• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    woensdag 16 december 2020

    ‘We mogen de grootse prestaties uit de Gouden Eeuw niet uit het oog verliezen’

    25 jaar na zijn boek 'De Republiek' maakt Jonathan Israel de balans op

    Door: Teun Willemse

    In 1995 publiceerde Jonathan Israel De Republiek. 1477-1806. Het werd bejubeld als een nieuw standaardwerk over de Nederlandse vormingsgeschiedenis. Een kwart eeuw later is de Britse historicus nog altijd gefascineerd door de Gouden Eeuw. ‘Hedendaagse debatten over tolerantie raken de kern van de Nederlandse identiteit. Het is jullie erfenis.’

    Via een videoverbinding krijgt Israel de jubileumeditie van De Republiek, waarin veel zwart-wit beelden zijn vervangen door kleurrijke afbeeldingen, voor het eerst onder ogen. Het liefst zou hij ooit nog een volledig herziene druk schrijven, vertelt hij. Israel is namelijk nog steeds verknocht aan Nederland, de plek waar hij tot 2001 onderzoek deed. Bijna 50 jaar geleden raakte hij geïnteresseerd in de geschiedenis van de Republiek. Die interesse is nooit meer verdwenen.

    De Republiek telt bijna veertienhonderd pagina’s. Wat is het voordeel van een overzichtswerk als dit?
    ‘Historici zijn zich steeds meer gaan specialiseren. Daar is niets mis mee, want nieuwe kennis en details zijn altijd welkom. Maar hoe meer we naar de bomen kijken in plaats van het bos, hoe groter het risico wordt dat we zicht verliezen op het grote plaatje. Een boek als dit spoort je aan om over dat grote plaatje na te denken. Zelfs als je het niet met alle argumenten in het boek eens bent, geeft het je toch meer inzicht in de Gouden Eeuw.’

    Jonathan Israel. Foto door Cliff Moore.

    Waarom besloot u destijds een boek over Nederland te schrijven?
    ‘Als hispanist schreef ik mijn eerste werk over Mexico en het Spaanse Rijk. Uiteindelijk kwam ik om twee redenen bij Nederland terecht. Ten eerste had ik geen onderzoeksbudget om opnieuw naar Latijns-Amerika af te reizen; dat zou je de negatieve reden kunnen noemen.

    Mijn positieve drijfveer was dat ik in 1974 naar Londen verhuisde en daar Koen Swart leerde kennen, die de chair in Dutch History had. Hij vertelde me dat Nederlandse historici in hun onderzoek naar de Tachtigjarige Oorlog nauwelijks gebruik maakten van Spaanse archieven. “Met al het werk dat jij in die archieven hebt gestoken, zou jij dat moeten doen.” In die archieven vond ik inderdaad ontzettend veel bronnen over de Tachtigjarige Oorlog en de Nederlandse Gouden Eeuw. Zo raakte ik steeds meer geïnteresseerd in de Republiek.’

    Welke nieuwe informatie haalde u uit die Spaanse bronnen?
    ‘Om alle ins en outs van de Nederlandse Gouden Eeuw te begrijpen bleken Spaanse bronnen van groot belang. Ik maakte gebruik van documenten van Spaanse diplomaten, generaals en admiraals om te onderzoeken wat er in Holland gebeurde.

    Zo raakte ik ervan overtuigd dat de Spaanse kroon na het Twaalfjarig Bestand niet meer geloofde dat het de Nederlandse onafhankelijkheid tegen kon houden. De Spanjaarden maakten zich vooral zorgen over de verbazingwekkend snelle expansie van het Nederlandse handelssysteem. De manier waarop Nederlanders de Caraïben, Brazilië en Oost-Indië binnenstormden, boezemde de Spanjaarden angst in.

    De Spaanse kroon geloofde na het Twaalfjarig Bestand niet meer dat het de Nederlandse onafhankelijkheid tegen kon houden

    Na de Tachtigjarige Oorlog, in de Gouden Eeuw, waren er vrijwel altijd Spaanse ambassadeurs actief in Den Haag. Ook hun documenten bieden veel inzicht in de Spaanse houding tegenover de Republiek. Er mocht dan vrede zijn tussen de twee landen, de Spaanse zorgen verdwenen niet. Het land keek vol afschuw naar de manier waarop de Republiek zich onder imperiale regels en voorschriften uitworstelde.’

    Toch schrijft u dat Spanje en de Republiek uiteindelijk samen gingen werken.
    ‘De Spanjaarden hielden lang vast aan hun waakzame houding. Maar naarmate Spanje zwakker werd en Frankrijk steeds sterker, zagen ze in dat ze gebaat waren bij een solide militaire alliantie met de Republiek. Daarmee hoopten ze hun grondgebied in het huidige België te behouden.

    Nederlanders zijn zich zelden bewust van de hulp die Spanje aan de Republiek bood om van het Rampjaar 1672 te herstellen. Op school leren zij over Willem III en het herstel van het Nederlandse leger, maar ook de Spaanse steun was van levensbelang. Zonder die hulp was het de Republiek niet gelukt om de Fransen te verslaan.’

    U gelooft dat Engeland en Frankrijk de Republiek niet op alle vlakken voorbijstreefden in de achttiende eeuw.
    ‘De Franse verlichtingsdenker Denis Diderot dacht daar hetzelfde over. Volgens hem had Engeland de Republiek ingehaald als economische macht, maar was er één facet waarin het de Republiek nooit zou overschaduwen: bijna alle burgers hadden er een fatsoenlijke levensstandaard. Voor een Fransman was het een openbaring dat er een maatschappij bestond waarin zelfs minder bedeelde burgers meer eten en kleding hadden dan de gemiddelde Europeaan.’

    Denis Diderot verwonderde zich over de levensstandaard in de Republiek.

    Vergaapten andere landen zich aan die prestatie?
    ‘Ja, maar het maakte de Republiek niet bijzonder populair. Andere landen waren jaloers op het Nederlandse handelssucces. Bovendien was Europa in de vroegmoderne tijd een uiterst theologische maatschappij. Zowel katholieken als protestanten uit het buitenland waren extreem kritisch over de Nederlandse tolerantie van kleine religies. Men kon nog wel verkroppen dat grote christelijke stromingen in de Republiek naast elkaar bestonden, maar heel Europa verafschuwde het feit dat ook joden, mennonieten, collegianten, remonstranten en zelfs quakers werden gedoogd.’

    Is Nederland na al die tijd nog steeds een baken van tolerantie?
    ‘Het is nog steeds een van de belangrijkste kenmerken van jullie maatschappij. Ik denk dat discussies over tolerantie daarom de kern van de Nederlandse identiteit raken. Of politici nu meer of minder tolerantie propageren, het blijft een essentieel deel van jullie erfenis. Nederland heeft veel goeds bijgedragen aan de moderne westerse wereld, maar tolerantie is daarvan het belangrijkste.’

    Of politici nu meer of minder tolerantie propageren, het blijft een essentieel deel van de Nederlandse erfenis.

    Israel raakte gefascineerd door de Gouden Eeuw zoals anderen gefascineerd raken door de Italiaanse Renaissance. Hij vergeleek de Republiek wel eens met het oude Athene en het Florence van de zestiende eeuw. Hij is er dan ook van overtuigd dat de Gouden Eeuw een cultureel hoogtepunt vormt in de geschiedenis, zowel op het gebied van kunst als politiek. In Nederland is er tegenwoordig juist veel aandacht voor de schaduwzijde van de Gouden Eeuw.

    Hoe denkt u over de manier waarop academici tegenwoordig over de Gouden Eeuw schrijven?
    ‘Ik ben geen voorstander van te veel focus op de negatieve kanten van de Gouden Eeuw. Het is natuurlijk goed dat onderwerpen als slavenhandel en kolonialisme meer aandacht krijgen dan vroeger, maar ik denk dat we de grootse prestaties en het speciale karakter van de Gouden Eeuw niet uit het oog mogen verliezen.

    Het was geen Gouden Eeuw in de zin dat die tijd perfect was. Maar als je het vergelijkt met andere eeuwen uit de Nederlandse geschiedenis, was het een periode van fantastische successen. Historici hebben de belangrijke taak om een gebalanceerd beeld te schetsen van die periode. De geschiedenis is immers zelden zwart of wit, het is één van vele tinten grijs.’

    Wat vindt u van de maatschappelijke discussie over standbeelden van personages uit die tijd?
    ‘De Europese maatschappij was extreem bevooroordeeld naar niet-christenen, maar dat betekent niet dat we beelden omver moeten trekken. Neem David Hume: een moderne verlichtingsdenker en groot filosoof. Hij had vooroordelen over zwarte mensen, maar ik denk niet dat we daarom zijn beelden in Schotland moeten verwijderen. Dat zou een belediging zijn voor zijn historische erfenis. We moeten onze geschiedenis zowel onderzoeken als respecteren. We overschrijden een grens als we een beeld neerhalen omdat een historisch figuur niet voldoet aan onze standaarden.’

    Beeld van David Hume in Edinburgh.

    U schrijft dat de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden ‘gescheiden samenwerkten’. Bestond er in het noorden en zuiden al een vorm van ‘nationaal gevoel’ vóór de Opstand?
    ‘Dat is een aspect van mijn boek waar veel historici over vallen. Lang niet iedereen onderschrijft mijn ideeën dat de eenheid onder de provincies minder sterk was dan vaak wordt gedacht en dat er vóór de Opstand al aanwijzingen waren dat de Nederlanden zouden opsplitsen.

    Ik vind het simplistisch om te denken dat Nederland een eenheid vormde die door de Opstand kunstmatig en plotseling in tweeën brak. Maar het is net zo simplistisch om te denken dat Nederland en België in zekere zin altijd al bestonden. De waarheid ligt ergens in het midden.’

    Terug naar het boek. U stelt daarin dat er tot de achttiende eeuw geen duidelijke grens was tussen de Republiek en naburige Duitse staten. Wat was het belang van die Duitse staten?
    ‘De geschiedschrijving over de Republiek richt zich meestal alleen op het Nederlandse grondgebied. Dat is onterecht, want er was sprake van een gefragmenteerde en gecompliceerde verhouding met de naburige Duitse staten. Zowel op economisch als cultureel gebied werkten ze vaak samen. Zo waren er veel Duitse studenten die naar Nederlandse universiteiten trokken. Bovendien voelden veel dorpen, universiteiten en kerkeraden in calvinistische en gereformeerde Duitse staten als Kleve en Bremen zich meer verbonden met de Republiek dan met Duitsland.’

    Welk historisch figuur uit de Republiek intrigeert u het meest?
    ‘Ik doe veel onderzoek naar Spinoza’s leven en werk, maar ben ook enthousiast over staatsmannen als Johan de Witt en Johan van Oldenbarnevelt. Zij overwonnen maatschappelijke problemen en creërden een nationale benadering en ideniteit. Dat is een indrukwekkende verdienste.’

    Bent u klaar met het schrijven over Nederland?
    ‘Absoluut niet. Ik ben klaar met mijn project over de Verlichting en wil me nu weer bezighouden met de Nederlandse Gouden Eeuw. Ik ben nog net zo enthousiast over en gek op Nederland als altijd. Ik ben dan wel Anglo-Amerikaans, maar ik voel me geestelijk vooral verbonden met Nederland.’

    Teun Willemse is redacteur van Historisch Nieuwsblad

    De Republiek: 1477-1806
    Jonathan Israel, Uitgeverij Van Wijnen 1368p. € 49,50
    Bestel in onze webshop.