Het wereldkampioenschap voetbal gaat zelden alleen om het balletje. Het grootste sportevenement ter wereld biedt het gastland een geweldig platform om zich in de kijker te spelen van een miljoenenpubliek. Dat geldt dus ook voor landen waarvan de regeringen zich op de een of andere manier misdragen. In dat geval spreken we wel van sportswashing: het gebruik van sport om een positief imago te creëren en negatieve aspecten te verbloemen. Als het specifiek om voetbal gaat, spant het WK 1934 in Italië nog altijd de kroon.
In Italië was op dat moment Benito Mussolini aan de macht. De fascistische dictator zag sport als een middel om het volk te verenigen en de Italiaanse jeugd krachtig, gespierd en gedisciplineerd te maken. Hij had immers soldaten nodig die zijn droom van een nieuw Romeins rijk konden waarmaken. Zelf wilde hij het goede voorbeeld geven. Mussolini had als bijnaam ‘de sportieve dictator’. Het was één aspect van de persoonlijkheidscultus die rond hem gecreëerd werd. Zo liet hij zich graag fotograferen met ontbloot bovenlijf op ski’s, te paard, of op het strand. En hoewel ‘Il Duce’ zelf geen groot voetbalfan was, zag hij wel het potentieel van deze snel groeiende volkssport.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
In 1926, het jaar waarin hij alle politieke partijen behalve zijn Nationale Fascistische Partij (PNF) verbood, benoemde hij ex-generaal Giorgio Vaccaro tot hoofd van de nationale voetbalfederatie. Drie jaar later lanceerde Vaccaro de landelijke Série A, nog altijd de hoogste afdeling in het Italiaanse betaald voetbal. Italië bouwde bovendien talloze monumentale stadions, neoklassieke symbolen van de fascistische staatsmacht, die niet alleen een podium boden aan sportevenementen, maar ook aan politieke manifestaties. Zo werd Adolf Hitler in 1938 groots ontvangen in het Olympisch Stadion van Rome.
Ondertussen lobbyde Italië hard om het eerste WK voetbal ooit te organiseren. Maar die eer ging in 1930 naar Uruguay. Het Zuid-Amerikaanse land was tweevoudig Olympisch kampioen en vierde dat het al honderd jaar onafhankelijk was. Mussolini weigerde vervolgens om het Italiaanse elftal te sturen. Drie jaar later had hij meer geluk. Na wederom een stevige lobby en, zo werd gefluisterd, de nodige steekpenningen kreeg Italië en niet Zweden het WK 1934 toegewezen. Dat Italië inmiddels een heuse politiestaat met koloniale ambities was, deerde de FIFA blijkbaar niet.
‘Winnen is een bevel’
‘Jouw verantwoordelijkheid, Vaccaro, is de wereldtitel,’ zou Mussolini tegen de bondsvoorzitter hebben gezegd. ‘Ik weet niet hoe je het gaat doen, maar winnen is een bevel, geen verzoek.’ Maar de Italianen wilden meer laten zien dan hun voetbalskills. Volgens Vaccaro was het WK ook een kans ‘de organisatorische efficiëntie van fascistische sport’ te tonen.
Ter promotie van het WK verschenen zo’n 300.000 posters, postzegels met voetbalmotief en zelfs een sigarettenmerk genaamd Campionato del Mondo. Op wedstrijdkaartjes waren fasces afgebeeld: Romeinse takkenbundels, symbool van eenheid en kracht, die de fascisten als hun merkteken gebruikten. Het stadion in Rome, waar de finale zou worden gespeeld, heette het Stadio Nationale del Partido Nacional Fascista.

Overigens zaten de stadions tijdens het toernooi lang niet altijd vol. Zelfs niet na het optrommelen van de trouwe PNF- aanhang, die er vooral zat om tijdens de wedstrijd Il Duce lovend toe te zingen. Gemiddeld zaten er voor elke wedstrijd niet meer dan 21.000 toeschouwers op de tribune.
Het WK ging op 27 mei 1934 van start met zestien deelnemende landen. Ook het Nederlands elftal reisde vanuit Arnhem per trein naar Italië, gevolgd door een schare van zo’n 7000 fans. Zij zagen Oranje in de eerste ronde met 3-2 van Zwitserland verliezen en konden weer naar huis. Het WK 1934 kende een knock-outsysteem.
Stralend wit uniform
De thuisploeg verging het een stuk beter. Onder toeziend oog van Mussolini won Italië in de eerste ronde met 7-1 van de Verenigde Staten. De kwartfinale tegen Spanje was een stuk zwaarder, maar werd uiteindelijk met 1-0 nipt gewonnen en de halve finale tegen Oostenrijk kende dezelfde uitslag. In de finale op 10 juni in Rome wachtte Tsjechië. Dat was een wedstrijd waarin heel wat meer op het spel stond dan alleen voetbal. Tot woede van Mussolini had de Tsjechische regering een dag eerder diplomatieke relaties aangeknoopt met de Sovjet-Unie. De finale werd daarmee een strijd tussen twee politieke ideologieën, het fascisme en het communisme.
Zoals voor elke wedstrijd van Italië stuurde Mussolini de spelers een handgeschreven briefje met de aanmoedigend bedoelde slogan ‘Overwinning of dood.’ En zoals voor elke wedstrijd van Italië klonk niet eerst het volkslied, maar het fascistische partijlied Giovinezza, waarna alle spelers – en de scheidsrechters – hun rechterhand ten hemel hieven.
Met zo’n 55.000 toeschouwers zat het stadion tijdens de finalewedstrijd bijna vol. Mussolini zat op de eretribune in een stralend wit uniform, omringd door familie, partij-officials en FIFA-president Jules Rimet. Even verderop zaten ook vertegenwoordigers van Tsjechië en nazi-Duitsland. De Duitsers hadden de strijd om de derde plaats tegen Oostenrijk gewonnen en wachtten op de prijsuitreiking. Zij zagen hoe halverwege de tweede helft de Tsjechen het beoogde Italiaanse feestje verstoorden door de 0-1 te maken. Maar tien minuten voor tijd maakte Raimundo Orsi gelijk en in de verlenging stelde Angelo Schiavio de Italiaanse zege veilig.
Na de gewonnen finale daalde Mussolini af naar het veld voor de prijsuitreikingen. Het Duitse elftal stond trots achter een enorme hakenkruisvlag. Nog een keer klonk het fascistische partijlied, voordat Rimet de winnaars de wereldbeker overhandigde. Die vond Mussolini kennelijk niet indrukwekkend genoeg, dus gaf hij hoogstpersoonlijk aan de Italiaanse aanvoerder ook nog de zesmaal zo grote ‘Coppa del Duce’. Geen wonder dat Rimet jaren later verzuchtte: ‘Ik heb de indruk dat niet FIFA het WK organiseerde, maar Mussolini.’
