Na de Tweede Wereldoorlog werden ruim zestien miljoen Duitsers, Polen, Oekraïners, Belarussen en Balten verdreven uit hun geboortestreek. Ze moesten zich vestigen in nieuwe, homogene natiestaten. Waarom liet het Westen dat gebeuren?
Op 15 december 1944 nam Winston Churchill schoorvoetend plaats achter het spreekgestoelte van het House of Commons. Het Rode Leger rukte op dat moment snel op naar Berlijn, dus de Lagerhuisleden wilden graag horen wat die opmars betekende voor de toekomst van Polen. De Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en Churchill hadden eind 1943 ingestemd met claims van Sovjetleider Jozef Stalin op het oosten van het land, maar een definitief akkoord over de naoorlogse grenzen van Polen ontbrak nog altijd. Veel parlementariërs vreesden dat een levensvatbare Poolse staat uit zicht raakte.
‘Ik kan niet instemmen met de opvatting dat de voorgestelde grenzen voor Polen ondeugdelijk of onbevredigend zijn,’ reageerde Churchill fel. Stalin en Roosevelt hadden hem immers verzekerd dat ‘de Polen vrij zijn om hun grondgebied uit te breiden in het westen, ten koste van Duitsland’. Hij benadrukte dat Polen door deze westwaartse uitbreiding zelfs ‘meer ontwikkeld territorium’ zou omvatten dan ooit tevoren. Het gebied in Oost-Polen dat Stalin opeiste zou slechts moerasland zijn dat ‘weliswaar het grondoppervlak, maar de rijkdom van zijn eigenaar niet vergroot.’ Voor Churchill was het daarom ‘ondenkbaar’ dat Polen de nieuwe indeling afsloeg.
Alsof het een klein detail betrof, meldde Churchill dat dit plan ‘vanzelfsprekend’ gepaard zou gaan met disentanglement van de lokale bevolking. ‘Enkele miljoenen mensen zullen vanuit het oosten moeten worden overgebracht naar het noorden of westen […], want dat is wat is voorgesteld: de algehele verdrijving van Duitsers uit de gebieden die Polen krijgt in het westen en noorden.’
Churchill had daar weinig moeite mee. ‘Voor zover wij dat kunnen beoordelen is verdrijving de meest efficiënte en duurzame methode,’ verklaart hij. ‘Er zal geen vermenging van volkeren meer plaatsvinden, zoals die in Elzas-Lotharingen eindeloze problemen heeft veroorzaakt. A clean sweep will be made.’

Van zijn Amerikaanse ambtgenoot had hij weinig tegenstand te verwachten. In 1943 had Roosevelt zich al laten ontvallen dat de Duitsers het ‘verdienden’ om ‘met terreur’ van hun grondgebied te worden verjaagd.
Wrevel over opdeling
De wortels van deze uitspraken gingen terug tot de Eerste Wereldoorlog. Daarna werden de Centrale Mogendheden – het Duitse Keizerrijk, het Habsburgse Rijk en het Ottomaanse Rijk – opgeknipt in losse republieken of verdeeld over het grondgebied van geallieerde bondgenoten. Aangezien de bolsjewieken een jaar eerder ook het Russische tsarenrijk ten val hadden gebracht, verrezen in 1918 maar liefst negen nieuwe natiestaten op de Europese kaart: uit de Dubbelmonarchie ontstonden Polen, Oostenrijk, Hongarije, Joegoslavië en Tsjechoslowakije, terwijl de chaos rond de Russische Revolutie leidde tot de onafhankelijkheid van Finland, Estland, Letland en Litouwen.
Volgens Oost-Europa-specialist Timothy Snyder is de wrevel over de opdeling van deze imperia lange tijd onderschat. De geallieerden hadden hun deelname aan de Eerste Wereldoorlog verkocht als een ‘bevrijding’ van de Centraal-Europese volkeren, maar bij de inrichting van de nieuwe natiestaten bleken vooral strategische belangen bepalend. Bondgenoten van de Triple Entente (het VK, Frankrijk en Rusland), zoals Roemenië, Tsjechoslowakije en Polen, werden in 1918 beloond met meer territorium, maar kregen daardoor ook meer etnische minderheden binnen hun grenzen. Terwijl verliezende landen, zoals Hongarije en Bulgarije, juist grote diaspora’s achter de grenzen van buurlanden zagen verdwijnen.
Vooral voor Duitsland was de situatie penibel. Zo bevonden maar liefst tien miljoen etnische Duitsers zich buiten de landsgrenzen van de in 1918 opgerichte Weimarrepubliek. In Tsjechoslowakije maakten de drie miljoen Sudeten-Duitsers zelfs een kwart van de gehele bevolking uit. Hierdoor telde het land meer etnische Duitsers dan etnische Slowaken. Bovendien had het Verdrag van Versailles een gigantisch gat in het historisch Duitse grondgebied geslagen: de provincie Oost-Pruisen (tegenwoordig Kaliningrad) kon alleen nog per schip of via de Poolse Corridor worden bereikt.

De gevolgen van de Duitse rancune over de grenzen van 1918 zijn welbekend. Maar ook vanuit Moskou werd in het Interbellum met afgrijzen naar de Oost-Europese kaart gekeken. Zo woedde van 1919 tot 1921 een oorlog tussen de Sovjet-Unie en de Tweede Poolse Republiek, met als inzet de grens tussen beide landen. Tegen alle verwachtingen in wisten de Polen deze strijd te winnen. Hierdoor kwam de uiteindelijke Poolse-Sovjet-grens veel verder oostwaarts te liggen dan ooit was voorgesteld.
Toen Adolf Hitler twee decennia later Polen binnenviel, zag Stalin zijn kans schoon voor revanche. In september 1939 beval hij het Rode Leger tot een ‘bevrijding’ van zijn ‘broedervolkeren’ in Oost-Polen. Door de oostwaartse expansie van 1921 omvatte het gebied ruim vijf miljoen Oekraïners, drie miljoen Joden, een miljoen Belarussen en een half miljoen Volksduitsers. In de oostelijke Kresy vormden etnische Polen zelfs een minderheid. Een perfect voorwendsel voor ‘hereniging’ met de Sovjet-Unie, dus.
In juni 1940 herhaalde Stalin dit imperialistische kunstje in de Baltische staten, waar hij Estland, Letland en Litouwen inlijfde onder het mom van ‘socialistische revoluties’. In Litouwen viel de bevrijdingsretoriek in goede aarde: Vilnius werd door de Litouwers beschouwd als de historische hoofdstad van hun volk, maar lag sinds 1921 achter de Poolse grens. In diezelfde zomer moest ook het noordoosten van Roemenië het ontgelden. Hier annexeerde de Sovjet-Unie de regio Bessarabië, het hedendaagse Moldavië.

Later, bij de conferenties van Jalta en Potsdam, zouden de annexaties van de Sovjet-Unie een grote stempel drukken op onderhandelingen over de naoorlogse orde van Europa. Zo was Stalin allerminst van plan zijn nieuwverworven gebieden op te geven en leverde het Rode Leger strijd tegen de nazi’s aan het oostfront. Buiten de onderhandelingen hadden Churchill en Roosevelt dus weinig middelen om de eindsituatie in Oost-Europa te beïnvloeden.
Eind 1943, bij de eerste samenkomst van ‘De Grote Drie’ in Teheran, maakte Stalin zijn positie officieel kenbaar: om het oostelijke gebiedsverlies te compenseren, zou Polen in zijn geheel opschuiven naar het westen. De rivieren de Oder en de Neisse zouden na de oorlog de grens tussen Duitsland en Polen afbakenen. Hoewel deze grens pas in 1945 tijdens de Conferentie van Potsdam formeel werd vastgelegd, aanvaardden Churchill en Roosevelt al in 1943 het principe om Polen westwaarts op te schuiven. Zij vreesden dat Stalin anders afzonderlijk vrede met Duitsland zou sluiten, terwijl de Sovjets hard nodig waren in de strijd tegen Japan.
12,5 miljoen Duitsers werden gedeporteerd
Op cultureel-demografisch vlak waren de implicaties van de Oder-Neisse-linie enorm. Hele regio’s die historisch tot Duitsland hadden behoord – zoals Pommeren, Neder-Silezië en Oost-Pruisen – kwamen na de oorlog onder de Poolse vlag te staan. In deze gebieden woonden ruim tien miljoen Duitsers, van wie het overgrote deel in deze streken geboren was. Met deze grens sorteerden de geallieerden dan ook voor op een etnische zuivering van ongekende proporties. Zo was al vroeg in de oorlog duidelijk dat het naoorlogse Europa weinig ruimte zou bieden voor Duitse minderheden in het buitenland. De trauma’s van de nazi-bezetting waren daarvoor te groot.
In augustus 1945 werden etnische zuiveringen expliciet onderdeel van het beleid ten aanzien van Duitsland. ‘De drie regeringen […] onderschrijven dat alle Duitse gemeenschappen of delen daarvan, die nog verblijven in Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije moeten worden overgebracht naar Duitsland,’ meldde de slotverklaring van Potsdam eufemistisch. In de naoorlogse jaren zouden zo 14 miljoen etnische Duitsers gedwongen worden zich te vestigen ten westen van de Oder-Neisse-linie. Slechts een fractie hiervan – zo’n 1,5 miljoen – was daadwerkelijk als kolonisten naar de geannexeerde gebieden in Oost-Europa getrokken. De resterende 12,5 miljoen werden in feite gedeporteerd van hun geboortegrond, de Heimatvertriebenen.
Daders of slachtoffers
De miljoenen Duitsers die uit Oost-Europa werden verdreven, belandden na 1945 in een land dat volledig in puin lag. Samen vormden zij bijna een kwart van de naoorlogse Duitse bevolking, waardoor hun komst de voedsel- en woningtekorten verergerde. Op een warme ontvangst konden de Heimatvertriebenen niet rekenen. Lokale bewoners beschouwden hen als vreemdelingen en spraken vaak denigrerend over hen. Toch zouden hun belangenorganisaties in de jaren vijftig invloed krijgen, al bleef hun positie complex. Zo draaide het debat in West-Duitsland vooral om de verantwoordelijkheid voor de nazimisdaden, waardoor Duits slachtofferschap niet altijd op sympathie kon rekenen. En in de DDR was een openlijke discussie taboe. Om conflicten met socialistische broederstaten te voorkomen werden de verdrevenen eufemistisch Umsiedler (‘verhuizers’) genoemd. Later werd dit Neubürger (‘nieuwe burgers’).

Hoewel het Akkoord van Potsdam nadrukkelijk stelde dat deze verdrijvingen ‘ordentelijk’ en ‘humaan’ moesten verlopen, kwam daar in de praktijk weinig van terecht. Ruim zes miljoen Duitsers waren zelf al op de vlucht geslagen voor het Rode Leger, dat in 1945 plunderend en verkrachtend door Oost-Duitsland trok. Zeker 400.000 van hen overleefden hun vluchtpoging niet. Ruim de helft van deze doden viel op de Oostzee, waar geallieerde vliegtuigen en onderzeeërs geregeld schepen met Duitse vluchtelingen onder vuur namen.
Na de officiële capitulatie op 8 mei 1945 kwamen hier spontane wraakacties bij. De premier van Tsjechoslowakije, Edvard Beneš, verklaarde in een radiotoespraak bijvoorbeeld dat de Duitsers al hun menselijkheid hadden verloren en ‘als natie’ moesten boeten. In het hele land braken daarna anti-Duitse rellen uit, die aan zeker 30.000 Sudeten-Duitsers het leven kostten. Volgens Tsjechische statistieken pleegden 5558 van hen zelfmoord.
Pas eind 1945 zouden de verdrijvingen beter worden georganiseerd. Treinen vervoerden Duitse gezinnen onder begeleiding van Poolse of Tsjechische milities naar hun nieuwe ‘thuis’. Toch bleef de werkelijkheid hard. Duitsers die niet ‘vrijwillig’ vertrokken, kregen vaak een bevel om zich binnen een paar uur te melden op een station. Ze mochten alleen meenemen wat ze zelf konden dragen. De rest van hun bezit werd geconfisqueerd en aan nieuwe bewoners gedistribueerd.

Door materiaalgebrek werd het gros van de transporten uitgevoerd met open veewagons, waarin gemiddeld zestig tot tachtig man zaten. De reis duurde vaak meerdere dagen en stops voor voedsel of sanitaire voorzieningen waren schaars. Er werd minder geweld gebruikt dan tijdens de ‘wilde verdrijvingen’ eerder dat jaar, maar het was zeker geen uitzondering. Vooral tijdens de eerste transporten kwamen berovingen geregeld voor – niet zelden gepleegd door de milities die de Duitsers hoorden te beschermen. Overledenen moesten langs het spoor begraven worden.
‘Herwonnen gebieden’
Dankzij hun belangenorganisaties is het lot van de Heimatvertriebenen relatief bekend. Maar ook ten oosten van de Oder-Neisse-linie verschoven de etnische verhoudingen: zo liet Stalin in september 1944 de communistische interim-regering van Polen en de Sovjetrepubliek Oekraïne een akkoord tekenen, waarin de twee satellietstaten een ‘bevolkingsuitruil’ overeenkwamen. Alle etnische Polen ten oosten van de nieuwe Sovjet-Poolse grens zouden worden overgebracht naar Polen, terwijl alle Oekraïners in naoorlogs Polen de omgekeerde route moesten volgen. Kort daarop volgden vergelijkbare overeenkomsten met de Sovjetrepublieken Belarus en Litouwen.
Op papier schreven deze akkoorden een ‘vrijwillige repatriëring’ voor, maar in de praktijk hadden burgers weinig keus. Zo woedde in de Sovjet-Poolse grensregio al sinds 1943 een oorlog tussen Oekraïense nationalisten en Poolse partizanen, die naar schatting 100.000 burgerslachtoffers had gemaakt. Toen Moskou in september 1944 alle Poolstalige scholen in West-Oekraïne liet sluiten en arbeiders begon te ronselen voor industrieprojecten in de Donbas, besloten veel Polen te vertrekken. In totaal zouden bijna 1,5 miljoen etnische Polen tussen 1945 en 1947 de Sovjet-Unie verlaten. Veel dorpen en steden die zij achterlieten, zoals Lwów (het hedendaagse Lviv), waren eeuwenlang Poolstalig geweest.

Ruim een miljoen van deze ontheemden kwam terecht in de nieuwe gebieden in West-Polen, waar zij cynisch genoeg de huizen van verdreven Duitse families betrokken. Via een mythe over ziemie odzyskane (‘herwonnen gebieden’) presenteerden de autoriteiten hun aankomst als een ‘terugkeer’ naar land dat ooit door Slavische koningen werd geregeerd. In de praktijk was de overgang zeer moeizaam. Boeren uit de vruchtbare Kresyin het oosten beschikten simpelweg niet over de kennis of werktuigen om de arme zandgronden van Silezië of Pommeren te bewerken. Veel oogsten mislukten, wat de precaire voedselvoorziening verder onder druk zette.
Etnische Oekraïners uit Polen voelden er in 1944 al helemaal weinig voor om naar de Sovjet-Unie te vertrekken. Velen van hen kenden de verhalen over hongersnoden van de jaren dertig en verzetten zich hevig tegen overplaatsing naar het regime dat hiervoor verantwoordelijk was. De stroom gedeporteerden die illegaal terugkeerden naar Polen werd zelfs zo groot dat de autoriteiten wegblokkades moesten opwerpen om de grens te dichten. Talloze repatriëringskantoren en treinstations werden doelwit van aanslagen door Oekraïense nationalistische milities. Desondanks zouden uiteindelijk zo’n half miljoen Oekraïners gedwongen worden de grens met de Sovjet-Unie over te steken.
Onder historici bestaat nog altijd debat over de mate waarin Churchill en Roosevelt achter Stalins zuiveringen in Polen en Oekraïne stonden. Zeker is dat zij nooit bezwaar hebben gemaakt. Dat zou volgens sommigen komen door oorlogsmoeheid en afspraken over invloedsferen. Anderen stellen dat etnische zuivering sinds het Interbellum werd beschouwd als een ‘noodzakelijk kwaad’ om politieke stabiliteit te creëren. Zo hadden de Entente-landen al in 1923 Griekenland en Turkije een overeenkomst laten sluiten die een onderlinge uitruil van moslims en christenen regelde. Onder toezicht van de Volkenbond werden toen 400.000 Turkse moslims vanuit Griekenland naar Turkije gestuurd, in ruil voor de overkomst van 1,3 miljoen Grieken uit Turkije.

Het vermeende succes van dit verdrag zou twee decennia later een belangrijk referentiepunt vormen voor westerse beleidsmakers. In 1942 had bijvoorbeeld de Amerikaanse ex-president Herbert Hoover het boek The Problems of Lasting Peace uitgebracht, waarin hij betoogde dat de Grieks-Turkse uitruil van 1923 ‘de welvaart en de onderlinge verstandhouding van beide naties merkbaar had verbeterd’. Volgens Hoover toonden ook ‘honderden jaren aan bittere ervaringen’ uit Europa dat etnische vermenging een ‘voortdurende bron van oorlog’ vormde.
In dat licht waren zuiveringen geen misdaad, maar volgens Hoover juist een heroic remedy om ‘het voortdurende lijden van minderheden en terugkerende conflicten’ tegen te gaan. Veelzeggend is dat geen enkele boekrecensent destijds een probleem maakte van deze aanbeveling, terwijl het werk vijftien weken in de non-fictionbestsellerlijst van de New York Times stond. Pas toen de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in 1948 werd aangenomen, zou het denken over etnische zuivering definitief omslaan.
Het Genocideverdrag van 1948
Tijdens de Tweede Wereldoorlog muntte de Pools-Joodse jurist Raphael Lemkin het begrip ‘genocide’. Hiermee doelde hij op de systematische vernietiging van nationale, etnische, raciale of religieuze groepen. Deze definitie zou in 1948 uitmonden in het Verdrag inzake de Voorkoming en Bestraffing van Genocide, waarmee de Verenigde Naties genocide als internationale misdaad bestempelden. Opvallend genoeg werd in dit verdrag nergens gesproken over ‘etnische zuivering’ of gedwongen deportatie van burgers. De grote mogendheden hielden de definitie bewust beperkt tot fysieke vernietiging, waardoor hun eigen acties buiten schot bleven.
Toch veranderde in de naoorlogse jaren het denken over etnische zuiveringen ingrijpend. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 stelde dat gedwongen verhuizingen moreel en juridisch verwerpelijk waren. Pas met het Statuut van Rome, dat in 1998 aan de basis stond van het Internationaal Strafhof, werd gedwongen deportatie expliciet strafbaar gesteld. Onder deze wetgeving zouden de plannen van Stalin, Roosevelt en Churchill zonder twijfel worden beschouwd als misdaden tegen de menselijkheid.
Meer weten:
- Bloedlanden (2022) door Timothy Snyder, over Europa tussen Hitler en Stalin, is een klassieker.
- IJzeren Gordijn (2012) door Anne Applebaum behandelt de inlijving van Oost-Europa.
- Redrawing Nations (2001) door Philipp Ther en Ana Siljak (red.), over etnische zuivering in Oost-Europa.
