Home Dossiers Adolf Hitler Een dubieuze martelaar

Een dubieuze martelaar

  • Gepubliceerd op: 26 april 2022
  • Laatste update 16 nov 2022
  • Auteur:
    Eric Palmen
  • 13 minuten leestijd
Een dubieuze martelaar
Cover van
Dossier Adolf Hitler Bekijk dossier

Als een held ging Claus von Stauffenberg de geschiedenis in. Hij was geëxecuteerd na een mislukte aanslag op Hitler, de beroemde ‘Operatie Walküre’. Maar wilde hij werkelijk de democratie herstellen? Zijn eigenlijke motieven bleken niet zo verheven.

In de ochtend van 20 juli 1944, klokslag zeven uur, vertrekt van vliegveld Rangsdorf in Berlijn een Heinkel He-111 naar het hoofdkwartier van Adolf Hitler in Oost-Pruisen, de Wolfsschanze in Rastenburg. Aan boord bevinden zich Claus Schenk graaf von Stauffenberg en zijn adjudanten Werner von Haeften en Hellmutt Stieff. Het is een beslissende dag in hun leven. In de aktekoffer van Stauffenberg bevinden zich twee bommen van elk een kilo.

Om halftwaalf meldt Stauffenberg zich bij zijn opperbevelhebber, veldmaarschalk Wilhelm Keitel. Een klein uur later betreedt hij de bunker van het oppercommando. Stauffenberg vraagt of hij zich mag opfrissen voordat hij de stafkamer binnengaat. Haeften helpt hem de zuurcapsule kapot te drukken waarmee de ontsteking op scherp wordt gesteld, maar dat lukte slechts bij één bom.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Even na halfeen vervoegt Stauffenberg zich bij de stafbespreking van de Führer, schuift de springlading onder de massief houten vergadertafel en verlaat, onder het voorwendsel van een telefonische oproep, de ruimte. Om 12.42 uur vindt er een hevige explosie plaats in de bunker van de Führer. In de volle overtuiging dat Hitler de aanslag niet heeft overleefd, keert Stauffenberg terug naar Berlijn.

De bom lag achter een zware tafelpoot; dat redde Hitlers leven

Tot zijn ontzetting hoort hij van zijn handlangers op het hoofdkwartier van de Wehrmacht dat het draaiboek voor na de aanslag, de ‘Operatie Walküre’ (zie kader), nog niet in gang is gezet. Dat gebeurt pas om 16.10 uur. Maar inmiddels heeft Goebbels van de aanslagpoging vernomen en brengt een eenheid van de Waffen-SS in stelling. De radio meldt rond vijf uur in de middag dat Hitler de aanslag heeft overleefd. De zware tafelpoot waarachter de bom werd verborgen, had hem het leven gered, al dacht Hitler eerder aan de ‘voorzienigheid’.

Om zeven uur ’s avonds geeft Hitler Wehrmacht-majoor Otto Ernst Remer telefonisch het bevel de putsch neer te slaan met alle middelen die hem ter beschikking staan. Om 22.50 uur worden Claus Schenk von Stauffenberg, Friedrich Olbricht, Albrecht Ritter Mertz von Quirnheim en Werner von Haeften gearresteerd. Friedrich Fromm, opperbevelhebber van het reserveleger in Berlijn, geeft het bevel hen standrechtelijk te executeren. Dat bevel wordt om kwart over twaalf in de nacht op de binnenplaats van het hoofdkwartier van de Wehrmacht uitgevoerd. De coup is mislukt.

Offermythe

Op 20 juli 1994, vijftig jaar na Operatie Walküre, hield bondskanselier Helmut Kohl op dezelfde binnenplaats een herdenkingsrede voor de gevallenen van de mislukte aanslag op Adolf Hitler. Hij noemde de legerofficieren die een einde wilden maken aan een verloren oorlog martelaren van de menselijke waardigheid en vrijheid, gerechtigheid en waarheid. ‘De democratie moet verdedigd worden tegen links en rechts extremisme,’ sprak Kohl. ‘Wie zich vandaag de dag sterk maakt voor de democratie, hoeft zich geen zorgen te maken dat hij morgen aan het verzet moet deelnemen.’

Adolf Hitler toont de Italiaanse leider Benito Mussolini de schade na de aanslag van Stauffenberg, 1944.

Zijn toespraak past in de herinneringscultuur die rond de aanslag op 20 juli 1944 na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan. De samenzwering tegen Hitler was ‘een opstand van het geweten’, een wilsdaad van ‘het andere, betere Duitsland’, dat van het fatsoen, de rechtsorde en de constitutionele democratie.

In zekere zin droeg de mislukking bij aan de offermythe die rond de 20ste juli is ontstaan. De eerste bondspresident Theodor Heuss herdacht de officieren als een zoenoffer voor de collectieve schuld. ‘De schaamte die Hitler ons Duitsers heeft opgedrongen werd door hun bloed van de bezoedelde Duitse namen weer weggewist.’

Het probleem met deze moralistische voorstelling van zaken is dat die voorbijgaat aan de motieven van de samenzweerders, hun politieke opvattingen en de scenario’s die ze hadden uitgedacht voor na de coup. Om in Stauffenberg een martelaar van de democratische rechtsorde te zien, is op z’n zachtst gezegd een nogal misleidende en ahistorische duiding van zijn persoonlijkheid.

Stauffenberg wilde juist korte metten maken met de ‘gelijkheidsleugen’ van de parlementaire democratie en streefde naar een herstel van de ‘natuurlijke orde’: een standenmaatschappij waarin iedere Duitser op corporatieve basis zijn plaats wist. In zijn ogen was het Derde Rijk tot stand gekomen uit het echec van de Weimarrepubliek. Politiek moest je niet aan de massa overlaten, want het ressentiment van kleine luiden maakte lelijk wat groots moest zijn. Dat hadden de ploerten van de nationaal-socialistische beweging wel bewezen. Die hadden een – in de kern van de zaak – zuivere leer uit eigenbelang gecorrumpeerd, zo was zijn overtuiging.

In de ban van Hitler

Stauffenberg was als couppleger een laatbloeier. Pas in het najaar van 1942 begonnen hij en zijn broer Berthold het echec van het Hitler-regime in te zien, toen de oorlog door de deelname van de Verenigde Staten, de desastreuze verliezen aan het oostfront en de opmars van de Britten in Noord-Afrika voor Duitsland in feite al verloren was. Tot die tijd hadden ook zij de verrijzenis van het Derde Rijk onder het naziregime begroet.

Claus von Stauffenberg begint pas in het najaar van 1942 te twijfelen aan het Hitler-regime.

Claus von Stauffenberg nam als tankcommandant van de Tweede Pantserdivisie in het Tiende Leger in 1939 deel aan de Poolse veldtocht. Hij voorzag een ‘planmatige kolonisatie’ van het bezette grondgebied, schreef hij aan zijn vrouw Nina. ‘De bevolking is een onvoorstelbaar rapaille. Zeer veel Joden en gemengd volk, dat zich alleen goed voelt als het onder de duim wordt gehouden. De duizenden gevangenen zullen onze landbouw goed van pas komen. In Duitsland zijn ze goed te gebruiken: werklustig, volgzaam en goedkoop.’

Toen ruim twee weken na de Duitse inval de Sovjets hun deel van het Poolse grondgebied kwamen opeisen, geheel volgens de geheime clausules van het Molotov-Ribbentroppact, maakte Stauffenberg zich weinig illusies over het lot van de Poolse intelligentsia onder de bolsjewieken. ‘Daarvan zullen velen naar Siberië moeten wandelen,’ berichtte hij zijn vrouw met enig leedvermaak.

Stauffenberg was in het voorjaar van 1940 nog geheel in de ban van Hitlers eclatante successen aan het westelijk front. De strijd op het slagveld was een ervaring die het leven glans gaf, schreef hij aan zijn kompaan Frank Mehnert. Zijn broer Berthold berichtte hij dat zij getuigen waren van de ‘barensweeën van een nieuw rijk’. Stauffenberg had geen enkele twijfel over het militaire genie van Adolf Hitler. ‘De vader van deze man was geen kleinburger. De vader van deze man was de oorlog.’

Stauffenberg twijfelde niet aan het militaire genie van Hitler

Anderen binnen de Duitse legertop hadden toen al wel hun bedenkingen. In 1941 begon Oberleutnant Henning von Tresckow een netwerk te vormen van voornamelijk Pruisische officieren, die zijn overtuiging deelden dat met Hitler aan het roer de oorlog niet alleen verloren was, maar ook niet te beëindigen. Hitler zou Duitsland meeslepen in zijn val, en dat moest voor alles voorkomen worden. Wanneer Tresckow erin zou slagen het naziregime omver te werpen en te vervangen door een acceptabele burgerregering, behoorde een eerbare vrede met de geallieerden wellicht nog tot de mogelijkheden. Daarom legde hij contacten met Carl Goerdeler, een politieke opponent van Hitler van het eerste uur. Goerdeler had de Britten al in 1938 gewaarschuwd voor Hitlers zucht naar Lebensraum in het oosten. Tresckow wist ook voormalig opperbevelhebber van de Wehrmacht Ludwig Beck aan zijn zijde te krijgen, die in het najaar van 1938 was afgetreden omdat hij zich niet kon vinden in Hitlers monopolisering van militaire aangelegenheden. Verder deden officieren mee als Hellmut Stieff, de latere adjudant van Stauffenberg, en Fabian von Schlabrendorff, een van de weinige overlevenden van de 20ste juli. Schlabrendorff zou met de publicatie van zijn memoires in 1946, Offiziere gegen Hitler, het beeld van de opstand in belangrijke mate bepalen.

Een eerbare vrede hield voor deze nationaal-conservatieve groep van officieren en burgerpolitici in dat Duitsland aanspraak kon blijven maken op Elzas-Lotharingen, zelf zijn oorlogsmisdadigers mocht berechten, in de wederopbouw van Europa een belangrijke rol zou vervullen, zijn oostgrens mocht behouden, en dat Oostenrijk en het Sudetengebied deel bleven uitmaken van het Duitse Rijk. Dat was althans het ‘regeringsprogramma’ dat Goerdeler voor zijn burgerregering in gedachten had.

Hitler bezoekt luitenant-generaal Rudolf Schmundt, die gewond is geraakt bij de aanslag op 20 juli 1944.

Toen de geallieerden op de Conferentie van Casablanca in januari 1943 overeenkwamen met niets minder genoegen te nemen dan een onvoorwaardelijke overgave van de Duitse strijdkrachten, was dat een grote deceptie voor de samenzweerders. Daarbij waren zij verlamd door de angst voor een tweede dolkstootlegende: na de Eerste Wereldoorlog vertelden rechtse politici dat Duitsland de oorlog had verloren door binnenlandse verraders. Niemand wilde de verantwoordelijkheid op zich nemen voor weer een wereldoorlog die aan het thuisfront verloren werd, zoals volgens menig teruggekeerde frontsoldaat in 1918 was gebeurd. Een hels dilemma. Wanneer moesten ze toeslaan? Op het moment dat de Duitse bevolking doordrongen was van de onafwendbaarheid van de nederlaag? Of nu Duitsland nog over enige militaire slagkracht beschikte om een eerzame vrede af te dwingen?

Falende ontsteking

In de zomer van 1943 legde Henning von Tresckow contact met Claus von Stauffenberg. Die was zwaargewond huiswaarts gekeerd van het front in Tunesië en treurde om de dood van zijn beste vriend Mehnert, die gevallen was aan het oostfront. Hij was er nu volkomen van overtuigd dat Hitler uit de weg moest worden geruimd. Ook Tresckow wilde dat.

Toen Hitler op 13 maart een bezoek bracht aan zijn hoofdkwartier in Smolensk, wist Tresckow op de terugreis een bom aan boord van het vliegtuig te smokkelen, maar de Britse ontsteking faalde – mogelijk door de kou. Een week later werd een nieuwe poging ondernomen. Een van de Pruisische officieren in het netwerk van Tresckow, Freiherr von Gersdorff, was bereid zichzelf tijdens een rondgang van Hitler in het Berlijnse Zeugheus in het bijzijn van de Führer op te blazen, maar die had zijn bezoek voortijdig afgebroken.

Proces tegen Carl Goerdeler, die wordt verdacht van samenzwering met Stauffenberg. Hij wordt op 2 februari 1945 opgehangen.

Stauffenberg kreeg in de tweede helft van 1943 een steeds grotere rol in de organisatie van de samenzwering. De dood van Hitler mocht geen doel op zichzelf zijn, maar moest een machtswisseling inluiden, waarmee de oorlog eerzaam beëindigd kon worden. Hij vond tijdens zijn voorbereidingen van het complot steeds vaker Carl Goerdeler tegenover zich. Goerdeler, een overtuigd christen, vond het haast een onverdraaglijke gedachte dat het nieuwe Duitsland met een politieke moord werd ingeluid. Hij wilde Hitler niet vermoorden, maar voor het gerecht slepen.

Dat was niet de enige reden voor de gespannen verhouding tussen Stauffenberg en Goerdeler. Stauffenberg zag in Julius Leber, oud-volksvertegenwoordiger voor de SPD in de Rijksdag, de juiste man voor de burgerregering. Hij hoopte met de deelname van de sociaal-democraten in de burgerregering te voorkomen dat er weer een proletarische revolutie zou uitbreken, zoals in 1918 met de communistische Radenrepubliek was gebeurd. Maar Goerdeler voelde zich gepasseerd; hij vond dat militairen zich niet moesten bemoeien met politieke aangelegenheden.

Onrealistische doelstelling

De militair-politieke doelstellingen van de samenzwering zijn met de moralistische interpretatie van de 20ste juli, zoals die met name in de herinneringscultuur gestalte kreeg, uit het zicht verdwenen. Na de geallieerde invasie in Normandië op 6 juni 1944 zou Stauffenberg zich hebben afgevraagd of een militaire coup nog wel zin had. Het antwoord van Tresckow is een eigen leven gaan leiden in de beeldbepaling van de 20ste juli. De aanslag moest hoe dan ook doorgaan, ‘want het gaat niet langer om het praktische nut, maar dat de Duitse verzetsbeweging de wereld en de geschiedenis laat zien, met de inzet van het eigen leven, de beslissende worp te hebben gedaan. Al het andere speelt geen rol.’

De samenzweerders hoopten met de westerse geallieerden op

te trekken naar het oostfront

Dit heroïsche citaat wist complotteur Fabian von Schlabrendorff uit zijn geheugen op te diepen tijdens zijn verhoor door de Amerikanen in de zomer van 1945. Het zou uiteindelijk ook in zijn memoires terechtkomen. Maar de samenzweerders, Stauffenberg voorop, meenden dat de invasie de Westlösung dichterbij had gebracht. Na de coup hoopten zij samen met de westerse geallieerden op te trekken naar het oostfront. Hoe onrealistisch die doelstelling was, hebben ze – doordat de aanslag mislukte – nooit hoeven te ondervinden.

Eric Palmen is historicus.

 

Scenario voor een coup

Na de dood van Hitler moest een draaiboek in werking treden met de codenaam ‘Walküre’. Een grote rol was weggelegd voor het reserveleger rond Berlijn, dat onder leiding stond van Friedrich Olbricht, een vertrouweling van Henning von Tresckow. Hij zou tijdens de staat van beleg de strategische punten, zoals de radiotoren, moeten bezetten, terwijl de Waffen-SS in de Wehrmacht geïntegreerd zou worden. Het bevel tot ‘Walküre’ moest van zijn opperbevelhebber Friedrich Fromm komen. Toen al snel duidelijk werd dat Hitler de aanslag had overleefd, koos Fromm eieren voor zijn geld en keerde zich tegen de coupplegers.

Churchill vierde de aanslag

Op 2 augustus 1944 hield Winston Churchill een toespraak in het Lagerhuis waarin hij de mislukte aanslag op Hitler als een overwinning voor de geallieerden vierde. De Duitse legertop was zichzelf aan het uitroeien, zo hield hij zijn gehoor voor. Churchill wilde voorkomen dat de Sovjets dachten dat hun bondgenootschap onder druk kwam te staan. ‘Unconditional surrender’ bleef het doel. Een paar jaar na de oorlog betreurde hij zijn uitspraak, maar toen was het IJzeren Gordijn al in Europa neergelaten.

Meer weten:

Stauffenberg (2019) door Thomas Karlauf is een kritische biografie.

Unternehmen Walküre (2019) door Winfried Heinemann interpreteert de aanslag militair-politiek in plaats van moralistisch.

Der 20. Juli 1944 (1994) door Gerd R. Ueberschär (red.) behandelt de aanslag in de historiografie en herinneringscultuur.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 5 - 2022