• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 6/2016

    Heersers van de zee

    Vikingen verdienen een beter imago

    Door: Afke van der Toolen

    Ze waren barbaars, seksueel onverzadigbaar en plunderden aan de lopende band. Zo schilderden hun vijanden de Vikingen af. In werkelijkheid waren ze niet woester dan andere Europese volkeren. Wel waren ze veel betere scheepsbouwers.

    Het Deense Aalborg was in de Middeleeuwen een belangrijke haven, en nog steeds heeft de stad een indrukwekkende vloot. Alleen ligt die niet in het water, maar op het land: het is een vloot van steen. Op een zacht glooiende heuvelrug direct aan de kust liggen zo’n tweehonderd stenen schepen verankerd, bewegingloos en inert. Elk niet meer dan een ruwe omtrek, een ovaal gevormd uit een stuk of twintig zwerfkeien – en toch direct herkenbaar als schip. Twee grotere en hogere stenen markeren de achtersteven en de boeg.

    Oude Scandinaviërs

    Heel Scandinavië kent dit soort stenen schepen. Alles bij elkaar zijn het er op z’n minst tweeduizend, maar waarschijnlijk veel meer. Ze zijn bedoeld als grafmonument. De oude Scandinaviërs geloofden dat ze na hun dood varend naar het hiernamaals moesten oversteken, en die stenen schepen symboliseerden dat.

    De scheepsvormige schikking van zwerfkeien was een gewoonte die al in de prehistorie begon, en doorging tot in de Vikingtijd – die van de achtste tot de elfde eeuw duurde. Ongetwijfeld kreeg toen de symboliek ervan extra glans: de stenen schepen thuis weerspiegelden de houten schepen die, bemand met stoere lui, de zeeën doorkliefden en beladen met rijkdommen terugkeerden.

    Vergulde bizonkop

    Want zonder schip was een Viking niks. Een ruiter zonder paard, een timmerman zonder hamer. Niemand die op zee aan ze tippen kon. In de achtste eeuw, toen de rest van varend Europa bij wijze van spreken hooguit een beetje rondpeddelde, bouwden de Scandinaviërs al hun supersnelle ‘langschepen’. Die waren niet alleen zeewaardig, maar zelfs oceaanwaardig. En dankzij de geringe diepgang voeren ze net zo makkelijk ver stroomopwaarts een rivier op.

    Het zit al in het woord viking besloten, dat ‘op een verre zeereis gaan’ betekent.

    Het zit al in het woord viking besloten, dat ‘op een verre zeereis gaan’ betekent. De Vikingen waren dan ook geen volk, maar dat deel van de Scandinaviërs dat aanmonsterde en eropuit trok, oftewel ‘op viking’ ging. Met welk doel dan ook: handeldrijven, nieuwe landen ontdekken – of plunderen en brandschatten. Het schip, van oudsher zo’n belangrijk cultureel symbool voor de Scandinaviërs, werd zo ook het geheim van hun succes.

    ‘Door de witte golven klieft de Bizon, de zeilen bollen op, de dwarsmasten kraken, de hoogste mast is al nauwelijks meer te zien.’ Zo beschreef de skald – hofdichter – Thjodolf hoe het schip van koning Magnus met een omvangrijke vloot in zijn kielzog op viking ging.

    De Bizon was een groot schip, dat er magnifiek moet hebben uitgezien, met een vergulde bizonkop als boegbeeld en dito staart achterop. Thjodolfs collega Arnor was er ook van onder de indruk: ‘Het witte schuim, slaand over het dek, bracht de gouden kop vaak aan het schudden, en met de helmstok laag liet het fel schitterende metaal van de achtersteven zich telkens zien.’

    Slimme technieken

    In 1960 werden in de buurt van het Deense Roskilde vijf afgezonken schepen gevonden, waaronder de zogeheten Skuldelev 2, die 32 meter van kop tot staart mat en een maximale breedte had van 4 meter. Dit langschip bood plaats aan een zeventig- tot tachtigkoppige bemanning en kon een snelheid halen van wel 20 knopen, zo’n 36 kilometer per uur.

    Scandinavië had in die tijd buitengewoon goede scheepsbouwers. Met simpele middelen, maar slimme technieken timmerden die eigenhandig een gouden tijdperk bij elkaar. Ze vervaardigden bijvoorbeeld hun planken niet zagend, maar kloofden de stammen overlangs met behulp van een wig. Daardoor volgden de planken de nerf van het hout, wat ze extra sterk maakte en ook makkelijker te buigen. En voor de constructie maakten de scheepsbouwers handig gebruik van boom-eigen aftakkingen, die veel betrouwbaarder waren dan mensgemaakte houtverbindingen. Daarom zocht de scheepsbouwer in eigen persoon de geschiktste bomen uit.

    Superieur: De Vikingschepen waren zelfs oceaanwaardig

    Voor de Skuldelev 2 was om en nabij 150 kubieke meter eikenhout nodig. Het moet zo’n 27.000 manuren hebben gevergd om daar een schip van te timmeren; dat is zeven maanden werk voor tien medewerkers. Daar kwamen nog eens 13.000 manuren bij voor het smeden van de spijkers, het koken van de teer en het weven van het dwarszeil.

    Nu was de Skuldelev 2 ook wel heel fors; de Skuldelev 5 bijvoorbeeld was ‘maar’ 17,5 meter lang. Maar ook zo’n schip zal heel wat hebben gekost aan manuren en materiaal. Kortom, als je een Vikingschip wilde laten bouwen moest je een flinke zak geld meebrengen. Zelfs als je slechts mede-eigenaar was.

    ‘Niet verwijfd’

    ‘Noorwegen is vanwege zijn ruige gebergten en onmetelijke kou het onvruchtbaarste van alle landen,’ meldt de elfde-eeuwse kroniekschrijver Adam von Bremen. Het is om die reden, concludeert hij, dat er zoveel dappere krijgers vandaan komen, ‘niet verwijfd door een overmaat aan fruit’. De karigheid heeft echte mannen van ze gemaakt – vandaar dat zij de anderen aanvallen, in plaats van andersom.

    ‘Bij gebrek aan bezit trekken ze de hele wereld rond, brengen ze van hun roofvaarten over zee de rijkste goederen van alle landen naar huis, en bestrijden zo de armoede van hun land.’ Elders noemt Von Bremen ook nog overbevolking als motief, mede veroorzaakt door onstilbare seksuele lust en veelwijverij.

    Het meest overheersende beeld: De Vikingen waren ruwe kerels die door honger en armoede werden gedreven

    Ziehier het beeld dat bij de meesten overheerste. De Vikingen waren ruwe kerels die door honger en armoede werden gedreven. Er was geen andere conclusie mogelijk: ze konden niet anders, hun gedrag werd door hun barre omstandigheden gedicteerd.

    De hamvraag werd daarbij over het hoofd gezien: hoe konden zulke arme, hongerige mensen van die geweldige Vikingschepen financieren? Die ook vaak nog eens van de nodige opsmuk waren voorzien? Want van een hoofdman werd verwacht dat hij een puik schip onder de zeilen had. En bovendien bestond onderling de nodige rivaliteit: wie heeft het langste? En het mooiste? In de scheepsbouwerij ging een hele hoop geld om, niet alleen aan nut maar ook aan luxe.

    Echte familiemensen

    Noorwegen wás dan ook helemaal niet dor en arm. Aan het begin van de Vikingtijd waren er nog grote landreserves die prima ontgonnen zouden kunnen worden. Zelfs toen aan het eind van de Vikingtijd – zo’n drie eeuwen later – de bevolking van 100.000 naar 200.000 was verdubbeld, moet er plek en voedsel genoeg zijn geweest. Veeteelt, visserij en jacht: men kon er goed van leven, en daar kwam nog eens een levendige buitenlandse handel bij. En in Denemarken en Zweden was het niet anders. Er was dus iets anders aan de hand.

    Liever geen meisjes: 15 tot 50 procent van de baby’s werd na de geboorte gedood

    De Scandinaviërs van de Vikingtijd hadden zo hun eigen gewoontes en gebruiken, maar veel minder beschaafd dan andere volken in die tijd waren ze niet. Ze hielden vee, molken koeien, raapten eieren, en weefden kleurrijke stoffen. Ze deden wonderen met hout, legden handige infrastructuur aan in de vorm van kanalen, wegen en bruggen, en hun vestingwerken waren mathematisch strak gestructureerd. En dan toonden ze zich ook nog eens echte familiemensen, die zich heel gastvrij gedroegen.

    Je zou zeggen: geen enkele reden om de zee op te gaan, onbekende gevaren tegemoet. En toch gingen ze. Waarom?

    Vooral omdat het kon. De wereld lag voor hen open. Ze hadden scheepsbouwtechnologie die nergens in West-Europa werd geëvenaard. Ze beheersten het ruime sop – sterker nog: het ruime sop was voor hen zowat een verlengstuk van het land. Het was hun territorium. Ze waren er thuis.

    Te veel mannen

    Toch lag er ook een probleem ten grondslag aan al die reislustigheid. Er waren namelijk te veel mannen. Of preciezer: te veel jonge mannen. Kerels aan het begin van hun leven die het zonder bezit en zonder vrouw moesten doen.

    Zonder bezit, omdat de erfopvolging zo was geregeld dat het onroerend goed in z’n geheel naar de oudste zoon ging. Andere zonen bleven achter zonder grond en zonder vast levensonderhoud. En zonder vrouw, niet alleen omdat ze niets hadden, maar ook omdat veel meisjesbaby’s meteen na hun geboorte werden gedood. Op basis van grafvondsten is berekend dat tussen de 15 en 50 procent van de borelingen geen tijd van leven kreeg. Dat was het lot dat onnutte eters wachtte, en meisjes waren dat in de ogen van toen al snel.

    Veel meisjesbaby’s werden meteen na hun geboorte gedood.

    Ja, het was een echte mannenmaatschappij, daar in Scandinavië. En dat is ook te zien aan de waarden die hoog werden geschat, met bovenaan: moed. En wie toonde meer moed dan een man die de gevaren van de zee koos en op viking ging?

    Europa was weerloos

    In het jaar 810 kreeg keizer Karel de Grote slecht nieuws. Helemaal in het noorden van zijn rijk, aan de Friese kust, was een vloot van tweehonderd Vikingschepen geland. De bemanning vocht stevig met de plaatselijke bevolking, en plunderde hun streek. Daarbovenop dwongen de Vikingen de Friezen om voor grote bedragen hun eigen veiligheid te kopen.

    De keizer was razend. Hij was al in de zestig, maar hij ging er persoonlijk met een leger op af. Hij nam zelfs de olifant mee die hij negen jaar eerder van de oosterse kalief Harun al-Rashid had gekregen. Abul-Abbas, zoals het dier heette, had bij zijn aflevering heel Aken in rep en roer gebracht en moest nu het rapalje uit het noorden gaan intimideren.

    De West-Europese kusten lagen er totaal onbeschermd bij

    Helaas voor keizer Karel legde Abul-Abbas ter hoogte van het huidige Wesel het loodje, zonder één enkele Viking schrik te hebben aangejaagd. Het zou uiteindelijk weinig hebben uitgemaakt. Tegen de tijd dat de keizerlijke troepen de afstand naar Friesland hadden afgelegd, waren de Vikingen allang weer weggevaren.

    Zo ging het nou elke keer. De West-Europese kusten lagen er totaal onbeschermd bij: er waren geen militairen gelegerd, er lag geen verdedigingsvloot voor anker. De Vikingen deden er hun voordeel mee. Met hun snelle, ondiep gekielde schepen was het een kwestie van landen, toeslaan, en wegwezen voordat er een tegenmacht op de been was. West-Europa lag weerloos als een zelfbedieningswinkel voor ze open.

    Slechte naam

    Dit soort gewelddadige overvallen bezorgde de Vikingen hun slechte naam. ‘Ruwe en volkomen goddeloze lui,’ noemde een Ierse kerkbeambte ze bijvoorbeeld. ‘Nog nooit heeft Brittannië zo’n gruwel meegemaakt,’ schreef Alcuin, de secretaris van Karel de Grote.

    Poging tot bluf: Karel de Grote nam een olifant mee in de strijd tegen de vikingen

    Maar de waarheid is dat de Vikingen destijds helemaal niet zo uitblonken in geweld. Neem Karel de Grote zelf, die hield nog wel wat steviger huis. Maar wie aan de slachtofferkant zit heeft nu eenmaal geen zin in dat soort nuances.

    Nog een andere nuance, en niet de minste: de meeste Vikingen hielden zich sowieso niet onledig met gewelddadige acties. De schatting is dat slechts 5 procent van de Scandinaviërs die op viking ging zich zo misdroeg. De overigen gingen om heel andere redenen scheep. Die zochten een hoopvoller toekomst, oftewel het lapje grond dat ze thuis niet hadden. Of ze gingen avonturieren, op ontdekkingsreis. Of ze deden aan import en export – en dat deden er veel.

    Die handelaars reikten tot Noord-Afrika, de Balkan en Azië. De tiende-eeuwse Arabische reiziger Ahmad ibn Fadlan kwam ze tegen in Bulghar, aan de Wolga, en tekende dat op. De Vikingen hadden daar hun eigen religieuze monument, en zodra een handelaar zijn schip had afgemeerd knielde hij daarvoor neer, onderwijl gedetailleerd zijn koopwaren opsommend. Aan het eind van die lijst gekomen, smeekte hij de goden om een koper met grote hoeveelheden dinars en dirhams, ‘die zonder over de prijs te onderhandelen alles zal kopen wat ik heb’.

    Kennis

    De Vikinghandelaars namen niet alleen geld en goederen mee terug. Ze brachten ook veel kennis mee. Over andere landen en hun gebruiken, en de beste vaarroutes, en ook over plaatsen waar rijkdom te vinden was – steden, kloosters en kerken. Kennis waar hun minder vreedzame streekgenoten hun voordeel mee deden, maar die ook zo zijn invloed uitoefende op het thuisland, en het gaandeweg veranderde.

    Bij Uppsala in Zweden is een begraafplaats gevonden die opnieuw laat zien wat voor generatie op generatie Vikingen centraal stond, maar in dit geval niet met behulp van stenen.

    Vijftien doden liggen er begraven in hun eigen langschip. In hun grote trots, waar ze eerst de scheepsbouwer een hoop geld voor hebben betaald, waarmee ze vervolgens nog heel veel meer geld hebben binnengehaald, en waarin ze uiteindelijk naar het hiernamaals zijn gevaren. Onder de grond de houten schepen, boven de grond schepen van steen – ze vertellen allemaal dezelfde boodschap: zonder schip zijn wij Vikingen niets.

    Afke van der Toolen is journalist.

     

    Meer weten

     

    De Vikingen achterna. Wat de runen ons vertellen (2009)
    van Johan Nowé laat de Vikingen zelf aan het woord.

    The Age of the Vikings (2014)
    van Anders Winroth toont dat de Vikingen niet barbaarser waren dan de rest van Europa.

    Een prachtige animatie van de constructie van een Vikingschip kun je hier bekijken.