Wie denkt aan Amerika en Cuba heeft misschien het debacle van de Varkensbaai in 1961 op het netvlies, de mislukte poging om Fidel Castro omver te werpen. Of de Cubacrisis van 1962, toen Amerika tot de rand van een nucleaire oorlog ging om te voorkomen dat de Sovjets raketten plaatsten op het eiland voor de kust van Florida. Een enkeling zal weten dat Cuba na de Spaans-Amerikaanse oorlog (1898) even een kolonie van Amerika was voordat het eiland zelfstandigheid kreeg.
Cuba is een Amerikaanse obsessie die teruggaat tot de vroege negentiende eeuw. In de jaren 1830 keken slavenstaten in het diepe Zuiden begerig naar het eiland om hun plantage- en slavenimperium uit te breiden. Ze zagen een Spaanse kolonie die suiker en koffie verbouwde en voorlopig was ontsnapt aan de revolutionaire onrust in de rest van Latijns-Amerika. Veel Amerikaanse plantagehouders en kooplieden zagen kansen en investeerden in Cuba.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Bang voor een slavenopstand
Nadat het Verenigd Koninkrijk in 1833 slavernij in hun hele imperium had verboden, waren de Amerikaanse Zuiderlingen bang dat de Engelsen ook druk zouden zetten op Spanje om in Cuba de slavernij te beëindigen. Een andere nachtmerrie was een slavenopstand op het eiland, zoals op Haïti eerder in de eeuw. Ze waren geobsedeerd door een verondersteld Brits plan om Cuba te ‘Afrikaniseren’. Een Zuidelijke leider wond er geen doekjes om: ‘De vraag is, zal de Afrikaan of de Amerikaanse Caucasian op dat prachtige eiland de scepter zwaaien.’
‘Zal de Afrikaan of de Amerikaanse Caucasian op dat prachtige eiland de scepter zwaaien?’
Zuiderlingen zagen een tropisch paradijs dat welhaast gemaakt leek voor plantageslavernij. De wens om het eiland in te lijven speelde al voor de oorlog met Mexico (1845-1848), die de zucht naar nieuwe gebieden voor de slaveneconomie op hol deed slaan. Die oorlog leverde de Verenigde Staten de enorme gebieden op die nu Arizona, New Mexico en Californië zijn, maar er was enorme druk van Zuiderlingen om nog meer van Mexico en zelfs Cuba in te pikken. De zuidelijke staten waren steeds bang dat de slavenvrije staten in de meerderheid zouden komen, en dat de federale overheid zich dan met hun ‘peculiar institution’ zou bemoeien.

Senator Jefferson Davis van Mississippi, later de president van de afgescheiden Confederatie, verklaarde in 1848 dat ‘Cuba van ons moet zijn’ om ‘het aantal slavenhoudende gebieden te vergroten’. In 1848 had president Polk zijn ambassadeur in Spanje opdracht gegeven 100 miljoen dollar voor het eiland te bieden. De Spanjaarden zagen dat als lompe diplomatie en stelden boos dat ze nog liever het eiland lieten wegzinken in de oceaan. Het voorstel zou nergens toe leiden.
Cubanen wilden ook van Spanje af
Dan maar op een andere manier, dachten de Zuiderlingen. Op Cuba waren onafhankelijkheidsstrijders actief die van Spanje af wilden. Logisch dat ze in Amerika peilden of ze steun konden krijgen om het Spaanse regime omver te werpen en de slavernij te behouden. Beide wilden Spanje kwijt, maar de Zuiderlingen hadden een heel andere agenda: ze wilden Cuba annexeren als slavenstaat van de VS.
Het middel vonden ze in de revolutionair Narciso López, die in 1848 was gevlucht naar New Orleans, waar hij een paar honderd vrijwilligers had geronseld. In een vroege versie van het Varkensbaai-fiasco leidde López zeshonderd gewapende mannen met een stoomschip naar Cuba, maar ze moesten zich al rap terugtrekken omdat de lokale bevolking hen niet hielp. In augustus 1851 probeerde López het nog een keer. Dat had hetzelfde resultaat, behalve dat de leider en vijftig huurlingen door de Spanjaarden werden geëxecuteerd.

En nog was het niet voorbij. Plantagehouder John Quitman, een New Yorker die in Mississippi was bekeerd tot het Zuidelijke racisme, probeerde het nog maar eens. Na gevochten te hebben in de oorlog met Mexico werd Quitman tot gouverneur van Mississippi gekozen. Hij was zozeer bekeerd, dat hij in de opwinding rond de vraag of slavernij wel of niet zou moeten worden toegestaan in Texas en de veroverde gebieden nogal prematuur opriep tot afscheiding van de slavenstaten.
Dat ging te ver voor zijn achterban. Hij trok zich terug uit de politiek, maar stelde zich nu als doel Cuba te veroveren. Samen met prominente ex-Cubanen, de Cuban Junta genoemd, bood hij aan een revolutie te organiseren. Cuba als zodanig interesseerde hem niet, Quitman zag het als de plek waar de wereldwijde strijd voor witte suprematie door middel van slavernij moest worden gevoerd. ‘Onze lotsbestemming is verbonden met die van Cuba’, zei Quitman. ‘Als slavernij daar ten onder gaat, dan zal het hier ook gebeuren.’
‘Als slavernij op Cuba ten onder gaat, dan zal het hier ook gebeuren’
Een diplomatiek fiasco
Hij zocht steun bij president Franklin Pierce. Die bood Spanje 130 miljoen dollar voor Cuba. Dat was een behoorlijk bedrag, zes keer zoveel als Amerika in 1848 had betaald voor de Mexicaanse gebieden. Maar Spanje moest er niets van weten.
Het leidde in 1854 tot het infame Oostendemanifest, deel van een campagne om Spanje onder druk te zetten. Een van de opstellers was James Buchanan, destijds ambassadeur in Londen en later de president die Amerika de Burgeroorlog in leidde. Het document stelde ‘onze innerlijk vrede en het bestaan van onze geliefde Unie’ te beschermen, ‘door een tweede St. Domingo te voorkomen, met al zijn bijkomende verschrikkingen voor het witte ras’. Ze dreigden met geweld als Spanje niet wilde verkopen.

Niet verrassend werd het manifest een diplomatiek fiasco. Europese landen en Noordelijke Amerikanen keken met afschuw toe. Omdat de politiek in Amerika zelf verdeeld raakte over de Kansas-Nebraska Act – de vraag of nieuwe gebieden wel of niet slavenstaten konden worden – hadden de antislavernij-activisten geen moeite Oostende en Cuba te koppelen aan de militante uitbreiding van de ‘slavocratie’ die het land scherp verdeelde. Deze ronde van interesse in Cuba leverde uiteindelijk niets anders op dan dat Spanje een pro-slavernij gouverneur aanstelde.
Na nog een poging om Cuba te kopen in 1858, werd het in aanloop naar de Amerikaanse Burgeroorlog even rustig rond het eiland. Maar de interesse in Cuba als deel van Amerika, hetzij als staat, hetzij als protectoraat, is tot op de dag van vandaag te herkennen. Trumps minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio, kind van Cubaanse ouders, laat weten dat Cuba opnieuw op de agenda staat – of nog steeds, kun je beter zeggen.
