Home 6 bronnen van Sigmund Freud

6 bronnen van Sigmund Freud

  • Gepubliceerd op: 24 januari 2019
  • Laatste update 13 okt 2022
  • Auteur:
    Geertje Dekkers
6 bronnen van Sigmund Freud

Hij beschreef het oedipuscomplex, de castratieangst en de penisnijd. Sigmund Freud was de bedenker van de psychoanalyse. Daarvoor leende hij veel ideeën van tijdgenoten – en gaf er een eigen draai aan.

Een brave jongen, een slimme leerling, een nieuwsgierige boekenliefhebber: vanaf zijn schooljaren was Sigmund Freud geknipt voor een studieus leven. En dus ging hij in het najaar van 1873 naar de universiteit. Hij studeerde geneeskunde in zijn thuisstad Wenen, waar het fysiologisch onderzoek op hoog niveau stond. Freud werd gegrepen en bracht jaren door in laboratoria, op zoek naar de geslachtsklieren van mannetjespalingen en turend naar het zenuwstelsel van vissen en mensen.

Maar toen werd hij ernstig verliefd, en het was wederzijds. Om te kunnen trouwen met de vijf jaar jongere Martha Bernays moest Freud haar en eventuele kinderen kunnen onderhouden, maar met labwerk ging dat niet. Als hij met Martha samen wilde zijn, moest hij een carrièreswitch maken. Hij moest patiënten gaan behandelen.

Freud werkte als arts, maar wilde liever de wetenschap in

Drie jaar lang, van 1882 tot 1885, werkte Freud als arts in het Allgemeines Krankenhaus der Stadt Wien. Maar de wetenschap bleef trekken, en gelukkig was er bij de afdeling Psychiatrie ruimte voor onderzoek. Naar de werking van cocaïne bijvoorbeeld, die Freud korte tijd zag als een wonderpijnstiller. Het was boeiend, maar allemaal gericht op de ‛harde’ kant van de psychiatrie: op anatomische structuren en neuronen. Freuds interesse was breder. In de jaren daarop ontwikkelde hij – met veel hulp van anderen – nieuwe ideeën over de menselijke geest.

Welke lessen leerde hij van zijn zes belangrijkste bronnen?

 

1. Hysterici

Les: emoties doen ertoe
 
Freud had grote belangstelling voor de aanpak van Jean-Martin Charcot, een neuroloog met gevoel voor theater die ‛hysterische’ patiënten behandelde. Deze vrouwen en – zoals Charcot signaleerde – ook mannen waren overmand door emoties of angsten. Hun symptomen varieerden van flauwvallen en onbeweeglijkheid tot ernstige opwinding, wanen en aanvallen die deden denken aan epilepsie.

Veel kenners hielden de patiënten voor aanstellers, maar Charcot nam hun klachten serieus. Hij zocht de oorzaken, zoals dat ging in zijn tijd, in fysieke, neurologische afwijkingen. Maar naarmate zijn carrière vorderde, kreeg hij ook oog voor psychische oorzaken, en dan vooral voor trauma’s die zijn patiënten een mentale klap hadden gegeven.
 

Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Freud is een groot bewonderaar van de dichter Johann Wolfgang von Goethe.
Schilderij door Joseph Karl Stieler, 1828.

Charcots belangstelling voor de psyche paste binnen een breed gedragen negentiende-eeuwse trend: die van introspectie, van pluizen in de eigen gevoelens en hartstochten. Zijn toehoorders kenden die trend maar al te goed, en dat gold ook voor Freud, die in 1885 een paar maanden naar Parijs ging en Charcot daar zag spreken. Het werk van Freuds idool Johann Wolfgang von Goethe, bijvoorbeeld, stond bol van de emoties en de passie. Maar in de psychiatrie was hij gewend aan een fysiek georiënteerde aanpak en dat maakte Charcots aanpak verrassend.

Charcot bracht zijn boodschap met veel bombarie, met hulp van twee ‛hysterica’s’. Louise Augustine Gleizes, een keukenmeid die in haar jeugd was mishandeld en misbruikt, en Marie ‛Blanche’ Wittmann, ‛koningin van de hysterica’s’, lieten zich onder hypnose brengen, waarna ze hun hysterische verschijnselen vertoonden. Freud was onder de indruk en nam de boodschap van Charcot mee terug naar Wenen

 

2. Anna O.

Les: onderzoek herinneringen

Bertha Pappenheim had last van scheelzien, van angstaanjagende hallucinaties en gedeeltelijke verlamming. Soms kon de jonge Weense vrouw alleen Engels, Frans of Italiaans spreken, en regelmatig stak een totaal onhandelbare persoonlijkheid de kop op. Korte tijd had ze panische angst voor water.

Pappenheim was een patiënt van Freuds collega en vriend Josef Breuer, die anderhalf jaar lang gesprekken met haar voerde, waarbij zij onder hypnose was. Ze vertelde wat er in haar hoofd opkwam: herinneringen aan de ziekte en dood van haar vader bijvoorbeeld, of aan haar vroege jeugd. Dat bleek heilzaam. Sessies met Breuer verlosten haar van symptomen zoals haar waterangst. Die verdween toen ze Breuer een herinnering had verteld aan een gehate gezelschapsdame, die haar hond uit een glas had laten slobberen. Na dagen van dorst kon Pappenheim ineens weer drinken.

‛Schoorsteenvegen’ noemde Pappenheim de sessies zelf: ongezonde aanslag in haar geest werd weggepoetst. Freud, die van Breuer over de sessies hoorde, zou in zijn latere psychoanalyse veel van dit schoorsteenveegwerk doen. En in 1895 beschreven Breuer en hij de geschiedenis van Pappenheim onder het pseudoniem Anna O. in hun boek Studien über Hysterie, dat ‛Anna’ wereldberoemd maakte als patiënt die een voorloper van psychoanalyse onderging.

Over de resultaten van Breuers behandelingen verschilden de meningen. Freud zag het als een groot succes, maar critici beweerden dat Pappenheim verre van genezen was. In elk geval deed ze in later jaren indrukwekkend werk voor de emancipatie van Joodse vrouwen en schreef ze verhalen, toneelstukken en gedichten.

 

3. Emmy von N.

Les: laat vrijuit praten

‛Vraag me niet de hele tijd waar dingen vandaan komen. Laat me gewoon vrijuit praten.’ Woorden van deze strekking sprak barones Fanny Moser tegen Freud tijdens haar behandeling in 1889-1890.

Freud was een paar jaar eerder een eigen praktijk begonnen, en de schatrijke weduwe Moser had al een batterij aan therapeuten en artsen versleten voor ze bij hem kwam vanwege angstaanjagende hallucinaties, tics, problemen met praten en slapeloosheid. Haar behandeling door Freud begon met massages en met gesprekken onder hypnose. Dat leverde veel herinneringen aan trauma’s op: aan de plotselinge dood van haar man en aan de beroerte van haar moeder, bijvoorbeeld, maar ook aan schrik door een pad.

Even leek Moser een mooi voorbeeld voor de hypnosebehandeling. Maar de barones – door Freud beschreven onder het pseudoniem Emmy von N. – bleek weerspannig en verzette zich vaak tegen haar arts. Dat maakte behandeling moeizaam, maar haar commentaar over gewoon vrijuit praten hielp Freud aan een belangrijk inzicht. Essentieel voor een goede behandeling waren een scherp luisterend oor en volop tijd voor de patiënt om al associërend onderliggende problemen bloot te geven. Hypnose was niet nodig.

 

4. De duiveluitdrijver

Les: bestudeer het onderbewuste

Mensen zijn leugenaars en ze liegen vooral tegen zichzelf. Onder de opvattingen en herinneringen die we onszelf voorhouden ligt een diepe laag van verwarrende gevoelens, gedachten en instincten: het onderbewuste. Aldus een van Freuds invloedrijkste tijdgenoten, Friedrich Nietzsche.

Behalve Nietzsche waren er meer filosofen die over het belang van het onderbewuste schreven, al sinds de achttiende eeuw. Romantische dichters, zoals Freuds geliefde Goethe, geloofden dat daar de bron van hun creativiteit lag.

Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Met veel gevoel voor theater behandelt neuroloog Jean-Martin Charcot ‘hysterische’ patiënten. Geschilderd door Pierre Brouillet, 1887.

Ook een leerling van neuroloog Jean-Martin Charcot, Pierre Janet, zag het belang van het onderbewuste. Hij behandelde patiënten als Achilles, een man die door de duivel bevangen leek. Achilles was duidelijk slachtoffer van zijn bijgelovige opvoeding, vond Janet. Zijn probleem was begonnen toen hij op reis ging en zijn vrouw bedroog. Het schuldgevoel daarover was de ware oorzaak van zijn hysterie, betoogde Janet, maar dat had hij weggestopt. En een therapeut moest zijn patiënten helpen door de wortels van hun problemen te zoeken in het onderbewuste.

Freud las Janets werk met interesse en begaf zich op een vergelijkbare weg. Die leidde naar zijn beroemde Droomduiding (1899), een boek dat alle basisprincipes van de psychoanalyse bevatte. Vrij associërend analyseerde hij daarin (eigen) dromen, die volgens hem wemelden van de symbolen voor wat hem in zijn onderbewuste bezighield. In het onderzoek van die symbolen lag volgens hem de taak van de psychiater.

Dat zijn theorie was geholpen door het werk van Janet, gaf Freud aanvankelijk toe. Maar rond 1915 kwam hij daarop terug en eiste hij alle eer voor zichzelf op.

 

5. De lustonderzoekers

Les: alles draait om seks

Seks was de belangrijkste drijfveer van de mens, constateerde psychiater Richard von Krafft-Ebing, en dat kon op allerlei manieren misgaan. Zo konden mannen en vrouwen zich overgeven aan masturbatie, seks met hetzelfde geslacht, masochisme of bestialiteit – waarbij mannen koeien, paarden, kippen en allerlei andere dieren zouden gebruiken, terwijl vrouwen zich beperkten tot honden. Ziekelijk vond de auteur deze gedragingen, en daarom beschreef hij ze in het boek met de titel Psychopathia Sexualis (1886).

Friedrich Nietzsche: ‘Alle mensen liegen; vooral tegen zichzelf’

Niet heel ruimdenkend, zal de eenentwintigste-eeuwse lezer wellicht denken, om masturbatie en homoseksualiteit als problematisch te beschrijven. Toch was Krafft-Ebing een vernieuwer, omdat hij allerlei vormen van al dan niet afgekeurd seksueel gedrag op papier zette.

De tekst loopt door onder de afbeelding.

Freud las Krafft-Ebing, en ook zijn leermeester Charcot en zijn vriend Breuer wezen op seks als allesbepalende factor. Geleidelijk aan drong dat idee zijn eigen werk binnen, en legde hij zich toe op seksuele ervaringen in de vroege jeugd. Dáár lagen de oorzaken van neuroses, besloot hij, en daar moest de analyticus naar zoeken.

Krafft-Ebing was niet overtuigd en in 1896 deed hij Freuds theorie af als ‛wetenschappelijke sprookjes’. Seks was een belangrijke drijfveer, dat was waar, maar Freud was al te creatief in zijn analyses. Ondanks dit soort tegenstand ging Freud door op deze weg en werd hij beroemd als de man van het oedipuscomplex, de castratieangst en de penisnijd.

 

6. Zijn dikke duim

Les: trauma’s worden verdrongen

Het belang van het onderbewuste, van driften en van (seksuele) trauma’s uit de vroege jeugd: rond 1900 had Freud die kernpunten van zijn theorie op een rij. Net als zijn methode: de patiënt praatte vrijuit en de therapeut analyseerde gesprekken en dromen.

In die analyse legde Freud zijn creativiteit, of – volgens critici – zijn wilde fantasie. Beroemd werd zijn interpretatie van een droom van de neurotische Rus Sergej Pankejev, die hij vanaf 1910 behandelde. Vlak voor zijn vierde verjaardag, vertelde Pankejev, droomde hij dat zijn slaapkamerraam vanzelf openging. Buiten zaten zes of zeven witte wolven op de tak van een walnootboom. Doodsbang dat die hem zouden opeten, werd Sergej wakker.

Na maanden van praten met Pankejev concludeerde Freud dat de droom verwees naar een gebeurtenis die de patiënt verdrongen had: anderhalf jaar oud had hij zijn ouders seks zien hebben. Of misschien had hij erover gefantaseerd, nadat hij dieren had zien paren. En dat had hem ernstig verward.

Tekst loopt verder onder de afbeelding.

Volgens Freud kunnen nare jeugdervaringen later tot problematisch gedrag leiden.

In die conclusie en in andere analyses zat nogal wat eigen invulling van Freud, wat hem op veel kritiek kwam te staan. Maar zijn methode oogstte ook immense bewondering en in de tweede helft van zijn leven werd hij een beroemdheid.

Geertje Dekkers is historicus en journalist.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 2 - 2019