Het ambitieuze hart van Liutprand van Cremona bonsde van opwinding, toen hij door de gouden poort van Constantinopel liep. Het was een warme junidag in 968 en alles aan de metropool wasemde de stof die Liutprand zo fel begeerde: zijde! Zodra hij de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk betrad, werden zijn zintuigen overweldigd. Door het ritmische geklapper van duizenden houten weefgetouwen uit alle straten en stegen. Maar ook door de glanzende meterslange doeken die langs de centrale hoofdstraat, de Mese, in de zon hingen te drogen en te pronken. Zelfs de vissige, rotte-eierenlucht, die zijn neusgaten binnendrong bij ieder vleugje zuidenwind, verwelkomde hij als parfum.
De verstikkende damp van miljoenen gekookte zijdecocons en tot purper fermenterende zeeslakken beloofde Liutprand namelijk rijkdom en eer. Negentien jaar eerder was de Italiaanse bisschop hier ook al. Toen was hij een kekke jonge twintiger die vloeiend Grieks sprak en ondanks zijn jeugd een bekwaam diplomatieke slijmbal bleek. Het vleien legde hem geen windeieren en hij was destijds triomfantelijk naar huis teruggekeerd met negen kostbare zijden mantels.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Deze keer was hij gestuurd door de machtige Duitse keizer Otto I de Grote. Officieel om de dochter van de Byzantijnse keizer Nikephoros II Phokas veilig te stellen voor een huwelijk met Otto’s zoon. Maar officieus, zo schreef de bisschop in zijn reisverslag Relatio de Legatione Constantinopolitana, had hij een geheime tweede missie: zowel zijdeproducten als zijdekennis mee terugnemen.

De overenthousiaste diplomaat was echter een middeleeuws techmonopolie binnengewandeld en Constantinopel bewaakte de zijde als een hellehond. In de zesde eeuw had Constantinopel het voor elkaar gekregen de eitjes te bemachtigen van de zijderups bombyx mori. De schrijver Procopius of Caesarea tekende omstreeks 550 in zijn boek De Bellis (Over de Oorlogen) apetrots op dat zijn keizer Justinianus I, twee monniken naar China had gezonden om de eitjes terug te smokkelen in hun wandelstokken. Historicus Anna Muthesius houdt het erop dat Byzantium meerdere keren spionnen naar China moest sturen en de bombyx mori een paar decennia nodig had om transcontinentaal te verhuizen. Hoe dan ook was Constantinopel niet van plan zelf slachtoffer te worden van zijdesmokkel en spionage.
Amputatie moest spionnen afschrikken
De productie en handel was in Constantinopel daarom geen vrije markt, maar een strategische staatsaangelegenheid. Net zoals overheden vandaag de dag de export van geavanceerde ASML-machines of Nvidia-chips aan banden leggen vanwege de nationale veiligheid, zo hield de Byzantijnse keizer de zijdeproductie in een wurggreep. De overheid dicteerde de prijzen, de quota en wie er toegang kreeg tot de grondstoffen. De absolute topkwaliteit werd geproduceerd in de Zeuxippos, een streng bewaakt industrieel staatscomplex binnen de muren van het Grote Paleis, waar tot wel 1.500 gespecialiseerde arbeiders werkten.
Hier bewaarden de keizers zowel de geheime recepten van de kleuren als de vakkennis over specifieke weef- en verftechnieken. Ook de arbeiders zelf behoorden toe aan de staat. Officiële staatsslaven twijnden garen, verfden draden en weefden doeken. Hoe meer vaardigheid de klus vereiste, des te hoger opgeleid de slaaf was. De meesterwevers en opzichters konden bogen op enig respect, maar de arme donders die de garen in hete ketels moesten bleken met bijtende zouten en stinkende pigmenten, waren vervangbaar en liepen continu schade op aan luchtwegen, ogen en huid.
De private sector, georganiseerd in gilden, stond onder toezicht van de eparch, oftewel de stadsprefect en zijn keizerlijke inspecteurs, de commerciarii. Het Boek van de eparch reguleerde ieder segment van de private zijde-industrie tot in de verstikkende details. Zo mochten wevers uitsluitend inferieure kwaliteiten verkopen en kreeg alleen goedgekeurde private zijde een loden controlestempel. De stadspoorten en havens werden streng bewaakt en alle export zorgvuldig gecontroleerd. Als een gewone sterveling of buitenlandse handelaar zijde zonder stempel de stad uit probeerde te smokkelen, traden de wetten voor hoogverraad in werking en die waren niet mals. Amputatie van de rechterhand, openbare geseling en levenslange verbanning moesten hebberige handelaren en spionnen afschrikken die er met het textiele goud vandoor wilden. Of zelfs maar trachtten hun neus in de geheime industriële processen te steken.
Macht en status
Wat Liutprand wilde stelen, was de brandstof van de Byzantijnse geopolitiek. Zijde fungeerde als de ultieme diplomatieke valuta. Volgens Muthesius gebruikte het keizerrijk artificiële schaarste om de waarde astronomisch hoog te houden. Topkwaliteit werd gewogen tegen goud en aan Arabische of Europese staatshoofden aangeboden in ruil voor militaire en politieke steun. De agro-industriële machine die dit mogelijk maakte, was omvangrijk. Niet alleen de keizer zelf, maar alles en iedereen in zijn nabijheid, was omhangen met zijde – van de gordijnen en slaaptextiel in het paleis, tot de laagste functionaris en zelfs gewone soldaten. Om indruk te maken op buitenlandse delegaties lieten keizers soms de complete zeilen van oorlogsschepen vervangen door purperen zijde. Een dergelijk geintje kostte het keizerrijk miljoenen rupsen, want voor slechts één kilo zijde waren al 5.000 rupsen nodig, die 100 kilo moerbeibladeren aten. De gigantische, eveneens streng bewaakte moerbeituinen, die Constantinopel en de Griekse regio’s omsingelden, stonden dan ook bekend als ‘Groene Gordels’.

De geheime missie van de lepe bisschop uit Cremona werd uiteindelijk een grote sof. De keizer had hem in een tochtig huis aan de haven gesitueerd, met uitstekend zicht op de schepen die de felbegeerde zijde inlaadden voor de export. Liutprand besloot om via corrupte handelaren vijf rollen van de streng verboden, keizerlijke zijde te kopen. Maar zijn triomf was van korte duur. Vlak voor zijn vertrek deed de douane een inval in zijn kamers en confisqueerde de rollen. Toen Liutprand brieste over zijn diplomatieke status, antwoordden de inspecteurs: ‘Hoe kunnen wij toestaan dat jullie barbaren in zulke prachtige gewaden rondlopen? Het zou onze keizerlijke waardigheid besmeuren.’ Liutprand mocht al zijn ledematen houden, maar werd direct verbannen. Diepvernederd droop hij af naar zijn geliefde keizer Otto. Constantinopel zou nog eeuwen het zijdemonopolie behouden, tot in 1204 kruisvaarders de stad bezetten en zowel de handel als de industrie overnamen.
Meer weten
- De zijderoutes, een nieuwe wereldgeschiedenis (2015) door Peter Frankopan is een verhandeling over het belang van de zijderoutes voor de wereldhandel.
- Byzantine Silk Weaving, AD 400 to AD 1200 (1997) door Anna Muthesius biedt een compleet verslag van de zijde-industrie in Constantinopel.
- Silk Road, A New History (2015) door Valerie Hansen geeft een andere kijk op de zijderoutes gebaseerd op archeologische vondsten.
