In 1445 had Margreet, echtgenote van Jacob van der Velde, een woordenwisseling met de pastoor van haar dorp ergens in de zuidelijke Nederlanden. Ze maakte zich zo kwaad dat ze hem niet alleen uitschold, maar ook een klap uitdeelde. Waarover hun ruzie ging wordt niet verteld in het vonnis dat de kerkelijke rechtbank van het bisdom Kamerijk later velde. Misschien had het te maken met de magie en het incestueuze overspel waaraan Margreet volgens de rechters ook schuldig was.
Hoe dan ook, toen ze niet lang na het incident de mis wilde bijwonen, sommeerde de pastoor haar vanaf de kansel de kerk te verlaten: ze was geëxcommuniceerd. Op dat moment maakte ze het nog erger door de pastoor opnieuw de wind van voren te geven. De rechtbank veroordeelde haar daarom tot een geldboete en betaling van de proceskosten.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Dit verhaal vertelt veel over de praktijk van de kerkban of excommunicatie in de late Middeleeuwen en de gevolgen die deze met zich meebracht. Alleen bisschoppelijke rechtbanken of functionarissen aan wie de bisschop zijn rechtsmacht had gedelegeerd konden de sanctie opleggen. Parochiepriesters konden het niet, maar omdat agressie tegen geestelijken volgens het kerkrecht automatisch leidde tot excommunicatie, liet Margreets pastoor haar weten dat ze kon vertrekken.
Dit betekende dat ze uit de gemeenschap van gelovigen werd verstoten. Ze mocht de mis niet meer bijwonen en kon de communie en andere sacramenten niet meer ontvangen. Omdat kerkgemeenschap (parochie) en lokale gemeenschap (dorp of stadswijk) met elkaar samenvielen, werd ze ook sociaal uitgesloten. Personen die door de kerkban waren getroffen moest je uit de weg gaan. Het was niet toegestaan met hen te eten en te drinken, onder één dak te verblijven, arbeid te verrichten of zaken te doen. Je mocht hen zelfs niet groeten, tenzij je hen tot een beter leven wilde manen.

Wie toch met hen omging, werd op zijn beurt in de ban gedaan. Geëxcommuniceerden werden daarom vergeleken met leprozen, die iedereen vanwege het besmettingsgevaar ook meed. Zelfs de dood maakte geen einde aan de uitsluiting: wie voor zijn overlijden geen absolutie had ontvangen, mocht niet op het kerkhof worden begraven.
Het kan goed dat Margreet ondanks alles een vrome vrouw was, die geloofde dat haar ziel gevaar liep als ze niet ter communie kon gaan. Maar Véronique Beaulande, die het geval beschrijft in haar onderzoek naar excommunicatie in het laatmiddeleeuwse aartsbisdom Reims, vermoedt dat dit niet de voornaamste reden was voor haar tweede uitbarsting. De meeste mensen die werden getroffen door de kerkban probeerden absolutie te krijgen. Gewoonlijk lukte dat ook, aangezien het vaak voldoende was een bescheiden boete te betalen, zoals in het geval van Margreet.
Angst voor vagevuur en hel speelde daarbij ongetwijfeld mee, maar wat opvalt is dat veel geëxcommuniceerden geen haast maakten. Tot ver in de zestiende eeuw ging het merendeel van de gelovigen toch niet iedere zondag naar de mis. Vaak gingen ze zelfs maar één keer per jaar ter communie, met Pasen. Het was daarom tegen die tijd van het jaar dat de meeste geëxcommuniceerden zich met de kerk verzoenden door de opgelegde boete te betalen en aan eventuele andere voorwaarden te voldoen. Blijkbaar maakten ze zich niet bijzonder druk over hun ziel – zolang ze tenminste niet op hun sterfbed lagen.

Ook viel het in de praktijk mee met het sociale isolement. Als vrienden, buurtgenoten, klanten en zakenpartners het contactverbod strikt hadden nageleefd, zou het leven van een geëxcommuniceerde er ingewikkeld hebben uitgezien. Maar de schaarse bronnen die zicht geven op de praktische naleving doen vermoeden dat veel mensen zich weinig van het omgangsverbod aantrokken.
Beaulande meent daarom dat Margreet zich vooral opwond vanwege de publiciteit waarmee de aankondiging van haar uitsluiting gepaard ging. Door haar tijdens de mis de toegang tot de parochiekerk, het middelpunt van de lokale gemeenschap, te ontzeggen had de priester haar te schande gemaakt. Dat wierp een smet op haar toch al bedenkelijke reputatie, en een slechte naam had nare gevolgen.
Het stigma van infamia (‘beruchtheid’ of ‘eerloosheid’) dat aan geëxcommuniceerden kleefde, bracht met zich mee dat ze geen contracten konden afsluiten, niet konden getuigen en geen rechtszaken konden aanspannen, ook niet voor wereldlijke rechtbanken. In dit soort gevallen moesten mensen namelijk een eed afleggen, maar het woord van een eerloos persoon was niets waard. Meer dan vagevuur of uitsluiting was het daarom de reputatieschade die werd gevreesd.
Boze parochianen
Er is nog iets waar Margreets verhaal op wijst: de groeiende weerstand tegen de kerkban. Wanneer de pastoor haar beveelt te vertrekken, gehoorzaamt ze niet. Integendeel, ze beschimpt hem opnieuw. Of ze uiteindelijk toch is opgestapt, met dwang de kerk is uitgewerkt of dat de pastoor het voor het moment maar heeft gelaten, weten we niet, maar ze legde zich niet zomaar bij de situatie neer. Ze verzette zich en haar pastoor was niet de enige die tegen het einde van de Middeleeuwen te maken kreeg met boze geëxcommuniceerde parochianen. Dat had alles te maken met hun groeiende aantal.
De kerkban kon voor een grote verscheidenheid aan zonden en misdaden worden opgelegd. Als de ernstigste vergrijpen golden ketterij en simonie (de verkoop van geestelijke ambten). Maar ook geweld tegen clerici, beschadiging of diefstal van kerkelijke eigendommen en schending van klerikale privileges werden met de sanctie bestraft.

Vaker ging het om overtreding van het huwelijksrecht. Sinds de dertiende eeuw moesten huwelijken in de kerk worden voltrokken. Koppels die zich niet aan deze regel hielden of na de trouwerij hun huwelijkse plichten niet nakwamen, liepen het risico te worden geëxcommuniceerd. In 1472 beval de bisschoppelijke rechtbank van het Franse Châlons-en-Champagne het paar Gérardin Hérault en Isabelle Norrat, dat blijkbaar samenwoonde zonder in de kerk te zijn getrouwd, op straffe van excommunicatie dat binnen twee weken alsnog te doen. Een jaar later maande dezelfde rechtbank Jean Gasteboys en zijn vrouw, die van elkaar gescheiden leefden, onder dreiging van dezelfde straf elkaar met de ‘gepaste echtelijke genegenheid’ te bejegenen.
Ook nalatige executeurs-testamentair en wanbetalers konden de straf tegemoet zien. Het erfrecht was een zaak van de kerk, terwijl niet tijdige aflossing van schulden werd gezien als eedbreuk. Tegen het einde van de Middeleeuwen lijkt vooral deze categorie sterk te groeien. De lijsten met de namen van geëxcommuniceerde parochianen die iedere zondag tijdens de mis moesten worden voorlezen werden zo lang dat sommige priesters het maar lieten zitten. Tijdgenoten, en niet de minsten, meenden dat het volledig uit de hand liep. De theoloog Nicolas de Clamanges verzuchtte in de vroege vijftiende eeuw dat de kerkban zo vaak en om zulke onbenullige redenen werd opgelegd dat de mensen er hun schouders over ophaalden.
God straft meteen
Mirakelverhalen peperden de gelovigen in dat de kerkban iemand ook op aarde al rampspoed bracht. De meest geruchtmakende excommunicatiezaak uit de Middeleeuwen was die van de Duitse koning Hendrik IV. Tijdens zijn machtsstrijd met paus Gregorius VII, de Investituurstrijd, deed de paus hem in 1076 in de ban. Toen hij het nieuws vernam, bevond Hendrik zich in Utrecht, waar hij Pasen vierde. Hij riep onmiddellijk zoveel mogelijk bisschoppen bij elkaar en beval hun de paus op zijn beurt te excommuniceren. Maar de prelaat die was aangewezen het vonnis de volgende ochtend uit te spreken glipte ’s nachts de stad uit. Gastheer bisschop Willem van Utrecht durfde het wel aan en sprak in de plaatselijke Pieterskerk de banvloek over Gregorius uit. Volgens vijandige kronieken werd de kerk meteen daarna door de bliksem getroffen en ging in vlammen op. Gods werk, daarover bestond geen twijfel. Willem zelf, als partijganger van Hendrik automatisch geëxcommuniceerd, zou na een buitensporige schranspartij een pijnlijke dood zijn gestorven.
Historici hebben lang aangenomen dat de kritiek van De Clamanges en andere hervormingsgezinde geestelijken de realiteit weerspiegelt: door overmatig gebruik werd de sanctie steeds minder serieus genomen. Ook het misbruik – excommunicatie als middel om de materiële belangen van geestelijken te verdedigen – leidde ertoe dat veel gelovigen hun respect voor de kerk verloren.
Overgeleverd aan Satan
Recent kwam Felicity Hill tijdens haar onderzoek naar excommunicatie in Engeland tot een andere conclusie. Volgens haar droeg onzorgvuldig gebruik inderdaad bij aan een verminderd ontzag voor geestelijken. Zeker wanneer die met elkaar bakkeleiden over kerkelijke inkomsten en daarbij banvloeken naar elkaars hoofd slingerden. Maar Hill wijst erop dat klachten over een te overvloedig gebruik al in de vroege Middeleeuwen voorkwamen. Juist daarom benadrukten pausen en kerkjuristen vanaf de twaalfde eeuw dat de sanctie vanwege de ernstige consequenties niet lichtvaardig mocht worden opgelegd.
Voordat er werd overgegaan tot excommunicatie, moest de voorgeschreven procedure in acht zijn genomen. Om een beklaagde de kans te geven zich te beteren moest hij driemaal worden gewaarschuwd. Pas dan kon hij, wanneer hij volhardde in zijn zondige gedrag, vanwege zijn halsstarrigheid worden geëxcommuniceerd. De bedoeling was hem weer op het goede pad te brengen, niet hem te verdoemen. De befaamde theoloog Bonaventura beweerde dat de kerkban een medicijn was: zoals een operatie pijnlijk kon zijn, maar de patiënt wel beter maakte, genas de maatregel een rebels persoon van zijn opstandigheid.

Om een rebel ertoe te brengen zich met de kerk te verzoenen en boete te doen, was het wel nodig hem angst aan te jagen. De publieke bekendmaking van een excommunicatie ging daarom vergezeld van een rituele vervloeking, de banvloek, die zozeer met de excommunicatie zelf werd geassocieerd dat beide termen dikwijls als synoniemen werden en worden gebruikt.
Onder het gelui van de kerkklokken leverde de dienstdoende priester de veroordeelde samen met de oudtestamentische aartsrebellen Nathan en Abiram (Numeri, 16:1-35) over aan Satan om tot in de eeuwigheid te worden gefolterd. Terwijl de kaarsen in de kerk werden gedoofd, veroordeelde hij hem tot de duisternis. Tenzij, zoals hij haastig toevoegde terwijl de klokken zijn woorden al overstemden, de zondaar alsnog tot inkeer kwam en zich aan de kerk onderwierp. Ondanks alle nadruk die kerkleiders legden op de geneeskrachtige werking van excommunicatie stond de sanctie voor eenvoudige gelovigen gelijk aan een veroordeling tot hel en verdoemenis. Het waren daarom, aldus Hill, niet alleen de schande en het daarmee verbonden verlies van juridische rechten die schrik aanjoegen. Ook de angst voor de gevolgen in het hiernamaals bleef springlevend.
Gedreig slaat niet aan
Hill stelt vast dat de kerkban een effectief middel bleef om de kudde van gelovigen in het gareel te houden, maar misschien was de angst voor verdoemenis minder groot dan zij aanneemt. In 1229 weigerden de burgers van het Engelse stadje Dunstable het plaatselijke klooster een belasting te betalen die in hun ogen onrechtmatig was. Toen de bisschop van Lincoln hen vanwege hun verzet excommuniceerde, verklaarden ze liever naar de hel te gaan dan te zwichten voor de eisen van de monniken.
Hill neemt hun uitspraak letterlijk: de inwoners dachten dat ze verdoemd waren als ze in geëxcommuniceerde staat zouden sterven, maar omdat ze overtuigd waren van hun gelijk, waren ze desondanks niet bereid toe te geven. Dat lijkt sterk. Het ligt meer voor de hand dat ze niet geloofden in het verdoemende effect van de kerkban. Tenminste niet in deze zaak, waarin ze volgens henzelf het recht aan hun kant hadden. Het is dus eerder een voorbeeld van scepsis tegenover alle gedreig.
Eenzelfde onverschilligheid spreekt uit een verhaal uit Boccaccio’s Decamerone (circa 1350), dat zich afspeelt op een afgelegen plek in Toscane. In het verhaal maakt een struikrover de door hem ontvoerde abt duidelijk dat tegensputteren geen zin heeft: hij is aanbeland in een oord waar mensen, afgezien van Gods macht, niets of niemand vrezen en waar ‘de kerkban zelf in de ban is gedaan’. Daar staat tegenover dat kerkhervormer Maarten Luther begin zestiende eeuw nog klaagde dat sommige kerkrechters de mensen tot wanhoop dreven door hun wijs te maken dat een excommunicatie hen regelrecht naar de hel stuurde.

Misschien moeten we het erop houden dat mensen verschillend dachten en reageerden. Er waren sceptici die zich niet lieten intimideren door rituele dreigementen en die hooguit gevoelig waren voor de sociale gevolgen van de kerkban, maar soms niet eens dat. Anderen, meer vreesachtig en buigzaam, waren wel onder de indruk van de bezweringen en vervloekingen. Wat bij Margreet de boventoon voerde, de schade aan haar reputatie of angst voor verdoemenis, zullen we nooit weten. Ook niet of het tussen haar en de pastoor nog goed is gekomen.
Meer weten:
- Henry IV of Germany, 1056-1106 (2003) door I.S. Robinson behandelt het conflict tussen de Duitse koning en de paus.
- Le malheur d’être exclu? (2006) door Véronique Beaulande onderzoekt excommunicatie in Noord-Frankrijk en de zuidelijke Nederlanden.
- Excommunication in Thirteenth-Century England (2022) door Felicity Hill nuanceert inzichten over de kerkban.
