Home Dossiers Amerikaanse presidenten De derde presidentskandidaat verliest altijd

De derde presidentskandidaat verliest altijd

  • Gepubliceerd op: 8 mei 2024
  • Laatste update 14 mei 2024
  • Auteur:
    Frans Verhagen
  • 7 minuten leestijd
Roosevelt verliest als derde presidentskandidaat.
Cover van
Dossier Amerikaanse presidenten Bekijk dossier

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Historischnieuwsblad.nl? U bent al lid vanaf €1,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Nog nooit heeft een onafhankelijke presidentskandidaat in de Verenigde Staten de verkiezingen gewonnen. Toch blijven sommigen het proberen. Er is eigenlijk maar één reden dat ze worden gevreesd.

Het Amerikaanse politieke systeem is onvriendelijk voor derde partijen. Of, anders geformuleerd: het leidt bijna automatisch tot twee partijen. Bij de presidentsverkiezingen met het kiesmannensysteem win je een staat of je wint hem niet. Als je hem wint, doet het aantal stemmen van je tegenstander er niet toe. Een derde partij kan invloed hebben op de uitslag, maar het valt niet mee om als derde zelf te winnen.

Meer historische context bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Alle leden van het Huis van Afgevaardigden zijn gekozen als Democraat of als Republikein in een ‘first past the post’-systeem: de winnaar bemachtigt de zetel, de verliezer krijgt niets. In de Senaat zitten wel onafhankelijke politici, zoals Bernie Sanders, maar zij sluiten zich organisatorisch altijd aan bij een van de twee partijen.

Het kiessysteem is behoorlijk dichtgetimmerd door de twee partijen, al was het maar omdat zij op staatsniveau, waar de nominaties en verkiezingen plaatsvinden, bepalen wat de regels zijn om op een stembiljet te mogen staan. Nieuwkomers wordt het niet gemakkelijk gemaakt.

Weinig kans voor socialisten

Dit is een van de redenen dat een socialistische partij in Amerika nooit voet aan de grond heeft gekregen, ondanks sterke vakbonden, arbeidsonrust en klemmende sociale problemen aan het einde van de negentiende eeuw. Arbeiders wisten zich niet voldoende te organiseren. Plattelanders deden dat wel met de populistische People’s Party, die in 1892 en 1896 een belangrijke rol speelde in de presidentsverkiezingen. Behalve met organisatorische problemen, hadden socialisten ook met andere obstakels te maken: het individualisme en de verwachting dat immigranten het in Amerika vanzelf beter zouden krijgen. De socioloog Werner Sombart schreef er in 1906 een beroemd geworden boek over: Why is There no Socialism in the United States?

Eugene Debs doet mee als derde presidentskandidaat van de Socialist Party
Eugene Debs doet mee als kandidaat van de Socialist Party.

De bekendste socialistische politicus was Eugene Debs. Hij was in 1894 aanvoerder van een grote staking en in 1897 medeoprichter van de Social Democratic Party of America. Debs deed in 1904, 1908, 1912 en 1920 als socialistische kandidaat mee aan de presidentverkiezingen. Hij haalde in 1912 6 procent van de stemmen; meer dan 900.000 Amerikanen stemden toen socialistisch.

Uitslag onbeslist

Datzelfde jaar brak oud-president Theodore Roosevelt (1901-1909) met de Republikeinse Partij, omdat die hem niet wilde nomineren en voor de zittende president William Taft koos. Roosevelt vertrok met slaande deuren en zette de Progressive Party op, beter bekend als de ‘Bull Moose Party’ (‘I feel strong like a bull moose,’ zei Roosevelt: ‘Ik voel me sterk als een mannetjes eland’). Hij scoorde met 27 procent behoorlijk goed, beter dan president Taft, maar het bracht de Democraat Woodrow Wilson in het Witte Huis.

Roosevelt en Taft
Uncle Sam kijkt toe hoe Roosevelt en Taft elkaar in de haren vliegen. Spotprent uit het Britse satirische tijdschrift Punch, 1912.

In 1948 zette de Democratische senator Strom Thurmond de Dixiecrats op, een partij uitsluitend toegewijd aan de zuidelijke manier van leven, dat wil zeggen aan de rassensegregatie. Hij won vier zuidelijke staten, 39 kiesmannen. Het hield Harry Trumans verkiezing niet tegen, maar je zag hier wat de bedoeling was van een derde kandidaat: zorgen dat niemand kon winnen. Volgens de grondwet moet in dat geval het Huis van Afgevaardigden beslissen, waarbij elke staat een stem heeft. De derde kandidaat zou bij de onderhandelingen daarover eisen kunnen stellen. Overigens heeft deze situatie zich maar één keer voorgedaan: in 1824.

Voor de ‘kleine man’

Pas in 1968 was er weer een serieuze derde kandidaat, opnieuw een afvallige Democraat en opnieuw een tegenstander van burgerrechten, gouverneur George Wallace van Alabama. Zijn populistische ‘kleine man’-campagne sloeg ook aan in het noorden, waar de eerste tekenen van industrieel verval voelbaar werden en rassenproblemen hem in de kaart speelden. Wallace won vijf zuidelijke staten en 46 kiesmannen, niet genoeg om de verkiezingen onbeslist te laten eindigen.

In 1972 ging Wallace op herhaling, maar tijdens de campagne voor de Democratische nominatie werd hij op 12 mei in Maryland neergeschoten. Hij raakte vanaf het middel verlamd en moest zijn campagne opgeven. President Richard Nixon had een deel van zijn boodschap al overgenomen.

Een derde kandidaat moest zorgen dat niemand kon winnen

De Republikein John Anderson begon in 1980 een campagne voor een derde partij, omdat hij Ronald Reagan te conservatief vond. Hij haalde een respectabele 6,6 procent, maar geen kiesmannen.

Meer gewicht in de schaal legde de Texaanse zakenman Ross Perot, met name in 1992. De eigengereide Perot had veel geld en een hekel aan president George H.W. Bush. Met zijn nadruk op begrotingstekorten en verzet tegen het vrijhandelsverdrag met Mexico en Canada (NAFTA) leek Perot goed te gaan scoren, maar in juli stopte hij om onduidelijke redenen zijn campagne.

Derde presidentskandidaat Perot met Bush en Clinton.
Perot, Bush en Clinton tijdens een verkiezingsdebat in 1992.

Toen hij een paar weken later weer terugkeerde, was het tij gekeerd ten gunste van Bill Clinton. Perot haalde toch nog 18,6 procent, zij het zo evenwichtig verdeeld over alle staten dat hij er geen enkele kiesman aan overhield. In 1996 probeerde Perot het nog eens, maar nu haalde hij nog maar 8,4 procent. Zijn Reform Party sukkelde nog wat door, met de rechts-radicale Pat Buchanan als kandidaat in 2000, maar speelde geen rol van betekenis.

Doorslaggevend

Hoewel de consumentenactivist Ralph Nader in 2000 in Florida slechts 97.000 stemmen haalde voor de Green Party, besliste hij daarmee de presidentsverkiezingen. In Florida werden de stemmen herteld, maar toen het Supreme Court beval daarmee te stoppen kwam de Democraat Al Gore in deze staat 537 stemmen tekort om George W. Bush te verslaan. Waarschijnlijk had een aanzienlijk aantal van Naders kiezers op Gore gestemd als ze hadden geweten hoe krap de uitslag zou worden.

Ross Perot had veel geld en een hekel aan George Bush

Hoewel er altijd derde partijen meedoen aan de verkiezingen, zoals groenen, communisten, socialisten en libertariërs, heeft er nog nooit een gewonnen. In februari van dit jaar liet senator Joe Manchin, de beoogde kandidaat van No Labels, een van oorsprong anti-Trump organisatie, weten dat hij toch maar niet in de markt was.

Het is niet moeilijk te voorspellen dat dit jaar derde kandidaten, zoals de milieujurist en antivaxer Robert Kennedy jr., of Jill Stein, de kandidaat van de Greens, weinig invloed zullen hebben. Maar in swing states, waar een paar duizend stemmen het verschil maken, zouden ze de doorslag kunnen geven. Dat is dan ook de enige reden dat iemand zich druk maakt over derde partijen.

Openingsafbeelding: Spotprent in The Evening Star in 1912: Roosevelt buigt het hoofd na het verlies van zijn ‘Bull Moose Party’. Zijn gewonde luitenanten druipen af.