Europese mogendheden zetten misdadigers eeuwenlang op de boot naar hun overzeese gebieden. Die moesten er hard werken in strafkolonies. De hoop was dat ze door de barre omstandigheden hun leven beterden.
Het moest een wetenschappelijke missie lijken. In werkelijkheid had de veertig maanden durende tocht van het korvet Principessa Clotilde naar Azië een heel ander doel. De Italiaanse kapitein Carlo Alberto Racchia had van zijn regering de opdracht gekregen om een geschikte plek voor een strafkolonie te vinden. Voor een flinke som geld zou een lokale heerser vast bereid zijn om grond in concessie te geven.
Racchia’s oog viel in 1870 op het eiland Gaya, ten noordwesten van Borneo. Driekwart van Borneo hoorde op dat moment bij Nederlands-Indië, maar juist het noordwestelijke deel stond onder bestuur van de sultan van Brunei. Nederland wilde niet dat hij toestemming gaf voor een strafkolonie. De Italianen kregen in eigen land kennelijk al geen grip op veroordeelde misdadigers. Wat kon je dan van ze verwachten ver weg van huis? Ontslagen en ontsnapte gevangenen zouden onherroepelijk in de hele regio voor overlast zorgen. Nederland kende zulke kwalijke gevolgen al in Suriname, dat grensde aan Guyana waar Frankrijk een strafkolonie had. Het vreesde ook dat Italianen met strafblad hun weg zouden vinden naar de piraterij, terwijl die net was ingetoomd en de handel met China en Japan een steeds grotere vlucht nam.

Strafkolonies waren eeuwenlang een onlosmakelijk onderdeel van de wereldrijken die Europese mogendheden bestierden. Voorzichtige schattingen gaan ervan uit dat minstens 900.000 mensen over de wereld werden gesleept in de periode tussen 1415 en 1953, toen de laatste Europese strafkolonie overzee in Frans-Guyana werd gesloten.
Het regime in den vreemde varieerde sterk. Soms belandden veroordeelden ver van huis in donkere kerkers. Vaak kregen ze te maken wet dwangarbeid, al dan niet aan de ketting. Op andere plekken genoten de geëxporteerde criminelen een relatief grote vrijheid.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Misdadigers en dissidenten naar elders brengen verloste het thuisland van problemen. Het moest bovendien afschrikkend werken. Vaak was het ook goedkoper. Het kon ook helpen om kolonies te bemensen, te voorzien van goedkope arbeidskrachten en van durfallen, die wilden helpen om de frontiers ter plaatse verder te verleggen in het voordeel van het Europese moederland.
Strafkolonies bestaan nog
Ook de afgelopen honderd jaar zijn er strafkolonies oude stijl opgericht. Om hun gruwelmethodes enigszins te verbergen bouwden de nazi’s veel van hun concentratie- en vernietigingskampen in veroverde gebieden in Oost- en Midden-Europa.
En sinds de aanslagen van 11 september 2001 houden de Amerikanen verdachten van terrorisme vast op hun basis in Guantánamo Bay op Cuba. Daar hebben ze geen last van hun eigen wetgeving die gevangenen beschermt. Ondertussen runt de CIA ook black sites, geheime plekken in onder meer Polen, Afghanistan en Thailand, waar mensen kunnen worden vastgehouden, verhoord en gemarteld.
Onlangs haalde president Donald Trump de Alien Enemies Act, een oude oorlogswet, van stal om bendeleden en vermeende bendeleden naar zeer beruchte detentiecentra in El Salvador te kunnen sturen.

Armeluisslaven
Portugal liep vanaf de vijftiende eeuw voorop met de export van criminelen. Ze konden hun straf verkorten door als militair te dienen in Noord-Afrika. Ze werden soms ook met kleine groepjes tijdens scheepsreizen afgezet op kusten zuidelijker in Afrika of in Brazilië. De overlevers die erin slaagden contact te maken met de lokale bevolking fungeerden in een later stadium dan als handige intermediairs voor handel en bestuur.
De Britten stuurden in de vroege jaren van hun koloniale rijk gevangenen uit het moederland naar eilanden als Barbados en Jamaica. In de achttiende eeuw werd Amerika de voornaamste bestemming. Er kwam in 1718 zelfs een wet, de Transportation Act, die het allemaal officieel vastlegde. Op het hoogtepunt van de deporaties ging bijvoorbeeld 70 procent van de veroordeelden in de Old Bailey, dé rechtbank in Londen, naar Amerika.

Anders dan bij slaven kon het werk van deze misdadigers worden gekocht en niet de mensen zelf. Maar omdat ze goedkoper waren, groeiden ze ook uit tot een soort armeluisslaven. Dat had in combinatie met hun toch al tamelijk rechteloze positie nare consequenties voor de omstandigheden waaronder ze moesten werken. Maar veel Britten vonden het een mooie manier om ‘vuilnis te lozen’. Dwangarbeid overzee zou criminelen ook werkethos bijbrengen, terwijl ze in gevangenissen ‘thuis’ enkel luiheid en andere foute dingen leerden.
Misschien kon het ballingsoord ook dienen als plek van bezinning. Dat was tenminste de boodschap aan het einde van de roman The Fortunes and Misfortunes of the Famous Moll Flanders (1722). Daniel Defoe, auteur van Robinson Crusoe, presenteerde daarin de fictieve memoires van een vrouw die op het verkeerde pad was beland. Haar gedwongen verblijf in de Nieuwe Wereld bracht de dievegge pas echt tot inkeer.
Dwangarbeid overzee moest criminelen werkethos bijbrengen
Kritiek klonk er ook. Gewone arbeiders in Amerika vonden dat sprake was van oneerlijke concurrentie, die ook hun lonen drukte. Politicus Benjamin Franklin wilde niet dat zijn land het afvoerputje van de Britten werd en stelde voor om op zijn minst slangen terug te sturen.
De Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd en het daaruit volgende verlies van bezittingen in Noord-Amerika stelden het Verenigd Koninkrijk voor een probleem. Waar moest het land nu naartoe met zijn gevangenen? West-Afrika, Madagaskar en India kwamen even in beeld, maar de definitieve keuze viel op het zuidwesten van Australië. Een strafkolonie stond er onder meer aan de basis van de latere miljoenenstad Sydney.
Niet alleen zware criminelen werden afgevoerd naar de andere kant van de wereld. Veroordeelden voor relatief lichte vergrijpen als stroperij, rebelse Ieren en andere opstandigen maakten eveneens de verplichte boottocht. Het werkklimaat in Australië was hard. Daar stond tegenover dat er voor veroordeelden die hun straf hadden uitgediend, ook mogelijkheden waren. De plaatselijke autoriteiten konden extra handen gebruiken bij de opbouw van hun gebied. Soms kregen de voormalig delinquenten zelfs land toegewezen.
Meedogenloze wildernis
De Fransen gaven vanaf de negentiende eeuw de voorkeur aan twee oorden. Een ervan lag letterlijk aan de andere kant van de wereld: Nieuw-Caledonië, een eilandengroep in de Grote Oceaan ten oosten van Australië, werd de bestemming voor Fransen die waren veroordeeld voor hun rol tijdens de Parijse Commune in 1871. Inwoners van Noord-Algerije die in 1874 in opstand waren gekomen tegen de Franse overheersing, gingen eveneens die kant op. De toevloed van al dat vreemde volk en andere maatregelen van de koloniale overheersen wekten wrevel bij de oorspronkelijke bevolking van Nieuw-Caledonië, de Kanaken. Hun verzet werd wreed de kop ingedrukt, waarna ze gedwongen verhuisden naar reservaten.
Onder de regering van Napoleon III werd ook Frans-Guyana een oord voor veroordeelden en wel voor degenen met de zwaarste misdaden op hun kerfstok. Velen stierven al tijdens de tocht over de Atlantische Oceaan in benauwde schepen met slecht en weinig eten. Degenen die het overleefden kwamen terecht op van god verlaten plekken in het oerwoud of op eilanden voor de kust van Frans-Guyana met een variatie in de strengheid van regimes. Die kregen – heel cynisch – de bijnaam ‘Eilanden van Verlossing’. Het meest berucht was Duivelseiland. De omstandigheden daar waren het zwaarst en ontsnappen was onmogelijk omdat het werd omringd door zee en het dichtstbijzijnde vasteland was bedekt door een meedogenloze wildernis.

Ook de Franse legerofficier Alfred Dreyfus kwam in 1895 op Duivelseiland terecht. Hij had levenslang gekregen voor spionage voor de Duitsers. Later groeiden de twijfels en werd duidelijk dat Joodse Dreyfus vooral het slachtoffer was van antisemitisme. In 1899 kreeg hij gratie, nadat zijn straf tijdens een beroep al was omgezet van levenslang naar tien jaar. In 1906 volgde eerherstel. De officier ging weer het leger in. Maar de ontberingen op Duivelseiland hadden hun sporen nagelaten en Dreyfus moest vervroegd afzwaaien.

De Duitsers grepen – ook uit gebrek aan koloniën – naar alternatieven. Het groothertogdom Mecklenburg stelde een groep veroordeelden voor de keuze: vele jaren gevangenschap of emigreren naar Brazilië. Het koninkrijk Hannover ging verder: dat betaalde overtochten van misdadigers naar de Verenigde Staten en vervalste zelfs hun paspoorten, zodat de Amerikanen onmogelijk iets konden ontdekken over een crimineel verleden.
VOC-methodes
Ook in Nederland pleitten politici van diverse pluimage in de loop der jaren, en dan met name gedurende de negentiende eeuw, ervoor om veroordeelde misdadigers naar buitenlands voorbeeld te exporteren. Het moederland werd ermee ontlast. En een hard bestaan in een uithoek van de koloniën ver weg moest haast wel een afschrikkende werking hebben. Maar Nederlandse bestuurders in de West en in de Oost zaten niet te wachten op de import van problemen. Opeenvolgende ministers van Koloniën hielden eveneens de boot af. Zij hadden geen zin in bemoeienis van het departement van Justitie met hun portefeuille.
Tussen overzeese bezittingen van Nederland vond vanaf de zeventiende eeuw wel een levendige uitwisseling van gevangenen en tot dwangarbeid veroordeelden plaats.
Robbeneiland
Robbeneiland, gelegen voor de kust bij het Zuid-Afrikaanse Kaapstad, geniet vooral bekendheid als de plek waar Nelson Mandela achttien jaar van zijn gevangenschap doorbracht. Maar Nederlanders gebruikten het al vanaf de zeventiende eeuw als strafkolonie, vooral voor politieke gevangenen. De veroordeelden kwamen niet alleen van het nabije vasteland. Via de VOC werden ze bijvoorbeeld ook aangevoerd vanuit koloniale bezittingen in Azië, zoals Nederlands-Indië en Ceylon (het huidige Sri Lanka). In de pakweg anderhalve eeuw tussen het vertrek van de Nederlanders uit de Kaap en het gebruik van het eiland als gevangenis door het apartheidsregime fungeerde het onder meer als leprakolonie, als quarantainestation voor in te voeren dieren en als fort.
Zo werden samenlevingen gezuiverd van ongewenste elementen of losten ze hun gebrek aan werkkrachten een beetje op. Tot aan de Franse tijd was de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) de grote motor achter de verplaatsingen. Het koloniale systeem van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw greep daarna deels terug op oude VOC-methodes van bestraffing en verplaatsing.
Veroordeelden werden van Nederlands-Indië naar bijvoorbeeld Ceylon (het huidige Sri Lanka) en de Kaap getransporteerd, maar ook weer terug. De autoriteiten in Indië hadden hun eigen verbanningsoorden voor mensen die ze graag uit zicht wilden hebben. Een aantal daarvan lag vlakbij, zoals de eilanden Onrust en Edam voor de kust bij Batavia. Andere juist ver weg op de Banda Eilanden of op Papoea. Of Boven-Digoel op het meest oostelijke eiland van Indië. In de laatste decennia van de Nederlandse overheersing zaten Indonesische nationalisten er vast in een oord dat werd omringd door honderden kilometers oerwoud.

En de door de Italianen rond 1870 nagestreefde strafkolonie? Brunei durfde het niet aan om zelfstandig een concessie te verlenen. Het sultanaat had in 1847 een traktaat met de Britten gesloten om te kunnen rekenen op enige bescherming. De Italianen moesten maar gaan polsen hoe die supermacht erover dacht.
Nederland kreeg daar lucht van en probeerde de beslissing in het nadeel van de Italianen te laten uitvallen. De gezant in Londen kreeg door Den Haag ingepeperd dat hij een delicaat spel diende te spelen. Uit zijn optreden mocht op geen enkele wijze blijken dat Nederland enige Britse zeggenschap over Brunei officieel erkende. Tegelijkertijd moest de diplomaat de Britse minister van Buitenlandse Zaken duidelijk maken dat een Italiaanse strafkolonie niet in het belang was van de koloniale machten. Nederland had geluk. Londen was het daarmee eens en liet de sultan van Brunei weten niet in te stemmen met een concessie voor de Italianen.
Een onmogelijke ontsnapping
De Fransman Henri Charrière (1906-1973) dankte zijn bijnaam ‘Papillon’ (‘vlinder’) aan een tatoeage die hij liet zetten tijdens zijn tijd bij de marine. Nadat hij daarvoor was afgekeurd, belandde hij in de criminaliteit. In 1931 werd hij – naar eigen zeggen onschuldig – veroordeeld voor de moord op een ander onderwereldfiguur. Voor levenslange dwangarbeid verscheepten de autoriteiten hem naar Frans-Guyana, waar hij in totaal negen keer wist te ontsnappen uit verschillende ballingsoorden. De laatste keer wist hij weg te komen van het beruchte Duivelseiland en bleef hij uit handen van justitie. Charrière verwerkte zijn ervaringen in de zeer succesvolle semi-autobiografische roman Papillon (1969), die vier jaar later ook werd verfilmd met Steve McQueen in de titelrol.
Meer weten:
- A Global History of Convict and Penal Colonies (2018) door Clare Anderson (red.) over de veelsoortigheid en verschijningvormen van strafkolonies.
- Global Convict Labour (2015) door Christian Giuseppe de Vito en Alex Lichtenstein (red.) over de geschiedenis van dwangarbeid.
- De fatale kust. Het epos van Australië (1988) door Robert Hughes over het begin van Australië als Britse strafkolonie.
