Ontstond ‘de westerse beschaving’ rond de Middellandse Zee? Nee hoor, zo betoogt Josephine Quinn. In de Oudheid was vooral sprake van netwerken tussen Azië, Afrika en Europa, die elkaar onderling beïnvloedden. Er heeft nooit een afgebakende voorloper van de westerse cultuur bestaan.
Vaak worden Athene en Rome aangewezen als de belangrijkste locaties waar de westerse beschaving zou zijn ontstaan. Tijdens de klassieke Oudheid zou in dat deel van het Middellandse Zeegebied de wieg van onze moderne cultuur hebben gestaan. Daar vonden de wereldliteratuur en de filosofie hun oorsprong, daar ontstonden ideeën als vrijheid en democratie, daar werd een schoonheidsideaal geformuleerd dat eeuwenlang standhield.
Josephine Quinn, hoogleraar oude geschiedenis in Cambridge, werd er een beetje moe van: elk jaar las ze de aanmeldingsformulieren van eindexamenkandidaten die haar vak wilden gaan studeren en die hun keuze vrijwel altijd op dezelfde wijze motiveerden. Oude geschiedenis en klassieke talen waren vooral belangrijk omdat Griekenland en Rome ‘de bakermat van de westerse beschaving zijn’. Vermoedelijk dachten de kandidaten dat dit was wat Quinn en haar collega’s wilden horen, maar het zegt veel over hoe het grote publiek nog altijd over die ‘westerse beschaving’ denkt. Ondertussen weten classici, oudhistorici en archeologen al decennia dat de werkelijkheid veel ingewikkelder is.
Het idee dat een ‘beschaving’ of een ‘cultuur’ een duidelijk afgebakend en autonoom verschijnsel is, dat bovendien sterk gekoppeld is aan etniciteit, kwam op in de achttiende eeuw. Waarna al snel ook een rangorde werd aangebracht tussen de verschillende ‘beschavingen’, waarbij de ‘westerse’ vanzelfsprekend als ‘superieur’ gold. Hoewel de koppeling met het begrip ‘ras’ na de Tweede Wereldoorlog grotendeels werd losgelaten, blijft het begrip beschaving heel moeizaam.
Zo beschrijft Quinn hoe eind negentiende eeuw, na spectaculaire archeologische vondsten op Kreta, de ‘Minoïsche beschaving’ werd uitgevonden. Volgens de Britse archeoloog Arthur Evans was daar rond 2000 v.Chr. een unieke cultuur ontstaan. Deze was duidelijk superieur aan die van Egypte of Mesopotamië – die ‘oriëntaals’ en daarmee ‘despotisch’ en ‘irrationeel’ zouden zijn – en vormde het begin van de latere Europese beschaving. Er was hier sprake van een soort culturele ‘kern’, die een oorspronkelijk karakter had en slechts in geringe mate beïnvloed was door andere culturen. Quinn laat zien dat uit later archeologisch onderzoek bleek dat Kreta zich aan de rand bevond van grote handelsnetwerken in Anatolië, de Levant en Mesopotamië, en dat er geen sprake was van een totaal andere, op zichzelf staande beschaving.
Quinn begint haar verhaal in Byblos, een havenstad in het huidige Libanon, dat al vóór 2000 v.Chr. een levendig knooppunt vormde van talrijke handelsroutes tussen Azië, Afrika en Europa. In deze regio ontdekten zeelieden hoe je op zee al zeilend grote afstanden kon afleggen, zodat ze zich verder westwaarts konden wagen, de Middellandse Zee op. Quinn laat haar verhaal beginnen met deze revolutie in de scheepvaart. Ze eindigt rond 1500, toen nieuwe navigatietechnieken het mogelijk maakten de sprong over de oceanen te wagen.
De Engelse titel van Quinns boek luidt How the World Made the West, waarmee ze een nog altijd sterk levend idee omdraait. Uitgebreid gaat ze in op het ontstaan van steden in het westen van Azië en op de handel die tussen die bevolkingscentra ontstond. Allerlei zaken die vaak worden geassocieerd met ‘het Westen’ – literatuur, wetenschap, ondernemerschap, wetgeving en een zekere mate van volksbestuur – deden zich daar voor het eerst voor. Zo werden er in Ur (in het huidige Irak) rond 2100 v.Chr. wetten vastgelegd die waren gebaseerd op tradities die al zo’n duizend jaar oud waren en waren wiskundigen in Babylon al duizend jaar voor de geboorte van Pythagoras op de hoogte van de inhoud van diens beroemde stelling. Subtiel merkt ze op dat Athene als het gaat om het idee van democratie een relatieve ‘laatkomer’ was, aangezien er rond 1900 v.Chr. in verschillende Assyrische steden al sprake was van bestuur door middel van volksvergaderingen.
Hoe verknoopt de verschillende bevolkingscentra met elkaar waren blijkt duidelijk uit de vele archeologische vondsten waarnaar Quinn verwijst. Zo werden er in graven in Mycene, op de Peloponnesos, uit de zeventiende eeuw voor Christus niet alleen Kretenzische wapens en lapis lazuli uit Afghanistan gevonden, maar ook paardentuig uit de Karpaten en barnsteen uit het Oostzeegebied. Ook modern dna-onderzoek wijst erop dat er geen sprake was van ‘zuivere’, min of meer in zichzelf gekeerde ‘beschavingen’.
Uiteraard leidden in de vier millennia die Quinn beschrijft de meeste mensen een honkvast bestaan, maar dat wil niet zeggen dat ze volledig geïsoleerd leefden. Het waren handelsnetwerken, en van tijd tot tijd oorlogen en rooftochten, die ervoor zorgden dat goederen, ideeën en gewoonten werden uitgewisseld. Veel van wat Quinn beschrijft is voor historici geen nieuws meer, maar met haar caleidoscopisch boek neemt ze de gewone lezer mee naar een zeer kleurrijke, veelzijdige en fascinerende wereld die veel sterker verbonden was dan vaak wordt gedacht.
Het Westen. Een 4000-jarige geschiedenis
Josephine Quinn
623 p. Thomas Rap, € 44,99

