Kleine Hans was geboeid door Wiwimachers of plassers, in het Nederlands. Rond zijn vierde raakte het Oostenrijkse jochie zijn eigen piemel graag aan, en deed hij regelmatig alsof hij ging plassen, in een kast vlak naast de wc. Ook vroeg hij naar de Wiwimachers van zijn ouders en keek hij zijn ogen uit bij de grote exemplaren van een leeuw en een giraf in dierentuin Schönbrunn, niet ver van zijn huis. En dan waren er nog de paarden. Hans was geboren in Wenen, in 1903, toen daar veel hengsten door de straten liepen. Hij vond hun Wiwimachers indrukwekkend.
Helaas voor Hans was hij ook bang voor de imposante dieren. Zo bang dat hij kort voor zijn vijfde verjaardag straatangst ontwikkelde. Hij weigerde zijn huis te verlaten, uit vrees dat een paard hem zou bijten, zou omvallen, of gewoon veel lawaai zou maken met zijn hoeven.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Die angst wekte de interesse van een oudere stadsgenoot, zenuwarts Sigmund Freud (1856-1939). Hij volgde Hans’ ontwikkeling via verslagen van diens vader, Max Graf, want die laatste bewonderde Freud en diens theorieën. Daarom stuurde de vader brieven vol verhalen over zijn opgroeiende zoontje, zodat Freud zijn ideeën verder kon verdiepen.
In die periode, aan het begin van de twintigste eeuw, had Freud zijn kernopvattingen al bedacht. Van tijdgenoten had hij geleerd dat de allervroegste jaren bepalend waren voor de rest van het leven en dat trauma’s uit die tijd later problemen konden veroorzaken. De route naar die problemen liep via het onderbewuste, waaruit weggedrukte herinneringen opborrelden in de vorm van psychische klachten. Bij dat alles speelde seksualiteit een grote rol, ook vanaf de eerste levensjaren.
Rond de kleutertijd kregen kinderen – met name jongetjes – te maken met Freuds beruchte oedipuscomplex, waarbij ze seksueel geobsedeerd raakten door de ouder van het andere geslacht. Dat leverde spanningen op met de ouder van hetzelfde geslacht, die moesten worden opgelost. De mythische naamgever van het complex, Oedipus, had zijn vader gedood maar volgens Freud was dat niet nodig. Het kind moest een manier vinden om zich te identificeren met de ouder van hetzelfde geslacht.
Fallische fase
Voor Freud was het geval kleine Hans een duidelijk voorbeeld van een oedipale worsteling, en daarom schreef hij een analyse van de zaak, die hij in 1909 publiceerde. Daarbij gaf hij het kind ook de schuilnaam ‘Hans’, om zijn privacy te beschermen. In werkelijkheid heette hij Herbert, zoals later bekend zou worden.
Om de zaak van ‘Hans’ te koppelen aan een oedipuscomplex was enige intellectuele lenigheid nodig, want op het eerste gezicht was het kind simpelweg bang voor paarden. Maar voor Freud kon de zaak niet zo eenvoudig zijn. Onder Hans’ heftige gevoelens moest iets diepers liggen. Iets dat te maken had met seksuele spanningen. Daar werd Hans’ fascinatie voor Wiwimachers belangrijk. Op zich was die volgens Freud normaal, want jongens belandden rond hun derde nu eenmaal in een fallische fase. Maar een baddersessie, die plaatsvond toen Hans vierenhalf was, liet volgens Freud zien dat er spanningen waren. Zoals gewoonlijk droogde zijn moeder hem af en poederde ze daarna zijn lijfje in, inclusief zijn piemel, waarbij ze ervoor waakte die zelf aan te raken. Daarop vroeg Hans waarom ze zijn Wiwimacher niet beroerde, en antwoordde moeder dat zoiets Schweinerei zou zijn. ‘Maar wel heel leuk,’ antwoordde Hans.

Volgens Freud was dit een oedipale poging om zijn moeder te verleiden. Hoewel die bij de leeftijd paste, was seks tussen moeder en kind onacceptabel. En ook Hans’ neiging om aan zijn piemel te zitten was sociaal onwenselijk. En dus was moeder genoodzaakt zijn impulsen te onderdrukken, en daar begonnen de spanningen.
Waarschijnlijk, zo redeneerde Freud, hoopte Hans zijn moeders Wiwimacher te zien. Daarom moest zijn vader hem uitleggen dat vrouwen die helemaal niet hadden. Want in Freuds denkwereld waren plassers primair penissen, en die waren nu eenmaal voorbehouden aan mannen. Als Hans dat zou leren, zou zijn hang naar zijn moeder kunnen afzwakken.
Uithangbord
Dat was de ene helft van het oedipale verhaal. Volgens Freuds theorie moest de andere helft bestaan uit problemen met de vader, maar daar was niets van te merken. Die problemen, zo redeneerde Freud, had Hans namelijk geprojecteerd op paarden. Net als vaders hadden paarden namelijk grote piemels; dat had Hans al jong opgemerkt. Dus zijn angst voor paarden moest wel staan voor een verdrongen oedipale angst voor zijn vader.
Zo viel ook te verklaren waarom Hans zo bang was dat een paard hem zou bijten. Die angst stond voor een diepere, seksuele vrees, die nauw verbonden was met het oedipuscomplex: de angst voor castratie. Volgens Freud kregen jongetjes daar last van als ze leerden dat er mensen – vrouwen en meisjes – waren zonder penis. Dat besef leidde tot bezorgdheid dat ze hun eigen penis zouden kwijtraken. En in de verwarring van het oedipuscomplex werden jongens bang dat hun vader hen zou ontmannen, uit woede over het kinderlijk verlangen naar de moeder.
Het zaadje voor die castratieangst was volgens Freud op zijn derde geplant door Hans’ moeder die wilde dat hij van zijn Wiwimacher afbleef. Anders, zo had ze gedreigd, zou er een dokter komen om zijn piemel af te snijden. Toen was Hans niet onder de indruk, want toen zijn moeder vroeg hoe hij dan zou plassen, antwoordde hij: ‘Met mijn poeper.’ Maar ruim een jaar later was dit toch uitgemond in een verlammende angst voor paarden.

Het was een ellendige situatie, maar Freud zag een uitweg. Hans moest horen wat er aan de hand was. Dat de paarden voor zijn vader stonden, en dat hij niet bang hoefde te zijn omdat zijn vader van hem hield. Als hij dat besefte, zouden de spanningen uit hun band verdwijnen, net als zijn angst voor paarden.
Dus Hans kreeg de theorie uitgelegd en al snel zag Freud zijn gelijk bevestigd: Hans durfde weer naar buiten, waar de paarden waren. Zo sterkte het geval kleine Hans Freud in zijn theorieën over de vroege ontwikkeling bij jongetjes. Latere experts hebben daar kritiek op gehad, want Freud was wel erg vastbesloten om Hans’ problemen op één lijn te brengen met zijn bestaande ideeën. Een oedipuscomplex en castratieangst hoorden bij zijn levensfase, dus moesten zijn angsten daarmee te maken hebben. Andere verklaringen sloot Freud bij voorbaat uit. Dat Hans vlak voor zijn angsten zijn amandelen moest laten verwijderen, was bijvoorbeeld niet relevant. En dat paarden voor een 5-jarige gewoon intimiderend groot waren, en dat ze voor zijn huis af en aan liepen – ook dat was volgens Freud niet echt belangrijk. Zo werd kleine Hans een uithangbord voor Freuds theorieën. De jongen zelf, de echte Herbert, had in zijn latere leven gelukkig geen last meer van zijn angsten. Hij ging de muziek in en werd een succesvol operaregisseur.
Meer weten
Analyse van de fobie van een 5-jarige jongen (1979) door Sigmund Freud, over Kleine Hans.
Freud, Wenen en de ontdekking van de moderne geest (2024) door Frank Tallis.
Sigmund Freud (1988) door Peter Gay is een welwillend-kritische biografie.
