van een stevige dronk en van vrouwen, en Lumey leek hetzelfde spoor te kiezen.

Toch hadden ze een heel verschillend temperament. Hendrik van Brederode was een verbinder: hij had de honderden edelen aangevoerd die in 1566 het Smeekschrift waren gaan aanbieden. Hij was ook degene die toen deze edelen door een raadsman van de landvoogdes werden uitgemaakt voor een stel bedelaars (in het Frans gueux), dit begrip ogenblikkelijk wist te munten als een eretitel voor iedereen die het aan de stok had met de regering in Brussel. Dus niet alleen de adel, maar ook burgers, met name de bedreigde protestanten en zelfs katholieken. De geuzen werden binnen enkele weken een volksbeweging, of zelfs een rage. Aanhangers droegen herkenningstekens als grauwe pijen en speciaal vervaardige geuzenpenningen. Door de straten klonken liedjes met de yell ‘“Vive le geus” is nu de leus’.

‘Vive le geus is nu de leus’

Lumey deed er volop aan mee, maar wat zijn neef kon – uiteenlopende groepen samen laten optrekken – kon hij niet. Zijn methode was eerder intimidatie en gewelddadigheid; in zijn jeugd in het bisdom Luik zou hij al mensen zonder enige vorm van proces om het leven hebben gebracht. Het verschil tussen de neven doet aan als het verschil tussen een vrolijke en een kwade dronk.

Adellijke warlords

Willem van Oranje kon goed overweg met Hendrik van Brederode, maar hield ook enige afstand. Oranje vervulde belangrijke taken in het regeringscentrum in Brussel, als lid van de Raad van State en als stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Uit hoofde van die functies was hij de aangewezen persoon om Hendrik van Brederode, die zijn thuisbasis had in Vianen, bij de les te houden. Wat maar matig lukte. Brederode werd een van de grote gangmakers van alle onrust in het verdere jaar 1566, een zomer waarin calvinisten even aan de vrijheid roken, zich als de meest radicalen onder de geuzen manifesteerden, waarna in augustus ook nog eens de Beeldenstorm opstak, die in een paar weken tijd zo goed als alle Nederlandse gewesten aandeed. Brederode en Lumey reisden rond en probeerden het vuur van verzet verder aan te blazen.

Willem van Oranje kreeg, net als de andere stadhouders, van landvoogdes Margaretha van Parma de taak om deze onlusten de kop in te drukken. Wat tegen het einde van 1566 wonderwel leek te lukken. Toch besloot Filips II vanuit Spanje dat er meer nodig was om de Nederlanden tot rust te brengen. Hij stuurde zijn gevreesde veldheer de hertog van Alva naar de Nederlanden, met de opdracht schoon schip te maken. Niet alleen de beeldenstormers, maar ook de edelen van het Compromis zagen dat ze gevaar liepen op het schavot gebracht te worden. De meesten vluchtten naar het omringend buitenland. Willem van Oranje besefte dat zijn regie van het Smeekschrift niet onopgemerkt was gebleven, en ook hij week in april 1567 uit naar het Duitse stamslot Dillenburg.

Kort daarna kwam Lumey bij Oranje in beeld. Oranje raakte enkele maanden na Alva’s komst in de Nederlanden niet alleen al zijn functies, maar ook al zijn Nederlandse bezittingen kwijt. Oranje besloot terug te vechten en bracht tegen de zomer van 1568 in het westen van het Duitse Rijk een grote legermacht op de been, aangevoerd door een heel stel adellijke warlords, van wie Lumey er een was. Hendrik van Brederode was er niet meer om de ambitieuze Luikenaar in het gareel te houden; hij was begin 1568 plotseling overleden.

Onthoofding van Egmont en Hoorne op de Grote Markt te Brussel, 5 juni 1568. Gravure uit 1616, maker onbekend.

Lumey en zijn entourage vielen op; ze droegen al enkele jaren vossenstaarten aan hun hoofddeksels, wat niet alleen een waarschuwing was dat ze wilden afrekenen met de ‘Spaanse’ stromannen van Filips II, maar ook een teken van hun compromisloze antipapisme. Lumey hield van dergelijk vertoon. Nadat in juni 1568 de graven van Egmont en Horne op bevel van Alva in Brussel waren geëxecuteerd, besloot Lumey zijn haar, baard en nagels te laten groeien, tot het moment dat hun dood gewroken zou zijn. Het leverde Lumey de bijnaam ‘Langnagel’ op.

Tijdens de rampzalige veldtocht van Oranje in het najaar van 1568, door Limburg, Luik, Brabant en verder Frankrijk in, ging Lumey voorop. Hij kon hier volop zijn intimidatietechnieken botvieren. In Tongeren, Sint-Truiden en een hele reeks Waalse plaatsen als Geldenaken, Flône, Awans en Ans werden kerken en kloosters beroofd en aan de vlammen prijsgegeven. Krijgsgevangenen liet Lumey afvoeren naar zijn eigen stamslot in Seraing-le-Chateau, iets ten westen van Luik. Daar gingen ze een slechte tijd tegemoet, als ze het al overleefden.

Lumey en de geuzen hadden weinig te verliezen

Het lukte de legermacht van Oranje niet om Alva tot een veldslag te bewegen. Gebrek aan geld en levensmiddelen brak Oranjes bij elkaar geraapte leger al snel op. Het viel grotendeels uit elkaar. Oranje droop in november met wat van zijn leger nog resteerde af naar Frankrijk. Er braken zware jaren aan waarin hij, door gebrek aan financiën en steun uit binnen- en buitenland, niet meer wist hoe het verder moest.

Het enige lichtpunt leek een club ongeregeld met de naam watergeuzen, die op de Noordzee en in de Nederlandse kustgebieden met zeeroverij, strooptochten en afpersing niet alleen het Spaansgezinde bewind, maar ook de bevolking hoofdpijn bezorgde. Vanuit het verre Dillenburg probeerde Willem van Oranje enige lijn in hun organisatie te brengen, maar dat verliep moeizaam.

De watergeuzen ontleenden de legitimiteit voor hun rooftochten aan de steeds groeiende antipathie voor Alva onder de Nederlandse bevolking. Alva riep een bijna algemene afkeer op, niet alleen door de genadeloze vervolging van iedereen die aan het oproer van 1566 had meegedaan, maar ook vanwege nieuwe belastingen, zoals de Tiende Penning, een omzetbelasting van 10 procent op roerende goederen. De watergeuzen deden tenminste iets terug – onder hen ook veel vroegere deelnemers aan het Eedverbond, die inmiddels hun bezit geconfisqueerd hadden zien worden. Ze hadden weinig meer te verliezen. In hun gelederen dook in de zomer van 1571 ook Lumey op.

Lumey neemt Den Briel in.
Inname van Den Briel door de watergeuzen op 1 april 1572. Schilderij door Johann Heinrich Keller, 1759.

Hij had kort daarvoor in Duitsland Willem van Oranje nog zijn diensten als legeraanvoerder aangeboden, maar die was nog lang niet toe aan een nieuwe veldtocht. Lumey reisde daarop via Hamburg naar Engeland om zich daar op de geuzenvloot te begeven. Met zijn bravoure eiste hij meteen de leiding op over deze vloot, hoewel hij daarvoor geen opdracht had van Oranje.

Lumey wist dat Oranje algemeen als de leider van de Nederlandse Opstand werd gezien, maar hij straalde uit dat hij niet van plan was om op diens daadkracht te wachten. Intussen begonnen de Engelse autoriteiten genoeg te krijgen van de watergeuzen. In maart 1572 werden Engelse havens en wateren voor hen tot verboden gebied verklaard. Het leidde tot de inname van Den Briel op 1 april. De watergeuzen namen het stadje in om het te plunderen. Maar Lumey en de zijnen zagen dat het goed te verdedigen was en besloten te blijven.

Toen de berichten over de inname van Den Briel doordrongen tot Oranje en zijn adviseurs, ontstond er enige paniek. Oranje was inmiddels ver met de voorbereidingen van een meervoudige aanval op de posities van Alva, met name in Brabant. De plotselinge bezetting van Den Briel leek elke planning in de war te sturen.

In de praktijk viel het wel mee. Den Briel werd de opmaat voor veel andere steden in Holland, Zeeland, Gelderland en Friesland om in opstand te komen, of om zich door groepjes geuzen te laten ‘bevrijden’. Het bleek het begin van een ommekeer in Oranjes strijd tegen het bewind van Filips II. Oranje mocht Lumey dankbaar zijn. Maar zo werkte het niet helemaal.

Definitieve breuk met Lumey

Lumey opereerde na Den Briel weer te land, en trad enorm hardhandig op tegen priesters en monniken. Kerkelijk bezit werd vernield, of in handen gegeven van calvinisten. Oranje besefte dat dit hem de steun kon kosten van gematigde katholieken, die voor een groot deel Alva ook graag zagen verdwijnen. Hij kon er van een afstand weinig tegen uitrichten. Pas toen Oranje zelf in Holland opdook, eind oktober 1572, ontstond er weer direct contact tussen de twee mannen. Ze ontmoetten elkaar in Haarlem op 3 november. Terwijl ze met elkaar overlegden, plunderden soldaten van Lumey elders in Haarlem het dominicanerklooster. Oranje liet er zodra hij erover hoorde meteen een einde aan maken.

Terwijl ze overlegden, plunderden soldaten van Lumey een klooster

Maar de toon was gezet. Lumey en Oranje zaten beiden in een heel ander verhaal. Oranje probeerde het eerste succes behoedzaam uit te bouwen, terwijl Lumey zijn eigen orgie van papenhaat, vernielzucht en roverij beleefde. Oranje had in de voorgaande periode van alles gedaan om Lumey in zijn strategie in te passen, onder andere door hem tijdens de beroemde ‘Eerste Statenvergadering’ in juli 1572 in Dordrecht te laten benoemen tot zijn plaatsvervangend bevelhebber in Zuid-Holland. Lumey werd geacht in de geest van Oranje te handelen. Maar daar bleek weinig van.

Kort na hun ontmoeting in Haarlem liep het definitief scheef tussen de twee mannen. Ze reisden nog samen door naar Leiden, en nog weer later naar Delft, maar het lukte Oranje niet om met Lumey een tactisch plan te ontwikkelen waarmee de vanuit het oosten oprukkende Spaanse troepen konden worden gestopt. Begin december stonden die al onder de stadsmuren van Haarlem. Lumey kreeg de taak Haarlem te ontzetten, maar faalde op 12 december hopeloos.

Martelaren van Gorcum

Bijna drie maanden na de inname van Den Briel, in 1572, werden in Gorkum negentien geestelijken gevangengenomen en naar Lumeys hoofdkwartier in Den Briel afgevoerd. Na een kort showproces veroordeelde Lumey hen tot de strop. Op 9 juli werd het vonnis in een turfschuur voltrokken, tegen het uitdrukkelijk bevel van Oranje in. Een brute daad die in brede kring afschuw opriep, en in de eeuwen erna in katholieke kringen steeds weer werd aangehaald als voorbeeld van protestantse wreedheid en hypocrisie. De ‘martelaren van Gorcum’ werden in 1675 zalig en in 1867 door Pius IX zelfs heilig verklaard.

Dit was de week van de definitieve breuk tussen Oranje en Lumey. De aanleiding was niet de zeperd bij Haarlem, maar de brute moord op de prior van het Sint-Agathaklooster, Cornelis Musius. Oranje was goed bevriend met Musius, en was op dat ogenblik ook diens gast in het klooster. Lumey meende dat Musius als paap een toontje lager moest zingen, maar hij wist ook dat Oranje de pater beschermde. Musius besloot zelf uit Delft te vertrekken, maar Lumey liet hem een dag later opsporen en naar Leiden afvoeren, waar de weerloze man na een haastig schijnproces en hevige martelingen ter dood werd gebracht.

Op dat moment was er al een onderzoek gaande naar de wandaden van Lumey en zijn troepen, door de secretaris van de Staten van Holland, Dirck Volckertsz Coornhert, een vertrouweling van Oranje. Maar Oranje wachtte dat niet meer af. Op 5 januari 1573 werd Lumey gevangengenomen. Oranje probeerde alles zonder veel gerucht te laten voltrekken – Lumey had zo zijn eigen aanhang van felle antipapisten, en die mocht niet in beweging komen. De opzet lukte redelijk. Na ruim een jaar gevangenschap, in mei 1574, liet Oranje zijn rivaal vrij, onder de belofte dat hij zich nooit meer in Holland zou vertonen.

Lumey deserteerde en liep over naar het Spaanse kamp

De jaren erna hield Lumey zich gedeisd; toch stak hij nog de kop op in 1578, toen hij weer even leek mee te strijden aan de zijde van de opstandelingen, aan de vooravond van de Slag bij Gembloux. Lumey was in de tussentijd katholiek geworden, en droeg zijn afkeer van Oranje luidkeels uit. De dag voor de slag deserteerde hij uit de Staatse gelederen en liep enige tijd later over naar het Spaanse kamp. Voor Oranje geen verrassing.

Nog weer een paar maanden later overleed Lumey plotseling, mogelijk als gevolg van vergiftiging. Wie was de opdrachtgever? Lumey had inmiddels veel vijanden. De dader is nooit aangewezen. Toen het nieuws bekend werd klonk alom een zucht van opluchting. Dat is niet vastgesteld, maar dat kan zonder meer worden aangenomen.

Meer weten

  • De zwijger. Het leven van Willem van Oranje (2021) door René van Stipriaan is een dubbelbekroonde biografie.
  • Lumey, de vossestaart (1996) door Ton Oosterhuis, over de betekenis van deze admiraal van de geuzen.
  • 1572: Burgeroorlog in de Nederlanden (2022) door Raymond Fagel en Judith Pollmann, over een jaar uit de Opstand.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 4 - 2023