• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 6/2018

    Een Europese droom

    Visioenen van een verheven cultuur

    Door: Guido van Hengel

    Waar moet het naartoe met Europa? Sinds de Brexit geven de voor- en tegenstanders van integratie radicaal andere antwoorden. In het Interbellum droomden niet zozeer links-liberalen, maar rechts-conservatieven van een verenigd, verheven continent.

    Europese integratie begon in de jaren vijftig met de Gemeenschap van Kolen en Staal; daarna verschoof de aandacht naar de interne vrije markt, en tegenwoordig associëren we de EU met monetaire crises en de ‘Brussel-bubbel’. Het meest aansprekende verhaal over Europa is nog steeds dat van ‘nooit meer oorlog’. Dankzij Europese samenwerking is er al ruim zeventig jaar geen oorlog uitgebroken tussen Frankrijk en Duitsland. Een reden voor het Nobelprijscomité om de EU in 2010 de Vredesprijs toe te kennen. Toch worden Europese instituties aangevallen door politici en opiniemakers die weinig waarde hechten aan dit verhaal. Zij willen de ‘Europese beschaving’ redden uit de handen van de EU-technocraten.

    Deze tegenstelling tussen de pragmatische, technocratische EU enerzijds en cultureel-bombastische ideologen tovert een oude geest uit de fles, en wel die van de Europese geest van het Interbellum. Wie de identiteitscrisis van de laatste jaren wil begrijpen, moet rondtasten in de duisternis van de jaren twintig en dertig.
     

    Tekst loopt door onder de afbeelding.

    In 1934 publiceert Coudenhove-Kalergi het boek Europa ontwaakt!

    Direct na het Vredesverdrag van Versailles (1919) heersten er in Europa vooral rancune en haat. De Weimar-republiek ging gebukt onder onmogelijke herstelbetalingen die waren opgelegd door de geallieerden. Revolutie dreigde. In 1919 stichtten revolutionairen een Sovjetrepubliek in Beieren, die hardhandig werd beëindigd door ultranationalistische milities, die nota bene werden gedoogd door de Duitse sociaal-democraten. In Oost-Europa en in Italië kwamen dictatoriale of pseudodictatoriale regeringen aan de macht. In 1923 bezetten een Belgische en Franse legermacht het Rijnland. Kortom, een tweede oorlog leek aanstaande. Denkers spraken in deze jaren daarom over ‘Europa’ in apocalyptische termen van teloorgang en neergang. De toen populaire Duitse cultuurfilosoof Oswald Spengler had met zijn tweedelige Ondergang van het Avondland een plausibel scenario geschetst voor veel Europeanen die in en na de Eerste Wereldoorlog hun richtingsgevoel waren kwijtgeraakt. Wie zou Europa redden?

    Dit crisisgevoel kreeg in de jaren twintig concurrentie van een wonderlijk soort optimisme. In 1923 – het jaar dat geallieerde troepen het Rijnland bezetten – ontwierp de Oostenrijkse Richard Coudenhove-Kalergi een plan voor de verenigde staten van Europa. Zijn programma inspireerde tot de oprichting van een pan-Europa-beweging die streefde naar een Europese federatie, naar voorbeeld van de Verenigde Staten.
     

    Tekst loopt door onder de afbeelding.

    Een Engelsman kijkt toe hoe nazi’s het idee van een verenigd Europa aan stukken hebben geslagen. Spotprent uit het Duitse propagandablad Signal, 1940.

    Vanuit hedendaags perspectief kan Coudenhove-Kalergi niet worden vergeleken met de links-liberale progressieve Eurofielen van nu. Hij droomde van een utopisch Europa waar culturen samenleefden op een geestelijk-elitaire wijze. Die levensstijl zou mogelijk zijn dankzij ‘exploitatie’ van Afrika. In veel opzichten leek zijn droom van een verenigd Europa op een soort katholiek paradijs dat gelijkenissen vertoonde met het multinationale Oostenrijks-Hongaarse Rijk, dat in de Eerste Wereldoorlog verloren was gegaan.
     

    De pan-Europa-beweging wil een Verenigde staten van Europa

    Ondanks de utopische strekking van het plan raakte het toch een gevoelige snaar bij velen, misschien wel juist vanwege het nostalgische karakter. Coudenhove-Kalergi was bovendien een charmeur die eenvoudig doordrong tot kringen van diplomaten, intellectuelen en regeringsleiders. Grote industriëlen financierden pan-Europa, zoals Julius Meinl, de Tsjechische schoenengigant Tomas Bata, Carl Siemens en de familie Philips.


     

    Inspirerend

    Deze verbinding met de industrie was niet verwonderlijk. Juist de desastreuze economische omstandigheden van het Interbellum inspireerden de captains of industry tot actie. Hoe konden Europese bedrijven concurreren met de Amerikaanse? Mensen als Siemens en ook de Nederlandse premier Hendrikus Colijn, die voor de Koninklijke Shell had gewerkt, geloofden dat de import en export alleen konden floreren in een douane-unie, in een gemeenschappelijke markt, en – zoals sommige industriëlen droomden – met een gemeenschappelijke Europese munt.

    Tekst loopt door onder de afbeelding.

    Coudenhove-Kalergi (staand) tijdens een pan-Europees congres in Berlijn, 1930.

    Het Kalergi-plan inspireerde de Franse minister van Buitenlandse Zaken Aristide Briand, die in 1929 in Genève zijn eigen visioen van een verenigd Europa presenteerde. Briands idee vond enige weerklank, maar raakte daarna op de achtergrond door de dramatische gevolgen van de Beurskrach van 1929 in de Verenigde Staten, die de kwetsbare Europese economieën deed wankelen. Het Europese eenheidsideaal werd daarna snel overschreeuwd door fascisten en nationaal-socialisten, met hun partijbijeenkomsten, pogroms en kristalnachten.

    De internationale Volkenbond, opgericht na de Eerste Wereldoorlog, deed in de jaren dertig nog manmoedige pogingen om de Europese samenwerking te bevorderen. Zo organiseerde de Volkenbond bijeenkomsten van intellectuelen. Dit tot ergernis van sommige radicale Europese visionairen, die in de Volkenbond juist een soort lange arm zagen van het kapitalistische en liberalistische Amerika.
     

    Franse federalisten verlangen naar de tijd dat ‘ieder zijn plaats wist’

    In Frankrijk waren bijvoorbeeld in die tijd jonge, radicaal-rechtse, conservatieve Europeïsten zeer luidruchtig. Een groep federalisten rondom het zogeheten platform Ordre Nouveau vond dat Europa een derde weg moest bewandelen tussen het liberalisme van de VS en het bolsjewisme van de Sovjet-Unie. Een aantal van die Franse federalisten was ultrakatholiek, soms antisemitisch en nostalgisch naar een tijd dat ‘ieder zijn plaats wist’ en dat vrouwen, arbeiders en zwarten nog niet hun rechten opeisten. Veel van deze Europeïsten van het Interbellum waren ideologisch ver verwijderd van de latere links-liberale pleitbezorgers van de EU.

    Tekst loopt door onder de afbeelding.

    Ondertekening van het Verdrag van Versailles op 28 juni 1919. Het akkoort roept in de jaren daarna veel wrok op.

    Dit was de ‘Europese geest’ van het Interbellum: een potpourri van nostalgische visioenen van een verloren cultuur, een conservatieve, soms schreeuwerige toon tegenover de rest van de wereld, gecombineerd met kolonialisme ter ondersteuning van de handelsagenda van een paar multinationals. Dit koor aan diverse en soms onderling contrasterende stemmen verstomde tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar zwol na 1945 weer aan. Toen zag de wereld, en Europa helemaal, er volstrekt anders uit. Europa paste deemoed, en realisme.
     

    Toontje lager

    Zo kon het gebeuren dat de vooroorlogse visionairen water bij de wijn deden en accepteerden dat hun idee van een ‘groots’ Europa werd teruggebracht tot de Gemeenschap van Kolen en Staal, een van de VS afhankelijk project om de gehavende economieën weer uit het slop te trekken. De ‘grootse’ dromen van een ‘verheven’ continent met een ‘superieure’ cultuur waren besmet geraakt door de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog en vooral de Holocaust. Daar was weinig verhevens aan geweest. Europa moest een toontje lager zingen, en langzaam in het reine komen met de gruwelijke uitwassen van het ‘grootse’ vooroorlogse denken. Vanaf 1945 zou het Europese integratiedenken zich daarom minder richten op een vermeend glorieus verleden, en meer op een hoopvolle, voorspoedige toekomst.
     

    Guido van Hengel is historicus. Dit artikel is gebaseerd op zijn nieuwste boek De zieners: toekomstvisioenen uit een verloren Europa, p. 224, Ambo|Anthos, € 20,-.

    Meer weten:
    Fascism, Liberalism and Europeanism in the Political Thought of Bertrand de Jouvenel and Alfred Fabre-Luce (2017) door Daniël Knegt.
    Wij Europeanen (2015) door Wim de Wagt.
    Wege nach Europa: Deutungen eines imaginierten Kontinents in deutschen, britischen und amerikanischen Printmedien, 1914-1945 (2014) door Florian Greiner.